Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-17
ECLI:NL:RBDHA:2026:5637
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,995 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5637 text/xml public 2026-03-27T08:44:35 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-17 SGR 25/2749 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5637 text/html public 2026-03-27T08:43:47 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5637 Rechtbank Den Haag , 17-02-2026 / SGR 25/2749 MK. Beroep ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn partner, de werkgever. Eiser heeft ook weinig duidelijkheid kunnen geven over wat zijn werkzaamheden waren vanaf het moment dat hij in loondienst kwamen in hoeverre die werkzaamheden anders waren dan zijn werkzaamheden toen hij eigenaar was van de werkgever. De rechtbank komt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de herziening, intrekking en terugvordering. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/2749 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (hierna ook: het Uwv) (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de herziening, intrekking en terugvordering van de uitkering die eiser op grond van de Ziektewet (ZW) ontving en de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening, intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering van eiser en de afwijzing van zijn aanvraag om een WIA-uitkering. 1.1. Eiser heeft van 2 januari 2023 tot 17 februari 2023 een dienstverband gehad met [bedrijfsnaam] (de werkgever). Eisers partner had die onderneming per 1 januari 2023 van eiser overgenomen. Sinds 20 februari 2023 ontving eiser een ZW-uitkering. Naar aanleiding van een risicoselectie op gefingeerde dienstverbanden in het eerste kwartaal van 2024 is verweerder een onderzoek gestart naar het dienstverband tussen eiser en de werkgever. Voor het onderzoek zijn Uwv-systemen, Suwinet en systemen van externe partijen geraadpleegd. Verder zijn uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel opgevraagd, zijn gegevens bij de Belastingdienst opgevraagd en heeft op 29 mei 2024 een gesprek met eiser plaatsgevonden. Middels een vordering zijn van ING en Acura Assuradeuren gegevens ontvangen. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek (onderzoeksrapport) van 2 september 2024. 1.2. In het besluit van 13 november 2024 (het primaire besluit I) heeft verweerder bepaald dat eiser vanaf 23 januari 2023 geen recht heeft op een ZW-uitkering. 1.3. In het besluit van 6 december 2024 (het primaire besluit II) heeft verweerder bepaald dat eiser van 20 februari 2023 tot en met 29 september 2024 geen recht had op een ZW-uitkering, omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met de werkgever. Het ten onrechte ontvangen bedrag aan ZW-uitkering van € 51.655,97 bruto moet eiser op grond van dat besluit terugbetalen. 1.4. In het besluit van 17 december 2024 (het primaire besluit III) heeft verweerder bepaald dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat het niet aannemelijk is dat eiser arbeid heeft verricht en het niet aannemelijk is dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en de werkgever zodat eiser niet verzekerd was voor de WIA. 1.5. In het besluit van 18 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard en die besluiten in stand gelaten. 1.6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.7. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.8. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam 1], deelgenomen. Overwegingen Standpunt van eiser 2. Eiser voert aan dat er, anders dan verweerder aanneemt, wel degelijk sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en de werkgever. Dat wordt volgens eiser ondersteund door de omstandigheden dat de overname van de onderneming is ingeschreven in de Kamer van Koophandel, een arbeidsovereenkomst is opgesteld, het dienstverband is aangemeld bij de Belastingdienst, loonstroken zijn verstrekt en loonbetalingen zijn gedaan. Gedurende zijn dienstverband heeft hij daadwerkelijk arbeid verricht, waarbij de werkzaamheden in hoofdzaak bestonden uit het opzetten en overzichtelijk krijgen van de systemen en het ontwikkelen van Excelbestanden. Er was ook sprake van een gezagsverhouding tussen hem en zijn partner, omdat zij aangaf wat haar voor ogen stond bij de voortzetting van de onderneming en hoe ze dat wilde bereiken. Eiser betoogt verder dat er, als het bedrag van de ZW-uitkering al ten onrechte zou zijn uitgekeerd, dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien. Verweerder heeft eiser op 8 mei 2023 een ZW-uitkering toegekend en pas een jaar later is een onderzoek gestart. Tussen de risicoselectie, het opstarten van het onderzoek en het tijdelijk stopzetten van de uitbetaling van de uitkering bij besluit van 4 oktober 2024 zit verder een periode van ruim een half jaar. Het onderzoek is gestart op 23 april 2024 en afgerond op 2 september 2024. Volgens eiser is dit niet voortvarend en is de hoogte van terugvordering door dit handelen opgelopen tot een bedrag van € 51.655,97 bruto. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij het bepalen van de hoogte van de terugvordering. Standpunt van verweerder 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op 18 februari 2023 niet verzekerd was voor de ZW, omdat hij niet als werknemer gewerkt heeft en er sprake was van een gefingeerd dienstverband. Omdat eiser per die datum niet verzekerd was voor de ZW, was hij ook niet verzekerd voor de WIA zodat de aanvraag om een WIA-uitkering terecht is afgewezen. Uit het onderzoeksrapport volgt volgens verweerder – samengevat weergegeven – dat het niet aannemelijk is dat [naam 2], eisers partner, vanaf 1 januari 2023 het bedrijf van eiser heeft overgenomen. Eisers partner verrichtte namelijk zelf geen werkzaamheden binnen de onderneming en had geen enkele ervaring met het runnen van een bedrijf. Eiser was de enige die daar ervaring en kennis over had. Volgens verweerder is het daardoor niet aannemelijk dat zijn partner eiser aanwijzingen kon geven en was het bedrijf daarom onveranderd afhankelijk van eiser, zodat er geen sprake was van een gezagsverhouding. Verweerder ziet verder aanwijzingen dat de arbeidsovereenkomst tussen eiser en de werkgever van 2 januari 2023 achteraf is opgesteld, en uit de Polisadministratie volgt namelijk dat de loonaangiften achteraf, na het einde van het dienstverband, zijn gedaan. Eiser was verder, hoewel misschien geen wettelijke vertegenwoordiger meer, nog altijd zonder limiet gemachtigd voor de zakelijke rekeningen bij ING. Volgens verweerder wijst ook dat erop dat de overname van de onderneming per 1 januari 2023 uitsluitend op papier plaatsvond. 3.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit verder op het standpunt geen aanleiding te zien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien vanwege dringende redenen. Verweerder vindt dat groot gewicht toekomt aan het belang van een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van wat te veel is ontvangen, vooral omdat de terugvordering is ontstaan vanwege een gefingeerd dienstverband. De oorzaak van de intrekking en terugvordering is daarom ook volledig aan eiser te wijten.
Volledig
Verder vindt verweerder dat hij voldoende adequaat en voortvarend heeft gehandeld met het onderzoek naar aanleiding van de risicoselectie die in het eerste kwartaal van 2024 heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft, in overeenstemming met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 maart 2025, de relevante feiten en omstandigheden afgewogen tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen moet worden terugbetaald, en bij de invordering rekening gehouden met de huidige financiële omstandigheden van eiser. Beoordeling door de rechtbank Privaatrechtelijke dienstbetrekking 4. Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Bij de beantwoording van de vraag of een arbeidsverhouding is aan te merken als een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. 4.1. Bij besluiten tot herziening en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen eiser en de ex-werkgever. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser geen dienstbetrekking heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn partner. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser tot 1 januari 2023 gedurende ongeveer 11 jaar degene is geweest die de onderneming dreef en dat zijn partner geen ervaring had met het drijven van een onderneming, en maar zeer beperkte werkervaring bij [bedrijfsnaam]. Tijdens de hoorzitting met verweerder op 29 mei 2024 heeft eiser ook verklaard dat zijn partner de kennis en ervaring niet had om de onderneming te runnen, en hij zelf wel. Eiser heeft verder tijdens het onderzoek door verweerder niet concreet kunnen maken hoe de gezagsverhouding tussen hem en zijn partner eruitzag. Dat zijn partner in eisers woorden ‘hem vertelde hoe ze het wilde hebben’, dat hij ‘de activiteiten moest verrichten die zijn vrouw wilde’ en dat zij ‘aangaf wat zij wilde binnen het bedrijf' is onvoldoende concreet om aan te nemen dat van een daadwerkelijke gezagsverhouding sprake was. Eiser heeft op de zitting hieraan toegevoegd dat zijn partner dacht dat zij het bedrijf beter kon runnen dan hij, dat ze als doel had binnen de onderneming 1000 man uitzendkrachten weg te zetten en dat ze er een succesvol uitzendbureau van wilde maken. De rechtbank vindt deze opmerkingen zodanig onbepaald dat het nauwelijks meer inzicht geeft in ‘wat zij wilde binnen het bedrijf’. Een duidelijk en onderbouwd overzicht van specifieke taken of aanwijzingen die eiser van zijn partner zou hebben gekregen ontbreekt. Daarbij komt nog dat eisers partner volgens zijn verklaring zelf geen uitvoerende werkzaamheden verrichtte, ook niet nadat eiser in januari was uitgevallen. Dit alles samen geeft onvoldoende grond om een gezagsverhouding aan te nemen. Alleen al hierom is verweerder er in geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiser heeft niet met objectief en verifieerbaar tegenbewijs aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. Overigens heeft eiser ook weinig duidelijkheid kunnen geven over wat zijn werkzaamheden waren vanaf 2 januari 2023, het moment dat hij in loondienst bij de werkgever kwam, en in hoeverre die anders waren dan zijn werkzaamheden toen hij eigenaar was van de werkgever. Tijdens het onderzoek door verweerder heeft eiser gezegd dat hij in eerste instantie ‘alleen met systemen bezig was om alles overzichtelijk te krijgen’ en dat hij Excelsheets moest vullen en ter zitting heeft hij toegelicht dat het daarbij ging om het opzetten van een CRM-systeem. Ook met die toelichting is het de rechtbank echter nog onduidelijk wat zijn concrete werkzaamheden waren, hoe die zich verhielden tot het feit dat er in de periode dat hij in dienst was nog geen klanten waren en de omstandigheid dat hij volgens zijn arbeidsovereenkomst een werkweek van 40 uur had. 4.3. Gelet op de combinatie van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband tussen eiser en de werkgever. Dringende reden 5. Uit de tussenuitspraak van de CRvB van 18 april 2024, waarnaar wordt verwezen in de door verweerder aangehaalde uitspraak van 12 maart 2025, volgt (onder meer) dat het begrip dringende reden een open norm is waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening of intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening, intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Wat de voortgang van het onderzoek betreft is van belang dat verweerder, naar aanleiding van een risicoanalyse, op 23 april 2024 een aanvraag voor een internetonderzoek heeft gedaan naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van eiser. Dat heeft uiteindelijk geleid tot het onderzoeksrapport van 2 september 2024. In de tussentijd heeft een aantal onderzoeksactiviteiten plaatsgevonden, zoals het vorderen van gegevens bij de Belastingdienst en bij de bank en een gehoor van eiser op 29 mei 2024. Vervolgens is met de primaire besluiten I en II op 13 november 2024 en 6 december 2024 het recht op ZW-uitkering herzien, ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het onderzoek zodanig lang heeft geduurd dat de terugvordering onnodig hoog is opgelopen en verweerder niet adequaat en voortvarend zou hebben gehandeld. Ook het feit dat de eerste stap in het onderzoek op 23 april 2024 is gezet terwijl op 8 mei 2023 al een ZW-uitkering was toegekend geeft geen grond voor die conclusie. Omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband, is de oorzaak van de terugvordering namelijk geheel aan eiser te wijten. Wat de financiële gevolgen van de terugvordering voor eiser betreft staat in het bestreden besluit dat de invordering tijdelijk is stopgezet omdat er geen aflossingscapaciteit is. Naar het oordeel van de rechtbank houdt verweerder op deze manier voldoende rekening met de financiële omstandigheden van eiser, in aanmerking genomen dat eiser niet heeft aangevoerd dat de terugvordering voor hem onevenredig nadelige financiële of sociale gevolgen heeft. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank gezien het voorgaande geen redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de herziening, intrekking en terugvordering. Conclusie en gevolgen 6.