Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5710
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12353 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. H. Postma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I. van Es). Inleiding 1. De minister heeft op 4 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. Op de rechtbank is zijn gemachtigde en een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: (zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; (lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 2.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. Voortraject 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verkapt vreemdelingrechtelijke voortraject. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 4 maart 2025 blijkt dat eiser door een hoofdagent van de politie is aangehouden in een kapsalon in Heerenveen in het kader van een integrale controle van de gemeente en de douane. Uit dit proces-verbaal blijkt echter niet op grond van welke strafrechtelijke bevoegdheid deze integrale controle heeft plaatsgevonden. Ook wordt niet vermeld op grond van welk strafrechtelijk artikel eiser is gevraagd naar zijn identiteitsdocument. In het proces-verbaal wordt vervolgens aangegeven dat eiser na overleg met de vreemdelingenpolitie is aangehouden en overgebracht naar het cellencomplex in Groningen. Dit is een vreemdelingrechtelijke bevoegdheid. Omdat uit het proces-verbaal onvoldoende blijkt dat sprake was van het uitvoeren van politietaken, moet worden aangenomen dat eiser in een vreemdelingrechtelijk kader is aangehouden. Het voortraject kan en moet daarom door de bewaringsrechter worden getoetst. Omdat niet is gebleken dat er sprake was van een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf, is eiser onrechtmatig aangehouden. 3.1. Eiser verzoekt de rechtbank subsidiair de minister op te dragen een aanvullend proces-verbaal op te laten stellen, zodat kan worden nagegaan in welk strafrechtelijk kader de aanhouding van eiser heeft plaatsgevonden. 3.2. Eiser voert daarnaast aan dat hij zonder geldige grondslag is gefouilleerd. Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt dat dit is gedaan op grond van artikel 50, vijfde lid van de Vw, dan wel ter uitvoering van artikel 50a, tweede lid van de Vw. Beide artikelen zijn volgens eiser niet op hem van toepassing. Artikel 50, vijfde lid van de Vw geeft de bevoegdheid tot fouilleren namelijk alleen wanneer de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke pos Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van zware grond 3k daarom onbesproken. De rechtbank volgt eiser tenslotte niet in de stelling dat de maatregel onvoldoende is gemotiveerd omdat op de eerste pagina ten onrechte staat dat hij is aangehouden in het kader van ‘de wet ID’. Deze vermelding ziet namelijk op het strafrechtelijke voortraject en heeft geen invloed op de bewaring. Eiser heeft daarnaast geen nadeel ondervonden van deze onjuistheid. Lichter middel 7. Eiser voert aan dat een lichter middel moet worden opgelegd. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een verklaring van zijn Nederlandse partner aan het dossier gevoegd, evenals een kopie van haar identiteitsbewijs en een loonstrookje. Uit de verklaring blijkt dat eiser en zijn partner Islamitisch zijn gehuwd. Zij hebben een affectieve relatie en willen een gezamenlijke toekomst opbouwen. Tot aan de inbewaringstelling woonde eiser bij zijn partner in. Eiser is daarnaast volgens de partner essentieel voor de dagelijkse zorg van haar volwassen kind, die een verstandelijke en lichamelijke beperking heeft en speciale ondersteuning nodig heeft. Zonder de hulp van eiser kan zij de noodzakelijke zorg niet volledig uitvoeren, wat gevolgen heeft voor het welzijn van haar kind. Er is ten onrechte niks in de maatregel vermeld over de partner van eiser en zijn zorgtaken en er is dus sprake van een motiveringsgebrek. Er bestaat daarnaast geen risico op onttrekking. Zoals is te lezen in het vertrekgesprek van 6 maart 2026, geeft eiser aan mee te willen werken aan de overdracht. Eiser kan met een meldplicht bij zijn partner verblijven. Een lichter middel is temeer aangewezen nu er een nieuw claimverzoek bij Oostenrijk moet worden afgewacht. 8. De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring alleen heeft verklaard een vriendin in Nederland te hebben en drie kinderen die in Istanbul wonen. Hij noemt daarbij alleen de voornaam van zijn partner. Op de vraag of zijn inbewaringstelling gevolgen heeft voor zijn gezins- en/of familieleven, antwoordt eiser het moeilijk te vinden en hij zijn familie niet kan laten weten waar hij is. Eiser verklaart daarnaast geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben en elke dag op een andere plek te verblijven. Nu eiser de onder 7. genoemde persoonlijke omstandigheden pas in beroep kenbaar heeft gemaakt, kon de minister hier bij het opleggen van de maatregel geen rekening mee houden en is van een motiveringsgebrek geen sprake. De stelling dat eiser niet over zijn partner zou hebben verklaard omdat hij bang was dat zij in de problemen zou komen, leidt niet tot een ander oordeel. 8.1. Dat de persoonlijke omstandigheden op dit moment aanleiding zouden moeten vormen voor het opleggen van een lichter middel, volgt de rechtbank evenmin. Uit de verklaring van de partner van eiser blijkt niet dat haar zoon voor de nodige zorg volledig is aangewezen op eiser. Daarnaast is de verklaring dat eiser en zijn partner een serieuze relatie hebben en hij bij haar kan verblijven, onvoldoende voor het oordeel dat een lichter middel moet worden opgelegd. De minister mag er namelijk vanuit gaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Dit volgt uit de terecht aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser geen medische omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. Voortvarendheid en zicht op overdracht 9. Op 9 maart 2026 is een overdracht naar Bulgarije bekend gemaakt, met vertrek op 18 maart 2026. Nadat de autoriteiten van Bulgarije op 10 maart 2026 bekend hebben gemaakt dat niet langer zij, maar Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser, is op 11 maart 2026 een claimverzoek aan Oostenrijk verzonden. Daarnaast is op 6 maart 2026 een vertre