Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5933
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,836 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5933 text/xml public 2026-03-31T14:17:49 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 C/09/695887 / FA RK 25-9315 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5933 text/html public 2026-03-31T14:13:52 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5933 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / C/09/695887 / FA RK 25-9315 Internationale kinderontvoering; gewone verblijfplaats voorafgaande aan overbrenging in Polen, ongeoorloofde overbrenging, geen weigeringsgronden, teruggeleiding toegewezen. Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-9315 Zaaknummer: C/09/695887 Datum beschikking: 17 februari 2026 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda. Procedure Bij beschikking van 30 december 2025 zijn de verzoeken van de moeder in afwachting van de resultaten van de crossborder mediation aangehouden. Bij beschikking van deze rechtbank van 13 januari 2026 is drs. I. Sandig benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige]. Iedere verdere beslissing is aangehouden en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer. De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook: het F9 formulier van 29 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder; het verweerschrift van 29 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader; het verslag van de bijzondere curator van 1 februari 2026 van de zijde van de bijzondere curator; twee F9 formulieren van 2 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder; de brief van 2 februari 2026 van de zijde van de vader. Op 3 februari 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming; drs. I. Sandig als bijzondere curator. Zowel namens de moeder als namens de vader zijn op de zitting pleitnotities overhandigd. Beoordeling Rechtsmacht Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). [land 1] en [land 2] zijn partij bij het Verdrag. De [landelijke 1] rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] in [land 1] (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de [landelijke 1] grens. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Tussen de ouders is in geschil waar [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats had voor de overbrenging naar [land 1]. De vader stelt dat dit in [land 1] was, omdat de overbrenging van [minderjarige] op 16 juli 2024 van [land 1] naar [land 2] wat hem betreft ongeoorloofd was. De moeder betwist dit en stelt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in [land 2] was. De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste binding heeft. Daarbij zijn, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder van belang omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmaat, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Verder kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Daarbij geldt in het bijzonder dat de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving is, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn. Dat is te meer het geval als het kind in kwestie een zuigeling is. Die maakt noodzakelijkerwijs deel uit van de sociale en familiale kring van mensen van wie hij afhankelijk is. Tegen de achtergrond van dit juridische kader moet de rechtbank aan de hand van de concrete omstandigheden van deze zaak beoordelen waar de gewone verblijfplaats van [minderjarige] was op het moment dat de vader met [minderjarige] van [land 2] naar [land 1] reisde. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Gebleken is dat de ouders in september 2021 in [land 1] zijn gaan samenwonen. De moeder raakte zwanger en is in mei 2022 voor de bevalling naar [land 2] gereisd. Daar is [minderjarige] op [geboortedatum] 2022 geboren. Na een aantal maanden is de moeder eind 2022 met [minderjarige] naar [land 1] teruggekeerd. Tussen de ouders is niet in geschil dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats vanaf dat moment in [land 1] had. Op 16 juli 2024 is de moeder met [minderjarige] naar [land 2] vertrokken en niet meer teruggekeerd naar [land 1]. Tussen partijen is in geschil of die overbrenging met toestemming van de vader was en of dus daarmee de gewone verblijfplaats van [minderjarige] is overgegaan naar [land 2] of dat de toestemming van de vader ontbrak en de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in [land 1] is gebleven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] op 30 september 2024 is uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (BRP) van [plaats 1] en is ingeschreven op het [landelijke 2] adres in [plaats 2], de woonplaats van de moeder.
