Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:5995
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,109 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5995 text/xml public 2026-03-20T10:04:52 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-10 C/09/696313 / FA RK 25-9572 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5995 text/html public 2026-03-20T10:04:25 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5995 Rechtbank Den Haag , 10-02-2026 / C/09/696313 / FA RK 25-9572 Echtscheiding. RECHTBANK DEN HAAG Team Familie zaaknummer / rekestnummer: C/09/696313 / FA RK 25-9572 Beschikking d.d. 10 februari 2026 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [de man] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de man, advocaat mr. M.M.C. van der Sanden, gevestigd te Den Haag, tegen [de vrouw] , zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, hierna te noemen de vrouw. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de man, ingekomen op 16 december 2025; - het bericht namens de man van 12 januari 2026, met als bijlagen het gewijzigde verzoek en het meegezonden echtscheidingsconvenant; - de referteverklaring van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026. 2 De beoordeling 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2024 te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Letse nationaliteit. 2.2. Scheiding 2.2.1. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. 2.2.2. Nu vóór de indiening van het verzoekschrift de laatste gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond en één van hen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog steeds in Nederland verbleef, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. 2.2.3. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 2.2.4. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen. 2.3. Echtscheidingsconvenant 2.3.1. Partijen hebben onderling een regeling getroffen die is vermeld in het aan deze beschikking gehechte echtscheidingsconvenant. De man heeft verzocht het echtscheidingsconvenant op te nemen in de echtscheidingsbeschikking. De vrouw heeft zich ten aanzien van dit verzoek aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. 2.3.2. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek het echtscheidingsconvenant deel uit te laten maken van deze beschikking. 2.3.3. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen. 2.3.4. Het verzoek te bepalen dat het convenant deel uitmaakt van deze beschikking zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen. 2.4. Proceskosten 2.4.1. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum] 2024; 3.2. bepaalt dat het aangehechte echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van deze beschikking; 3.3. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt; 3.4. verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier J.L. Salters op 10 februari 2026. Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt. [afbeeldingen van de tekst van het echtscheidingsconvenant verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]