Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:5677
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
4,006 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5677 text/xml public 2026-03-27T11:26:05 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 26-418 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5677 text/html public 2026-03-27T11:25:05 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5677 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / 26-418 Vovo tegen verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning toegewezen. Naar voorlopig oordeel kleven aan de omgevingsvergunning namelijk gebreken, waarvan op dit moment niet met zekerheid kan worden gezegd dat die in de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld. Anders dan waarvan het college is uitgegaan, is de hoogte van de uitbouw op de tweede verdieping in strijd met artikel van artikel 13.2.2, aanhef en onder e, van de planregels. Als het college in de beslissing op bezwaar toepassing zou willen geven aan de algemene afwijkingsregel als bedoeld in artikel 20.1 van de planregels vergt dat een beoordeling van de in artikel 20.2 van de planregels genoemde randvoorwaarden en dient het college, gelet hierop, de betrokken belangen af te wegen, waaronder de belangen van verzoekers. Op de uitkomst van die beoordeling en belangenafweging kan de voorzieningenrechter niet vooruit lopen. Gelet op de vaste rechtspraak lag het i.c. op de weg van het college om aan de welstandscommissie een nader advies te vragen waarin wordt gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/418 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] en [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. E. Erkamp), en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college (gemachtigde: Y. Assad). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , te [woonplaats] (vergunninghoudster). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning aan de [adres] . Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt en verzoeken de voorzieningenrechter om de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen totdat is beslist op hun bezwaar. 1.1 De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kleven aan de omgevingsvergunning namelijk gebreken, waarvan op dit moment niet met zekerheid kan worden gezegd dat die in de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 15 december 2025 heeft het college de hiervoor genoemde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor (1) een omgevingsplanactiviteit bouwen en (2) een bouwactiviteit (technisch). Het betreft een uitbreiding van een bestaande woning met een uitbouw op de tweede verdieping. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college en vergunninghoudster, vergezeld door haar partner [naam] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Bouwplan 3. Het bouwplan voorziet in het verbouwen en uitbreiden van de woning aan de [adres] . Uit de stukken blijkt dat de toegang tot de woning wordt verplaatst van de voorzijde naar de linker zijgevel van de woning. Daartoe wordt een nieuwe trap aangebracht. Op de eerste verdieping worden een aanbouw aan de achterzijde en een veranda gemaakt. Op de tweede etage wordt een uitbouw gemaakt aan de kant van de woning van verzoekers. Uitsluitend voor de uitbouw op de tweede etage en de trap is volgens partijen een omgevingsvergunning vereist, die met het bestreden besluit is verleend. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. 4.1 Gebleken is dat vergunninghoudster reeds is gestart met de bouwwerkzaamheden. Tijdens de behandeling van de zaak op de zitting is gebleken dat er nog vergunde werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, te weten: het afbouwen van de uitbouw op de tweede verdieping en het bouwen van de nieuwe trap die toegang geeft tot de woning op de eerste verdieping. De uitvoering van het bouwplan is dus nog niet afgerond. Aangezien vergunninghoudster de beslissing op bezwaar niet wil afwachten en bij uitvoering van de werkzaamheden sprake is van gevolgen die zich bezwaarlijk ongedaan laten maken, hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij hun verzoek. 4.2 Voor zover het verzoek ziet op het gebruik van een deel van het pand als bed & breakfast ontbreekt spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat vergunninghoudster op de zitting heeft toegezegd dat de bed & breakfast niet in gebruik wordt genomen voordat de beslissing op bezwaar zal zijn genomen. Gronden 5. Verzoekers voeren aan dat als gevolg van het bouwplan aangrenzend aan hun achtertuin een muur van 6 meter hoog zal verrijzen, wat verstrekkende gevolgen heeft voor hun uitzicht en de bezonning van hun tuin en zonnepanelen. Volgens verzoekers heeft het college deze belangen ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken, omdat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bouwplan in overeenstemming is met het omgevingsplan. Volgens verzoekers voldoet de uitbouw op de tweede verdieping niet aan de maximale bouwhoogte. Ook de trap naast de woning is hoger dan het omgevingsplan toestaat. Daarnaast stellen verzoekers dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de welstandscriteria voor kleine bouwwerken en de gebiedsgerichte criteria voor villabebouwing in de welstandsnota. Toetsingskader 6. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. 6.1 Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Noordwijk (het omgevingsplan). Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. 6.2 Op grond van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. 6.3 Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. 6.4 Ter plaatse geldt onder meer het bestemmingingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Op het perceel waar het bouwplan wordt uitgevoerd geldt voor zover relevant de bestemming “Wonen”.