Volledig
Uit de door de moeder overgelegde WhatsApp conversatie blijkt dat de vader op 17 augustus 2024 aan de moeder schrijft dat zij zich moet uitschrijven in [land 1] en op 20 september 2024 legt hij uit welke documenten de moeder moet toevoegen bij een mail met als onderwerpregel ‘Emigratie-verhuizen naar buitenland’. Op 30 september 2024 heeft de vader de moeder verzocht om haar volledige adresgegevens aan hem door te geven voor een ‘verhuizing-gerelateerd document’. Op die datum volgt uiteindelijk ook de uitschrijving uit [plaats 1] en de inschrijving in [land 2]. Uit de WhatsApp correspondentie blijkt verder dat [minderjarige] in [land 2] een huisarts heeft en dat hij in [land 2] een kinderarts bezoekt. De ouders hebben bovendien contact over de verzekering van [minderjarige] in [land 2]. De vader biedt ook aan de verzekering van de moeder te betalen totdat zij een baan vindt in [land 2]. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij in [land 2] een afspraak heeft bij een kleuterschool, welke kleuterschool [minderjarige] inmiddels bezoekt, waarover de vader zegt dat hij denkt dat de handtekening van de moeder voor inschrijving op de kleuterschool wel voldoende zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorstaande blijkt dat de vader instemde met een verhuizing van [minderjarige] naar [land 2]. De vader heeft geholpen met de uitschrijving van de moeder en [minderjarige] uit [land 1] en de inschrijving in [land 2]. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vader dat zijn toestemming voor de verhuizing alleen zou zien op de moeder, nu de ouders ook hebben gesproken over het bezoek van [minderjarige] aan de huisarts en een kinderarts en over de inschrijving van [minderjarige] op een kleuterschool. Pas op een later moment in de WhatsAppcorrespondentie is de vader een andere toon gaan aanslaan en spreekt hij over het ‘Verdrag van Den Haag’. Op dat moment had de verhuizing van de moeder en [minderjarige] naar [land 2] echter al plaatsgevonden en was de gewone verblijfplaats van [minderjarige] al overgegaan van [land 1] naar [land 2]. De rechtbank overweegt verder dat uit de stukken blijkt dat de vader een teruggeleidingsprocedure in [land 2] is gestart, nadat hij [minderjarige] op 30 mei 2025 heeft opgehaald van de crèche en een maand later naar [land 1] heeft overgebracht. Op 1 augustus 2025 heeft de [landelijke 2] rechtbank uitspraak gedaan. De vader stelt dat hierin is geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in [land 1] is. De rechtbank begrijpt de uitspraak echter zo dat de [landelijke 2] rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek inhoudelijk niet behandeld wordt, omdat [minderjarige] op dat moment alweer in [land 1] was en de vader daarom geen belang had bij een verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] naar [land 1]. Er heeft dus geen inhoudelijke beoordeling van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] plaatsgevonden. Daarnaast heeft de moeder zelf een bodemprocedure gestart in [land 2] over de verblijfplaats in [land 2]. In deze procedure heeft de [landelijke 2] rechtbank beslist dat de [landelijke 1] rechter over de zaak moet oordelen, omdat [minderjarige] in [land 1] is. De moeder is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan, welke procedure nog loopt. Ook in deze procedure is dus niet onherroepelijk beslist over de gewone verblijfplaats van [minderjarige]. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] voorafgaand aan de overbrenging naar [land 1] in [land 2] was. Niet in geschil tussen de ouders is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, als de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu voorts niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar [land 1] en dat de overbrenging van [minderjarige] naar [land 1] is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar [landelijke 2] recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [minderjarige] naar [land 1] aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [minderjarige] naar [land 1] en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige] in [land 1] is geworteld en moet in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt. Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. De vader stelt dat [minderjarige] lichamelijk en geestelijk gevaar loopt bij teruggeleiding naar [land 2]. Volgens de vader is door een [landelijke 2] psycholoog vastgesteld dat [minderjarige] niet bestand is tegen contact met de moeder en ook geen contact met de moeder wil. Hij overlegt daarbij een verslag van de psycholoog van 15 september 2025. Contacten met de moeder roepen ernstige angstreacties op bij [minderjarige] en de psycholoog komt tot de conclusie dat contact met de moeder slechts geleidelijk kan plaatsvinden. De vader voert verder aan dat in [land 2] bovendien geen adequate voorzieningen kunnen worden getroffen die een terugkeer mogelijk maken. De moeder verweert zich tegen de stellingen van de vader. De moeder verwijst naar verklaringen van familie en vrienden waaruit volgt dat de moeder en [minderjarige] een liefdevol contact met elkaar hebben. Zij heeft bovendien geen contact gehad met de psycholoog die [minderjarige] heeft gesproken en die een verslag heeft opgesteld over het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Bij de bijzondere curator heeft [minderjarige] zulke extreme en eenzijdig negatieve dingen over de moeder gezegd, dat de moeder het vermoeden heeft dat de vader hem hiertoe heeft aangezet. De rechtbank is van oordeel dat de vader in het licht van de gemotiveerde betwisting van de moeder niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende. De vader legt aan zijn stellingen het verslag van de [landelijke 2] psycholoog van 15 september 2025 ten grondslag. Dit verslag is echter tot stand gekomen zonder dat directe contacten tussen de psycholoog en [minderjarige] hebben plaatsgevonden. De psycholoog heeft observaties gedaan en gesprekken met [minderjarige] en zijn vader gevoerd in de vorm van video-sessies. Er zijn geen directie observaties of diagnostisch onderzoek uitgevoerd en daarom heeft het verslag volgens de psycholoog een oriënterend en modelmatig karakter. Daarnaast is op de zitting gebleken dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de inzet van de psycholoog en geen gesprek heeft gehad met de psycholoog. Tijdens de observatie door en gesprekken met de psycholoog verbleef [minderjarige] bovendien al maanden bij de vader in [land 1].
Volledig
De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het verslag van de psycholoog niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat [minderjarige] bij terugkeer naar [land 2] in een ondraaglijke toestand zal worden gebracht. De rechtbank overweegt verder dat, indien nodig, in [land 2] maatregelen getroffen kunnen worden voor hulpverlening. De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat hiertoe in [land 2] voldoende mogelijkheden bestaan en dat de Raad mogelijk ook een zorgmelding zou kunnen doen. Daarbij merkt de rechtbank op dat na het vertrek van [minderjarige] naar [land 1] ook een zorgmelding is gedaan vanuit [land 2], waardoor de Raad al betrokken is bij [minderjarige]. Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. De vader heeft in zijn verweerschrift gesteld dat voor de weigeringsgrond verzet het verslag van de bijzondere curator moet worden afgewacht. Voor zover de vader heeft bedoeld een beroep te doen op deze weigeringsgrond, overweegt de rechtbank dat [minderjarige] veel te jong is om zich te kunnen verzetten tegen verblijf in het ene of het andere land. Een beroep op deze weigeringsgrond slaagt aldus niet. Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en lid 2 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de vader heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen. Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de [minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in [land 1] kan afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 6 maart 2026, zijnde de derde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. Sterke arm Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de moeder zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen. Voorlopige voogdij De rechtbank kan op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet op verzoek of ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over een kind, als het gevaar bestaat dat het kind wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding zoals bedoeld in het vijfde lid van dat artikel. De moeder verzoekt de voorlopige voogdij over [minderjarige] uit te spreken. De vader heeft [minderjarige] vanuit de crèche in [land 2] opgehaald en zonder overleg na aan maand meegenomen naar [land 1] en hij belemmert ieder contact tussen de moeder en [minderjarige]. De moeder is bang dat de vader zich zal onttrekken aan de procedure en dat hij met [minderjarige] op een onbekende plek zal gaan verblijven. De vader stelt dat de voorlopige voogdij alleen kan worden opgelegd indien sprake is van het gevaar dat de ontvoerende ouder vertrekt. Daarvan is geen sprake. Voor de tenuitvoerlegging bestaat bovendien een samenwerkingsprotocol dat goed werkt. Daarvoor is geen voorlopige voogdij nodig. De rechtbank overweegt dat in het voorgenoemde wetsartikel in de Uitvoeringswet is opgenomen dat de voorlopige voogdij kan worden opgelegd indien het gevaar bestaat dat het kind wordt ‘onttrokken aan de tenuitvoerlegging’. De rechtbank is met de Raad, zoals de Raad op de zitting naar voren heeft gebracht, van oordeel dat de kans bestaat dat de vader zich zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging. Hij heeft [minderjarige] immers al eerder zonder de toestemming van de moeder meegenomen en staat bovendien geen enkel contact tussen [minderjarige] en de moeder toe. Het risico bestaat dan ook dat [minderjarige] opnieuw wordt onttrokken. Een voorlopige voogd kan dit voorkomen. Kosten Het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de proceskosten zal worden afgewezen, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de proceskosten compenseren als hierna vermeld, nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft. Bijzondere curator De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd. Beslissing De rechtbank: * gelast de terugkeer van de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [plaats 2], [geboorteland], naar [land 2] uiterlijk op 6 maart 2026, waarbij de vader [minderjarige] dient terug te brengen naar [land 2] en beveelt, indien de vader nalaat [minderjarige] terug te brengen naar [land 2], dat de vader [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 6 maart 2026, opdat de moeder [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar [land 2]; * belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over de minderjarigen: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [plaats 2], [geboorteland]; * bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; * beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 17 maart 2025 als beëindigd; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. mrs. C. de Jong-Kwestro, T.M. Coppes, M.F. Baaij, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026. Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.