Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5936
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,820 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5936 text/xml public 2026-03-31T11:51:48 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 C/09/674850 / FA RK 24-7746 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5936 text/html public 2026-03-31T11:51:20 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5936 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / C/09/674850 / FA RK 24-7746 Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorgregeling en informatieregeling Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-7746 Zaaknummer: C/09/674850 Datum beschikking: 17 februari 2026 Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatie en consultatie Beschikking op het op 29 oktober 2024 ingekomen verzoekschrift van: [de vader] , de man, hierna: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Fakiri in Den Haag. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. G. Alkilic in Den Haag, en ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning: de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 1] , in rechte vertegenwoordigd door mr. J.W. Stok, advocaat in Delft, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure Bij beschikking van 4 december 2024 is de bijzondere curator benoemd over de kinderen en is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 15 januari 2025. De rechtbank heeft (opnieuw) kennisgenomen van de stukken, waaronder van: het verzoekschrift, met bijlagen; het bericht van 15 november 2025 van de vader, met bijlagen; het verslag van 29 januari 2025 van de bijzondere curator; het bericht van 3 maart 2025 van de vader; het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de moeder, ingekomen op 11 april 2025. Op 20 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat en een tolk; de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk. Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De kinderen zijn niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder. De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning van de kinderen door de vader. De vader heeft de Afghaanse nationaliteit en de moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Bij beschikking van 19 november 2024 van deze rechtbank is het verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Bij vonnis in kort geding van 20 februari 2025 van deze rechtbank, voor zover hier relevant, is bepaald dat de kinderen voorlopig iedere zaterdag van 8.00 uur tot 12.00 uur en maandag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang hebben met de vader en zijn de ouders verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling. Verzoek en verweer De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen; primair: de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en subsidiair: een informatie- en consultatieregeling vast te stellen; een omgangs-/zorgregeling vast te stellen, waarbij de vader de kinderen elke week op donderdag, zaterdag en zondag om 10.00 uur bij de moeder ophaalt en om 17.00 uur terugbrengt en waarbij de ouders de schoolvakanties in onderling overleg met elkaar moeten verdelen. De moeder voert – met uitzondering van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen – verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderen bij de vader zullen zijn, ook in de vakanties: iedere zaterdag van 8.00 uur tot 12.00 uur; iedere maandag van 10.00 uur tot 17.00 uur; De bijzondere curator adviseert om het verzoek van de vader tot vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen toe te wijzen. Beoordeling Vervangende toestemming erkenning Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning. Op grond van artikel 10:95 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of erkenning door een vader familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de vader en de voorwaarden voor de erkenning, in beginsel bepaald door het recht van de staat waarvan de vader de nationaliteit bezit. De vader heeft de Afghaanse nationaliteit. Als volgens het nationale recht van de vader erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de kinderen. De rechtbank heeft in VIND Burgerzaken het volgende gevonden over erkenning door een vader naar Afghaans recht: “ de erkenning door de vader (en/of de moeder) in het islamitische recht heeft een geheel andere functie en inhoud dan de erkenning in het Nederlandse recht. In Nederland kennen we geboorte buiten het huwelijk. Het kind staat dan slechts tot de moeder in familierechtelijke betrekkingen. De erkenning door een vader doet tussen hem en het kind familierechtelijke betrekkingen ontstaan en het vaderschap staat daarmee vast. In het islamitische recht geldt het principe dat geboorte buiten het huwelijk niet voorkomt. In deze optiek is een erkenning zoals wij die kennen dan ook niet nodig. Toch wordt in het islamitische recht over erkenning gesproken, maar dat geldt uitsluitend voor die situaties dat de wettige afstamming van een kind, dus dat het uit een huwelijk stamt, niet geheel met bewijsstukken is te staven. In een dergelijke situatie zal men overgaan tot ‘erkenning’ om op deze manier de onduidelijkheid over de wettige afstamming uit te sluiten. Dit geldt ook voor de moeder die eveneens tot erkenning van haar kind kan overgaan. Het is zelfs mogelijk dat een kind zijn afstamming (ten opzichte van zijn ouders) erkent, nadat hij meerderjarig is geworden. ” Omdat volgens het nationale recht van de nationaliteit van de vader erkenning niet of niet meer mogelijk is en de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, zal de rechtbank Nederlands recht toepassen. Op grond van artikel 10:95 lid 3 juncto lid 4 BW is op de vraag of de moeder toestemming moet geven voor de erkenning, Nederlands recht van toepassing, omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebrek aan toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW is dit naar Nederlands recht mogelijk. Inhoudelijke beoordeling Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan als een vader een kind wil erkennen de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de vader of de verwekker van het kind is of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Tussen de vader en de moeder staat vast dat de vader de verwekker is van de kinderen. De vader, de moeder en de bijzondere curator zijn het erover eens dat de vader de kinderen moet erkennen. De vader en de moeder zijn het er echter niet over eens dat de vader mede met het gezag over de kinderen wordt belast, wat daarmee op grond van artikel 1:251b BW van rechtswege in beginsel samenhangt als de vader en de moeder de erkenning van de kinderen samen regelen bij de gemeente.
Volledig
De vader heeft dus belang bij zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te erkennen. Gelet op het voorgaande en omdat er geen sprake van is dat de erkenning een belemmering zal zijn voor de ongestoorde verhouding van de moeder met de kinderen of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van kinderen, zal de rechtbank het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te erkennen toewijzen. Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de kinderen door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure daarom als beëindigd. Gezamenlijk gezag Rechtsmacht en toepasslijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van gezamenlijk gezag. Inhoudelijke beoordeling De vader verzoekt primair om hem, conform het uitgangspunt van de wetgever, mede met het gezag over de kinderen te belasten. Volgens de vader zijn er geen contra-indicaties aanwezig, communiceren de ouders voldoende met elkaar en is niet voldaan aan de afwijzingsgronden. De vader wil op alle fronten invulling geven aan zijn vaderschap en aan zijn rechten en plichten om de kinderen te verzorgen en op te voeden. De moeder verzet zich tegen het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten. De ouders communiceren niet met elkaar en zij overleggen niet met elkaar over de kinderen. Ook hebben de ouders ieder een andere visie op de opvoeding van de kinderen, wat leidt tot spanningen. Omdat de vader, terwijl hij nog Islamitisch is gehuwd met de moeder, een tweede huwelijk is aangegaan, kan van de moeder niet worden verwacht dat zij met hem communiceert over de kinderen. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van de kinderen, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over de kinderen te belasten. Conform het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van de kinderen wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders hier op dit moment niet toe in staat zijn. Voldoende gebleken is dat de ouders niet deugdelijk met elkaar communiceren over de kinderen, maar slechts mededelingen doen over de kinderen naar elkaar. Zo deelt de vader de moeder mede hoe laat hij de kinderen op komt halen en zo deelt de moeder de vader mede op welke basisschool zij [minderjarige 1] heeft ingeschreven. Gelet hierop acht de rechtbank de ouders niet in staat om op een constructieve manier in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren, wat wel nodig is voor een deugdelijke uitvoering van het gezamenlijk gezag. Er is verder, vanwege de hele situatie omtrent het tweede huwelijk dat de vader is aangegaan terwijl hij nog met de moeder (Islamitisch) is gehuwd, onvoldoende onderling vertrouwen van de moeder in de vader. De rechtbank vreest dat de spanningen nog verder zullen oplopen als de ouders beslissingen over de kinderen in overleg gezamenlijk moeten gaan nemen. Er is hiermee een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten afwijzen. Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking gesproken over de omgang(sregeling) en komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vader om een informatie- en consultatieregeling vast te stellen. Omgang Rechtsmacht en toepasslijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Inhoudelijke beoordeling De ouders hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Zij zijn overeengekomen dat beide kinderen voortaan iedere week op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader zullen zijn. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en het meer of anders verzochte over de omgangsregeling afwijzen. Zoals op de zitting al is besproken, benadrukt de rechtbank hierbij nogmaals dat de omgangsregeling voor beide kinderen geldt en dat de vader de kinderen op de afgesproken tijden moet ophalen en terugbrengen. Informatie- en consultatieregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. Inhoudelijke beoordeling De vader wil dat de moeder hem regelmatig op de hoogte brengt van zaken omtrent de kinderen en dat zij hem consulteert over belangrijke beslissingen ten aanzien van de kinderen. De moeder is zich bewust van haar wettelijke verplichting en zij verzet zich in zoverre niet tegen de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen en stelt de rechter op verzoek van een ouder ter zake een regeling vast. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de moeder de vader iedere eerste dag van de maand moet informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen en dat de moeder de vader moet raadplegen over te nemen beslissingen over de kinderen. De rechtbank acht deze informatie- en consultatieregeling in het belang van de kinderen en zal het meer of anders verzochte over de informatie- en consultatieregeling afwijzen.