Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:5833
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,840 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:5833 text/xml public 2026-03-24T08:48:08 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-05 NL26.9498 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5833 text/html public 2026-03-24T08:47:31 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5833 Rechtbank Den Haag , 05-03-2026 / NL26.9498 Bewaring art. 59a Vw. Arrest Adrar, ook in het geval van een Dublinbewaring moet de minister het risico op refoulement beoordelen. Daarvan is niet gebleken, beroep gegrond vanwege motiveringsgebrek. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.9498 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Sinoo), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Op 3 maart 2026 heeft Duitsland akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek om eiser terug te nemen. 3. Onder verwijzing naar de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betoogt eiser dat uit de motivering in de bestreden maatregel niet blijkt dat de minister bij het opleggen van de bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers overdracht aan Duitsland. Volgens eiser is de maatregel daarom vanaf aanvang onrechtmatig. 4. De minister stelt zich op het standpunt dat een dergelijke motivering in dit geval niet was aangewezen, omdat geen sprake is van een terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Als de rechtbank daar anders over denkt stelt de minister zich subsidiair op het standpunt dat in de maatregel wel degelijk een motivering is opgenomen, nu daarin is overwogen dat eisers asielaanvraag onoprecht was omdat hij deze al eerder had kunnen indienen. Volgens de minister is er dus geen sprake van een motiveringsgebrek. 5. In de uitspraak van 12 februari 2025 gaat de Afdeling in op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit rechtsoverweging 10 van die uitspraak volgt dat de bewaringsrechter (ambtshalve) moet toetsen of de minister bij het opleggen van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van de vreemdeling. Als de minister zijn standpunt dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet niet of niet deugdelijk in de maatregel van bewaring heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. 6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister eenzelfde motiveringsplicht heeft wanneer het, zoals in dit geval, gaat om een bewaring met het oog op overdracht aan een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Het kan immers niet worden uitgesloten dat de vreemdeling in zijn specifieke geval in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, ook wanneer het land van bestemming een lidstaat is waarbij in algemene zin mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank wijst in dat verband ook op artikel 4, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 7. Hoewel er in het geval van eiser geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel die beoordeling heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan. Dat hij in de maatregel heeft overwogen dat eiser een onoprechte asielaanvraag heeft ingediend acht de rechtbank in dat verband onvoldoende. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Eisers beroepsgrond slaagt. 8. De rechtbank ziet in de uitspraak van 12 februari 2026 van de Afdeling geen ruimte om een belangenafweging te maken. Het beroep is daarom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 maart 2026. 9. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 14 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2000,-. 10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 maart 2026; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2000,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329. Richtlijn 2008/115/EG. ECLI:EU:C:2025:647.