Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:6003
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,799 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:6003 text/xml public 2026-04-08T09:30:17 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-24 24/5180 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6003 text/html public 2026-03-31T15:26:45 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:6003 Rechtbank Den Haag , 24-03-2026 / 24/5180 Eiser ervaart geluidsoverlast van een geluidsinstallatie op het schoolplein naast zijn woning en doet daarvoor een handhavingsverzoek. De school gebruikt de installatie een aantal keer per jaar bij georganiseerde activiteiten. De Apv kent geen bepaling die gaat over versterkt geluid van binnen een inrichting. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/5180 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. N.M. Buddingh - Ubink), en het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. 1.1. Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 20 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. 1.3. Het onderzoek op zitting is geschorst zodat partijen de mogelijkheid van mediation konden beproeven. 1.4. Met de brief van 30 januari 2026 heeft eiser laten weten dat hij een uitspraak van de rechtbank wenst. 1.5. De rechtbank heeft partijen met de brief van 11 februari 2026 laten weten dat er conform eerder gemaakte afspraken geen nieuwe zitting gehouden zal worden. Daarbij heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser woont naast basisschool [schoolnaam] in [plaats]. Hij heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van een geluidsinstallatie op het schoolplein. Deze geluidsinstallatie wordt een aantal keer per jaar gebruikt tijdens door de school georganiseerde activiteiten. In de bezwaarfase heeft de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) twee geluidsmetingen gedaan. Verweerder heeft onder verwijzing naar de uitkomst van die twee metingen besloten dat er geen overtreding is. Daarom is het verzoek tot handhaving afgewezen. Wat vindt eiser in beroep? 3. Volgens eiser leest verweerder de rapporten van de ODH niet goed. Uit het rapport van 4 oktober 2023 volgt namelijk dat er mogelijk sprake is van een overtreding. Verweerders stelling dat er geen overtreding is geconstateerd is daarmee onjuist. Daar komt bij dat het meetresultaat opgehoogd moet worden volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, wat resulteert in een forse overschrijding van het toegestane geluidsniveau. De ODH stelt ten onrechte dat het meetresultaat niet bruikbaar is, omdat het muziekgeluid vermengd is met het stemgeluid van kinderen op het schoolplein. Eiser verwijst daartoe naar regelgeving over onversterkte muziek in artikel 2.18, vijfde lid, aanhef en onder a, van het activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van de Algemene plaatselijke verordening Westland 2019 (Apv). Volgens een door eiser geraadpleegde geluidsexpert ontbreken er relevante gegevens bij de geluidsrapporten. Ook uit het rapport van 8 december 2023 volgt dat er een overtreding van de geluidsnormen is vastgesteld. Het is voor eiser verder niet duidelijk of de school zich zal houden aan de adviesopstelling van de geluidsinstallatie. Overigens had eiser ook met gebruik van deze adviesopstelling overlast van het geluid. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden door een last onder dwangsom op te leggen of een last onder bestuursdwang, als er een overtreding is. Een overtreding is een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Partijen verschillen van mening of uit de uitkomsten van de geluidsmetingen een overtreding blijkt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit niet het geval is en legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt. 5. De rechtbank stelt vast dat eisers handhavingsverzoek is toegespitst op de muziek die uit de geluidsinstallatie op het schoolplein komt. Het schoolplein valt binnen de inrichting van de school. En het gaat dus om versterkt geluid. 6. De Apv kent geen bepaling die gaat over verstrekt geluid van binnen een inrichting. Artikel 4:5 van de Apv gaat over onversterkte muziek van binnen een inrichting en is dus niet van toepassing. Artikel 4:5, vierde lid, van de Apv is dus ook niet van toepassing op eisers handhavingsverzoek. Ook de verwijzing naar artikel 2.18, vijfde lid, aanhef en onder a, van het activiteitenbesluit milieubeheer kan eiser om diezelfde reden niet baten. Ook dat artikel ziet namelijk op onversterkte muziek. Artikel 4:6 van de Apv gaat over overige geluidhinder buiten een inrichting en is daarom in dit geval ook niet van toepassing. 7. De rechtbank acht bij haar oordeel verder van belang dat verweerder ter zitting heeft uitgelegd dat de Apv is veranderd sinds het bestreden besluit. Onder de gewijzigde Apv zal de school een melding moeten maken voordat een festiviteit kan plaatsvinden. Daarmee wordt de school voor de duur van de festiviteit uitgezonderd van de regels rondom geluid. Bij een handhavingsverzoek wordt dan alleen nog beoordeeld of de school een melding heeft gedaan. 8. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij het positief vindt dat het contact tussen partijen en met de school is verbeterd door het mediationtraject. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de onderlinge verhoudingen ook voor de toekomst goed blijven. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek tot handhaving mocht afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met artikelen 5:4 en 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht.