Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5954
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,000 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5954 text/xml public 2026-03-31T14:40:38 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 C/09/697584 / FA RK 26-298 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5954 text/html public 2026-03-31T14:40:11 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5954 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / C/09/697584 / FA RK 26-298 Zorgregeling, kinderalimentatie Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-298 Zaaknummer: C/09/697584 Datum beschikking: 17 februari 2026 Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie Beschikking op het op 12 januari 2026 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen; het bericht van 13 januari 2026, met bijlagen, van de vader; het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek; het bericht van 2 februari 2026, met bijlagen, van de moeder; het verweer tegen het zelfstandig verzoek, met bijlagen; het bericht van 4 februari 2026, met bijlage, van de moeder. Op 10 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: - de vader met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; - [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] . Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] is ingeschreven in de BRP op het adres van de moeder. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Verzoek en verweer De vader verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] bij de vader is om het weekend van woensdagmiddag tot maandagochtend, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig te bepalen dat: - tussen de vader en [de minderjarige] de volgende zorgregeling zal worden vastgelegd, waarbij [de minderjarige] bij de vader is: - eens per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:30 uur; - de helft van de herfstvakantie; - een week in de kerstvakantie; - de helft van de voorjaarsvakantie; - de helft van de meivakantie; - twee weken in de zomervakantie; waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder zal ophalen en de moeder [de minderjarige] bij de vader zal ophalen; - de vader met ingang van 1 september 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag van € 615,- per maand aan de moeder zal betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. Beoordeling Standpunt vader Partijen hebben na hun uiteengaan een ouderschapsplan opgesteld, maar door gebrek aan overeenstemming over de kinderalimentatie nooit ondertekend. Wel is het partijen gelukt om een zorgregeling af te spreken, die in de loop der jaren is uitgebreid en waar partijen al 1,5 jaar uitvoering aan geven. Deze regeling houdt in dat [de minderjarige] om het weekend bij de vader is van donderdagavond tot maandagochtend. De vader wenst deze zorgregeling echter uit te breiden en heeft dit tevergeefs bij de moeder aangegeven. De moeder staat namelijk niet open voor een uitbreiding van de zorgregeling. Ook houdt zij zich niet aan door partijen gemaakte afspraken en heeft zij bovendien de huidige zorgregeling beperkt tot het weekend. Dit doet de vader veel verdriet, omdat hij een betekenisvolle en belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] wil spelen. Hij is van mening dat hij recht heeft op een evenredig deel in de verzorging van [de minderjarige] en voelt zich hierin door de moeder niet gelijkwaardig behandeld. De vader is goed in staat om de door hem verzochte zorgregeling uit te voeren, omdat hij vanwege zijn eigen onderneming flexibele werktijden heeft. De moeder belemmert de vader in zijn contact met [de minderjarige] , terwijl hier geen reden voor bestaat. Ook wenst de vader direct met de moeder te communiceren over [de minderjarige] en is hij bereid mee te werken aan ouderschapsbemiddeling. Standpunt moeder De vader was ondanks eerdere toezeggingen over de zorgregeling niet bereid het ouderschapsplan te tekenen. De moeder bevestigt dat de door de vader genoemde zorgregeling is afgesproken voor enkel 2025 en geeft aanvullend aan dat vakantie- en feestdagen in onderling overleg verdeeld zouden worden. Gedurende 2025 heeft de vader aangegeven dat hij meer omgang met [de minderjarige] wenste. Volgens de moeder heeft de wens van de vader er voornamelijk mee te maken dat hij dan een lager alimentatiebedrag voor [de minderjarige] hoeft te voldoen. De moeder stelt echter dat de vader vanwege zijn werk niet in staat is om meer zorg op zich te nemen. Volgens haar is in 2025 namelijk herhaaldelijk gebleken dat hij [de minderjarige] onderbrengt bij zijn huidige partner op de dagen dat hij zorg draagt voor [de minderjarige] . Verder merkt de moeder dat de vader [de minderjarige] met het conflict tussen partijen belast, wat leidt tot onrustig gedrag. [de minderjarige] is soms snel boos en gefrustreerd en kan slaan en schoppen. Ook de snipperdagen hebben geen goed effect op haar door de vele wisselingen. Na verblijf bij de vader heeft [de minderjarige] regelmatig buikpijn, omdat zij melkproducten krijgt, terwijl dat om medische redenen niet goed voor haar is. Bovendien gaat het niet goed met het gebruik van de puffer als [de minderjarige] bij de vader is. De moeder staat nu niet open voor ouderschapsbemiddeling, omdat zij de communicatie met de vader niet als gelijkwaardig ervaart. De moeder vindt de vader hierin dominant. Gezien de onrust die de omgang met de vader met zich brengt, acht de moeder de volgende zorgregeling in het belang van [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] bij de vader is: - eens per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:30 uur; - de helft van de herfstvakantie; - een week in de kerstvakantie; - de helft van de voorjaarsvakantie; - de helft van de meivakantie; - twee weken in de zomervakantie. Juridisch kader Niet in geschil is dat de ouders een zorgregeling zijn overeengekomen voor 2025. Omdat niet kan worden vastgesteld dat de ouders zijn overeengekomen dat die zorgregeling ook nog geldt voor de periode daarna, beschouwt de rechtbank het verzoek als zijnde een verzoek tot vaststelling van een eerste zorgregeling. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank overweegt dat in de stukken en op de zitting duidelijk is geworden dat beide ouders het beste met [de minderjarige] voor hebben. De rechtbank wil benadrukken dat zij, ieder op hun eigen manier, een even belangrijke rol spelen in het leven van [de minderjarige] . Het verschil van inzicht tussen de ouders over onderwerpen rondom [de minderjarige] en de kinderalimentatie, heeft ervoor gezorgd dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] inmiddels is beperkt tot een weekend in de twee weken. De vader wil een grotere rol spelen in het leven van [de minderjarige] dan hij nu heeft. De rechtbank vindt dat ook in het belang van [de minderjarige] .
Volledig
Voor de ontwikkeling van kinderen is het namelijk belangrijk dat zij met beide ouders voldoende tijd kunnen doorbrengen. Daarom is het wettelijk uitgangspunt ook gelijkwaardig ouderschap. Het verzoek van de vader sluit daar goed bij aan. De stelling van de moeder dat de partner van de vader vaak op [de minderjarige] past, vindt de rechtbank daarvoor geen belemmering. Bovendien heeft de vader aangegeven dat dat niet vaak voorkomt. De klachten van [de minderjarige] die de moeder omschrijft, maken het noodzakelijk dat de ouders goed met elkaar communiceren over [de minderjarige] . Het is aan de ouders om daarin een weg te vinden, desnoods met behulp van een onafhankelijke derde. Gelet op deze omstandigheden, zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen conform het verzoek van de vader. Om wisselingen zoveel mogelijk te voorkomen, zal de rechtbank bepalen dat [de minderjarige] op feestdagen zal zijn bij de ouder bij wie zij de dag daarvoor al verbleef volgens de weekregeling. Een uitzondering daarop zijn de kerstdagen, die de rechtbank bij helfte tussen de ouders zal verdelen. Kinderalimentatie Eerdere overeenkomst? De moeder stelt dat partijen het eens waren over een door de vader te betalen kinderalimentatie per 30 augustus 2023 van € 609,- per maand, zoals berekend door een financieel adviseur, en dat die afspraak nog steeds moet worden gevolgd. De vader heeft dit bedrag tot september 2025 overgemaakt en daarna eenzijdig verlaagd. De vader stelt dat tussen de ouders nooit overeenstemming heeft bestaan over het bedrag van de kinderalimentatie en hij om die reden het ouderschapsplan nooit heeft getekend. Weliswaar heeft hij enkele maanden het voornoemde bedrag betaald, maar hij heeft altijd aangegeven het hier niet mee eens te zijn. Op 10 november 2025 heeft hij dat uitdrukkelijk aan de moeder aangegeven bij brief van zijn advocaat. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er tussen de ouders een overeenkomst was tot het betalen van door de vader te betalen kinderalimentatie van € 609,- per maand. Het ouderschapsplan waarin dat bedrag staat, is niet ondertekend. Ook uit de overige stukken uit het dossier blijkt niet van overeenstemming tussen de ouders. De rechtbank gaat in de overwegingen hierna over tot het vaststellen van de kinderalimentatie. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De berekening is als bijlage achter deze beschikking gevoegd. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend/zelfstandig verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn. De moeder heeft een ingangsdatum van 1 september 2025 bepleit, omdat de vader vanaf die datum een lager bedrag aan kinderalimentatie heeft voldaan dan in de periode daarvoor. De vader verzoekt om de datum van de beschikking als ingangsdatum te nemen, omdat pas dan het juiste bedrag duidelijk wordt. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat in het algemeen behoedzaam gebruik dient te worden gemaakt van de bevoegdheid de alimentatie over een periode in het verleden en dus met terugwerkende kracht vast te stellen, vanwege de veelal ingrijpende gevolgen voor de onderhoudsplichtige. De rechtbank vindt het redelijk om de datum van de indiening van het zelfstandig verzoek, te weten 30 januari 2026, te hanteren als ingangsdatum voor de vast te stellen kinderalimentatie, omdat vanaf die datum de vader rekening heeft kunnen houden met het door de moeder verzochte. Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald. Tussen partijen is niet in geschil dat zij tot en met april 2023 hebben samengewoond. De rechtbank neemt de periode kort daarvoor, dus 2022, als uitgangspunt voor het bepalen van de behoefte. NBI van de moeder De moeder heeft onder verwijzing naar de hiervoor genoemde berekening van de financieel adviseur gesteld dat haar NBI € 1.207,- per maand bedroeg. De vader heeft onder verwijzing naar een eigen berekening gesteld dat het NBI van de moeder € 1.257,- per maand bedroeg. De moeder heeft een aangifte inkomstenbelasting 2023 (productie VIII) overgelegd. Omdat objectieve gegevens over het inkomen van de moeder in het jaar 2022 ontbreken en zij in beide jaren een Wajong-uitkering ontving, vindt de rechtbank de gegevens over 2023 representatief om het NBI van de moeder te berekenen. Uitgaande daarvan, had de moeder een bruto jaarinkomen van € 17.819,-. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en jonggehandicaptenkorting. De rechtbank berekent het NBI van de moeder op € 1.239,- per maand. NBI van de vader Voor de berekening van het NBI van de vader moet ten eerste worden uitgegaan van het inkomen uit loon van € 3.723,- in 2022. Daarnaast had de vader in 2022 inkomsten uit zijn eenmanszaak. Tussen partijen is in geschil of moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming of van de privé-opnamen. De vader stelt dat moet worden uitgegaan van de privé-opnamen van € 48.424,-, omdat dit het inkomen was waarvan partijen leefden en waaraan [de minderjarige] gewend was. De vader wijst ter vergelijking op de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:252, onder 5.7. De moeder stelt dat het uitgangspunt is dat wordt uitgegaan van de winst uit onderneming, in dit geval € 89.884,-. Er is volgens de moeder geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat voor het NBI moet worden uitgegaan van de privé-opnamen, omdat deze opnamen daadwerkelijk ter beschikking stonden van partijen en dus bepalend waren voor hun levensstandaard en die van [de minderjarige] . Uit de door de vader overgelegde jaarstukken 2022 volgt dat de privé-opnamen € 48.424,- bedroegen. De rechtbank gaat uit van een nettobedrag, nu uit de jaarstukken blijkt dat de vader zijn belastingverplichtingen niet vanuit zijn privé-opnamen voldoet, maar daartoe extra opnames doet vanuit zijn eenmanszaak. De rechtbank berekent het NBI van de vader aldus op € 4.231,- per maand. NGBI Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2022 dus € 5.470,- per maand (€ 1.239,- + € 4.231,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 102,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2022 en 4 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 766,- per maand voor [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 937,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Draagkracht van de moeder Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de draagkracht van de moeder de door haar overgelegde jaaropgaaf 2025 als uitgangspunt kan worden genomen, zodat de rechtbank dat zal volgen. De rechtbank gaat uit van een inkomen van € 21.513,- per jaar. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Dat is in dit geval de moeder. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Volledig
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: - de algemene heffingskorting; - de jonggehandicaptenkorting; - de inkomensafhankelijke combinatiekorting; - de alleenstaande ouderkop. Gelet op de ingangsdatum, zoals hiervoor overwogen, zal de rechtbank bij de ouders rekenen met de tarieven van 2026-I. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met voornoemde heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 2.134,- per maand. Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.100,- tot € 2.150,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 109,- per maand voor de moeder in aanmerking nemen. Draagkracht van de vader Voor de berekening van het NBI van de vader moet ten eerste worden uitgegaan van het inkomen uit loon. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De vader is uitgegaan van een bedrag van € 4.713,- per jaar (inclusief vakantiegeld). De moeder heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank van dit bedrag uit zal gaan. Wat betreft de eigen onderneming van de vader, is tussen partijen in geschil of voor het NBI moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming uit 2024 of van de gemiddelde winst uit onderneming in de periode 2022 tot en met 2024. Van 2025 zijn namelijk nog geen bedrijfsresultaten bekend. De vader stelt dat moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming uit 2024 verminderd met 13% voor 2025 of enkel van de winst uit onderneming uit 2024, omdat de winst sinds 2022 jaarlijks met voornoemd percentage is gedaald vanwege oplopende kosten en minder mogelijkheden tot werk. Omdat het gaat om een klusbedrijf en in 2022 de vraag naar klussen bij personen thuis hoog was door de maatregelen rondom het virus COVID-19, was de winst uit onderneming in 2022 uitzonderlijk hoog, namelijk € 89.884,-. Dat bedrag is volgens de vader niet representatief voor zijn inkomen. De moeder stelt dat het uitgangspunt is dat wordt uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de laatste drie jaren, dus van 2022 tot en met 2024. Er is volgens de moeder geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Bovendien heeft de vader de hoogte van de winst zelf in de hand doordat hij meer of minder kan gaan werken. De rechtbank is van oordeel dat wat betreft de winst uit onderneming moet worden uitgegaan van het gemiddelde van de jaren 2023 en 2024. De hoogte van de jaarcijfers zijn tussen partijen niet in geschil. De rechtbank vindt het standpunt van de vader dat de vraag naar werk door de maatregelen rondom het virus COVID-19 in 2022 (€ 89.884,-) uitzonderlijk hoog was, overtuigend. Bovendien blijkt uit de jaarcijfers van 2023 (€ 78.640,-) en 2024 (€ 67.792,-) dat deze relatief veel verschilden van het jaarcijfer uit 2022. Omdat voornoemde maatregelen in 2023 niet meer van kracht waren, gaat deze redenering niet op voor dat jaar. Om te komen tot een bedrag dat zo representatief mogelijk is voor de winst uit onderneming, gaat de rechtbank uit van het gemiddelde van 2023 en 2024, namelijk € 73.216,-. Daarnaast zal de rechtbank, conform de berekening van de vader, rekening houden met de volgende fiscale kortingen: - de algemene heffingskorting; - de arbeidskorting; - de zelfstandigenaftrek; - de investeringsaftrek; - de MKB-winstvrijstelling. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met voornoemde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 4.862,- per maand. Verder is tussen partijen in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget. De moeder stelt dat van de werkelijke woonlast moet worden uitgegaan en schat die in op € 600,- omdat de netto hypotheeklasten van de vader € 320,- per maand zijn. De vader stelt dat er geen reden is om af te wijken van het woonbudget als uitgangspunt. Bovendien wil de vader graag een andere woning. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait, zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet. Zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bij partijen van het woonbudget af te wijken. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht de draagkrachtformule van 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de vader van € 1.427,- per maand. Gezamenlijke draagkracht De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.536,- per maand (€ 109,- + € 1.427,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 109 / 1.536 x 937 = € 66,- Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.427 / 1.536 x 937 = € 871,- samen € 937,- Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 66,- per maand voor rekening van de moeder. Een gedeelte van € 871,- per maand komt voor rekening van de vader. Zorgkorting Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. De moeder heeft een zorgkorting van 25% voor de vader bepleit. De vader stelt dat een zorgkorting van 30% past bij de zorgregeling die hij heeft verzocht. Gelet op de hiervoor genoemde vast te leggen zorgregeling en het standpunt van partijen over de zorgkorting, acht de rechtbank het in dit geval redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 30% van de behoefte, ofwel € 281,- per maand. Conclusie Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank, met ingang van 30 januari 2026, de door de vader te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 590,- per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen. Beslissing De rechtbank bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn: - om de week van woensdagmiddag na school tot maandagochtend voor school; - de helft van de schoolvakanties; - één van de twee kerstdagen; - de overige feestdagen, voor zover deze aansluiten op het weekend dat [de minderjarige] volgens voormelde regeling bij de vader is; bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 30 januari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarige van € 590,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. Nuboer, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2026.