Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:5060
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:5060 text/xml public 2026-03-20T15:41:48 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-11 672556 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5060 text/html public 2026-03-20T15:41:18 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:5060 Rechtbank Den Haag , 11-03-2026 / 672556 Vorderingen gebaseerd op doorbraak van de aansprakelijkheid via vereenzelviging naar Venezolaans recht toegewezen. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/672556 / HA ZA 24-787 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht AGIRA S.A. , te Argentinië, eisende partij, advocaat: mr. T. Stouten, tegen 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht PETRÓLEOS DE VENEZUELA SA. , te Caracas, Venezuela, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht BARIVEN S.A. , te Caracas, Venezuela, gedaagde partijen, advocaat: mr. M. Deckers. De partijen worden hierna Agira, PDVSA en Bariven genoemd. PDVSA en Bariven worden hierna gezamenlijk aangeduid als PDVSA c.s. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 april 2024, met producties AGI-1 tot en met AGI-10; de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 24 en het verzoek tot aanhouding in verband met lopende procedures bij het gerechtshof Den Haag; het bericht van de griffie van de rechtbank van 26 november 2024 dat de mondelinge behandeling zal worden aangehouden tot het gerechtshof Den Haag arrest heeft gewezen in de hierboven genoemde procedures; de akte namens gedaagden, met producties 25 tot en met 28. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling waren namens Agira aanwezig de advocaat voornoemd, mrs. J. Biezenaar en A.J.J. Kool, twee tolken en (via videoverbinding) mw. [naam 1] (Argentijnse advocaat van Agira) en dhr. [naam 2] (bestuurder van Agira). Voor PDVSA c.s. zijn verschenen de advocaat voornoemd en mr. S. Martina. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Agira is een rechtspersoon naar Argentijns recht. 2.2. PDVSA is het staatsolie- en gasbedrijf van de staat Venezuela. 2.3. Bariven is een dochtermaatschappij van PDVSA. Zij is verantwoordelijk voor de inkoop van hulpmiddelen voor de olie- en gaswinning van PDVSA. 2.4. Agira heeft, aan de hand van een purchase order met nummer 51000102871, gascompressiemotoren geleverd aan Bariven. De facturen met betrekking tot de levering van twee van die gascompressiemotoren (factuurnummers 343 en 402, ieder met een factuurwaarde van $ 647.000,00) zijn door Bariven niet voldaan. 2.5. In purchase order 51000102871 wordt verwezen naar een request for quotation (genummerd 6500212165). Daarin is opgenomen dat Bariven de ‘buyer’ is en (in artikel 27) dat “ any and all disputes, controversies and claims arising out of, invoicing or relating to the Order ” zullen worden beslecht door middel van ICC-arbitrage met als plaats van arbitrage Den Haag. 2.6. Bij arbitraal vonnis van 9 april 2021 is Bariven, kort gezegd, veroordeeld tot betaling aan Agira van $1.294.000,00 uit hoofde van de twee facturen, te vermeerderen met 8% rente, en tot betaling van de arbitragekosten van € 113.820,00 en $18.600,00. 2.7. Op 26 maart 2024 heeft Agira verlof verkregen tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in Nederland. Onder het verlof staat vermeld “ Met veroordeling van gerekestreerde in de kosten, begroot op € 155,= aan griffierecht. ” 2.8. Agira heeft op 28 maart 2024 verlof verkregen tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van PDVSA. Op 2 april 2024 heeft Agira conservatoir beslag gelegd op de door PDVSA gehouden aandelen in Propernyn B.V. 3 Het geschil 3.1. Agira vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verklaart dat aan het identiteitsverschil tussen PDVSA en Bariven voorbij kan worden gegaan en dat de rechtbank hen hoofdelijk veroordeelt tot betaling van: $ 1.084.295,48 (inclusief 8% enkelvoudige rente tot 15 april 2024) vermeerderd met 8% enkelvoudige rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling; $ 1.002.755,75 (inclusief 8% enkelvoudige rente tot 15 april 2024) vermeerderd met 8% enkelvoudige rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling; € 113.820 en $ 18.600, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag van betaling; de proceskosten, inclusief beslagkosten en kosten voor het verlof tot tenuitvoerlegging (berekend op € 1.198,31) en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. PDVSA c.s. voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Agira, met veroordeling van Agira in de proceskosten (inclusief nakosten). 3.3. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Vooropstelling: het Transporte Saet-leerstuk 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat Bariven, en niet PDVSA, de directe contractspartij is van Agira. Uitgangspunt is dan ook dat Agira haar vorderingen op Bariven moet verhalen. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van PDVSA beroept Agira zich echter op het Transporte Saet -leerstuk naar Venezolaans recht over doorbraak van aansprakelijkheid. Dit leerstuk is, op grond van de incorporatieleer, van toepassing op Bariven en PDVSA (art. 10:118 BW). 