Volledig
6.5 Op grond van artikel 13.1 van de regels van dit bestemmingsplan zijn de voor “Wonen” aangewezen gronden onder meer bestemd voor (a) wonen en (b) aan huis verbonden beroepen en bedrijven. 6.6 Op grond van artikel 13.2.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen hoofdgebouwen en ondergrondse parkeervoorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op grond van artikel 13.2.2, aanhef en onder e, van de planregels geldt voor hoofdgebouwen als maximum bouwhoogte: zoals met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' staat aangegeven. Blijkens de verbeelding bedraagt de maximale bouwhoogte op het perceel 8 meter. 6.7 Op grond van artikel 13.2.5 van de planregels mag de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer bedragen dan 2 meter. 6.8 Op grond van artikel 18.2, onder a, van de planregels geldt voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afmetingen en afstandsmaten afwijken van de in hoofdstuk 2 opgenomen bouwregels van de betreffende bestemming, dat: 1. indien de bestaande afmetingen groter zijn dan de genoemde afmetingen, de afmetingen van de bestaande bouwwerken de maximale afmetingen zijn; 2. indien de bestaande afstandsmaten kleiner zijn dan de genoemde afstandsmaten, de afstandsmaten van de bestaande bebouwing de minimale afmetingen zijn. Op grond van het bepaalde onder b van dit artikel is in geval van herbouw hetgeen vermeld in artikel 18.2, onder a, sub 1 en 2, uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. Bouwhoogte uitbouw op tweede verdieping 7. Verzoekers betogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de bouwhoogte van de uitbouw op de tweede verdieping van 8,735 meter de maximale bouwhoogte van 8 meter overschrijdt. 7.1 In het bestreden besluit is niet gemotiveerd waarom de bouwhoogte van 8,735 meter van de uitbouw op de tweede verdieping in overeenstemming is met de regels van het bestemmingsplan. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 18.2, onder a, onder 1, van de planregels de bouwhoogte van de bestaande woning bepalend is voor de maximale bouwhoogte van het gehele bouwvlak. 7.2 Het standpunt van het college berust naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter op een verkeerde lezing van deze planregel. Dat de bestaande bouwhoogte van de woning op het hoogste punt als maximale bouwhoogte voor het gehele bouwvlak zou gelden, blijkt immers niet uit (de formulering van) de planregel. Daarin wordt slechts bepaald dat als de bestaande afmetingen van een bouwwerk groter zijn dan de afmetingen in de bouwregels van het bestemmingsplan, de afmetingen van het bestaande bouwwerk de maximale afmetingen zijn. Met deze planregel zijn dus de bestaande afmetingen van de woning van vergunninghoudster – voor zover die de afmetingen in de bouwregels overschrijden – positief bestemd. Het bouwplan wijkt af van deze bestaande afmetingen, omdat de uitbouw op de tweede verdieping ervoor zorgt dat de woning op die plek hoger wordt. Dat de planwetgever niet heeft beoogd dit toe te staan, blijkt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook uit het bepaalde in artikel 18.2, onder b, van de planregels. Daarin is immers vermeld dat in geval van herbouw hetgeen is vermeld in artikel 18.2, onder a, uitsluitend van toepassing is indien herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. De lezing van het college dat de woning ook op andere delen van het bouwvlak mag worden verhoogd tot aan het hoogste punt van de bestaande woning is dus strijdig met de letterlijke tekst van artikel 18.2, onder a, en met de systematiek van deze planregel als geheel. 7.3 Dit betekent dat de hoogte van de uitbouw op de tweede verdieping in strijd is met artikel van artikel 13.2.2, aanhef en onder e, van de planregels. Deze grond slaagt. 7.4 Als het college in de beslissing op bezwaar toepassing zou willen geven aan de algemene afwijkingsregel als bedoeld in artikel 20.1 van de planregels, waarmee tot 10% kan worden afgeweken van de in het bestemmingsplan gegeven afmetingen, vergt dat een beoordeling van de in artikel 20.2 van de planregels genoemde randvoorwaarden en dient het college, gelet hierop, de betrokken belangen af te wegen, waaronder de belangen van verzoekers. Op de uitkomst van die beoordeling en belangenafweging kan de voorzieningenrechter niet vooruit lopen. Daarom kan de voorzieningenrechter niet op voorhand vaststellen dat het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding het bestreden besluit te schorsen tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 7.5 Ten behoeve van een definitieve geschilbeslechting in bezwaar zal de voorzieningenrechter hierna ook de andere bezwaargronden van verzoekers bespreken. Bouwhoogte trap 8. Verzoekers voeren aan dat ook de hoogte van de trap naar de nieuwe ingang van de woning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de trap hoger wordt dan de in artikel 13.2.5 van de planregels voorgeschreven maximale hoogte van 2 meter voor ‘andere bouwwerken’. 8.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat de trap op de bouwtekening is ingetekend met een hoogte van 2 meter. Daarmee wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte die wordt voorgeschreven in artikel 13.2.5 van de planregels. Deze grond slaagt niet. Welstand 9. Verzoekers stellen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de welstandscriteria voor kleine bouwwerken en de gebiedsgerichte criteria voor villabebouwing in de welstandsnota. Volgens verzoekers is het bouwplan in ieder geval in strijd met een aantal door hen specifiek genoemde welstandscriteria. 9.1. Op grond van vaste rechtspraak mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij het college zelf berust, op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft niet nader te worden toegelicht. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Het college kan, in geval van een positief stempeladvies van een welstandcommissie, niet volstaan met de enkele verwijzing naar dat advies, indien een belanghebbende gemotiveerd heeft uiteengezet dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 9.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft verwezen naar het welstandsadvies van de Commissie Omgevingskwaliteit (de welstandscommissie) van 10 december 2025. Dat betreft een positief stempeladvies, waarin niet meer staat dan dat het bouwplan voldoet aan de welstandscriteria. Verzoekers hebben dit advies gemotiveerd bestreden aan de hand van in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Gelet op de hiervoor genoemde vaste rechtspraak lag het op de weg van het college om aan de welstandscommissie een nader advies te vragen, waarin wordt gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Door dat niet te doen, en door ook niet concreet, aan de hand van de door verzoekers genoemde welstandscriteria, te reageren op het betoog van verzoekers, heeft het college naar voorlopig oordeel niet deugdelijk gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Deze grond slaagt. Conclusie en gevolgen 10.