4.2. Naar aanleiding van geschillen tussen andere leveranciers van Bariven enerzijds, en (onder meer) PDVSA c.s. anderzijds heeft het gerechtshof Den Haag op 5 augustus 2025 een viertal arresten gewezen (hierna: de hofarresten). Daarin heeft het hof, samengevat, als volgt geoordeeld over het Transporte Saet -leerstuk en de toepasselijkheid daarvan op Bariven en PDVSA: om naar Venezolaans recht de aansprakelijkheid van een groep van vennootschappen vast te stellen, is nodig dat wordt gesteld en aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de criteria die gelden voor het kunnen aannemen van een ‘groep’ (zoals die uitvoerig worden besproken in Transporte Saet ). Het is daarbij niet nodig om alle groepsvennootschappen te dagvaarden. Volstaan kan worden met het dagvaarden van de ‘controlling’ vennootschap en de vennootschap die wordt verweten te zijn tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting. Dit vereiste is gerelativeerd voor zaken die raken aan de ‘public order’. In die zaken geldt het vereiste dat in elk geval ook de ‘controlling’ vennootschap dient te worden gedagvaard niet; de in Transporte Saet ontwikkelde leer over groepsaansprakelijkheid door de Constitutionele Kamer wordt ook door andere met rechtspraak belaste kamers (in Venezuela) tot uitgangspunt genomen. Uit de toepassing van het in Transporte Saet ontwikkelde leerstuk, ook door andere kamers, volgt dat hetgeen in Transporte Saet is overwogen onderdeel geacht kan worden uit te maken van het positieve recht van Venezuela; in Transporte Saet is het bestaan van groepsaansprakelijkheid aanvaard, ook voor zover die niet voortvloeit uit specifieke wetgeving/regels (zoals die er zijn in bijvoorbeeld het arbeidsrecht, fiscale recht en financiële recht). Uit Transporte Saet volgt een algemene regel van groepsaansprakelijkheid, die geldt (op grond van die uitspraak) indien aan de criteria voor het bestaan van een groep wordt voldaan; in Transporte Saet is een algemene regel ontwikkeld die ook van toepassing is buiten zaken waarin regels van openbare orde van toepassing zijn of een maatschappelijk belang aan de orde is. 4.3. Verder heeft het hof overwogen dat PDVSA en Bariven het oordeel van de rechtbank dat zij op basis van de hiervoor bedoelde criteria onderdeel zijn van een economische groep niet (gemotiveerd) hebben bestreden. Het hof heeft vastgesteld dat PDVSA c.s. ook in hoger beroep niet hebben betwist dat indien wordt getoetst aan de door de rechtbank genoemde criteria (die zijn ontleend aan hetgeen is overwogen in Transporte Saet ), zij geacht kunnen worden tot eenzelfde groep te behoren. 4.4. PDVSA c.s.
Volledig
heeft tegen de hofarresten geen cassatie ingesteld, zo heeft zij ter zitting toegelicht. 4.5. De rechtbank sluit zich ten aanzien van het Transporte Saet -leerstuk aan bij de overwegingen van het hof. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderliggende feiten en omstandigheden in deze zaak – voor zover relevant – gelijk zijn aan die in de zaken die bij het gerechtshof voorlagen. Het gaat daarbij immers met name om de (concern)verhoudingen tussen Bariven en PDVSA. In zoverre heeft PDVSA c.s. dus ook in deze procedure onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat PDVSA en Bariven op grond van de Transporte Saet -criteria geacht kunnen worden tot eenzelfde groep te behoren. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat PDVSA op grond van dat leerstuk aansprakelijk is voor de, in deze procedure aan de orde zijnde, schulden van Bariven jegens Agira. 4.6. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen de vraag resteert hoe verstrekkend het Transporte-Saet -leerstuk is, en met name de vraag of op grond van dit leerstuk sprake is van ‘vereenzelviging’. Agira lijkt zich in dat kader op het standpunt te stellen dat het identiteitsverschil tussen PDVSA en Bariven geheel moet worden weggedacht. PDVSA c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het Transporte Saet -leerstuk niet volgt dat sprake is van ‘vereenzelviging’. 4.6.1. De rechtbank oordeelt in dit kader als volgt. Uit rov. 6.94 e.v. van het hofarrest met ECLI-nummer ECLI:NL:GHDHA:2025:2063 volgt dat het Transporte Saet -leerstuk verder gaat dan doorbraak van aansprakelijkheid naar Nederlands recht. Dat laatste leerstuk is gebaseerd op onrechtmatige daad, terwijl uit het Transporte Saet -leerstuk, zo oordeelt het hof, volgt dat ‘ indivisable obligations zijn aanvaard voor de vennootschappen die onderdeel uitmaken van een economische groep, met als gevolg dat de groepsvennootschappen aansprakelijk zijn voor elkaars schulden jegens derden’. Consequentie daarvan is, in die zaak, dat PDVSA ook aansprakelijk is voor de wettelijke handels rente (omdat Bariven dat in die zaak ook is), en niet de gewone wettelijke rente die bij een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad verschuldigd zou zijn. 4.6.2. Het voorgaande brengt echter nog niet met zich dat sprake is van vereenzelviging in die zin dat het onderscheid tussen PDVSA en Bariven geheel moet worden weggedacht. In dat geval zou PDVSA immers geacht moeten worden zelf contractspartij te zijn van Agira. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dat niet uit Transporte Saet . In die uitspraak is onder meer als volgt overwogen (Engelse vertaling): “Consequently, because there exists an indivisible or comparable obligation, each of the member of the group assumes and is bound for the totality (article 1254 of the Civil Code) wherefore payment and fulfillment by one of the members of the group releases the others.” Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een eigen, comparable , verplichting van, in dit geval, PDVSA, tot nakoming van de (volledige) verplichting van Bariven waarbij, zoals bij hoofdelijkheid naar Nederlands recht, betaling door de één de ander bevrijdt. Tot volledige vereenzelviging van beide vennootschappen, waarbij het vennootschapsrechtelijke onderscheid wordt weggedacht, leidt dit niet. De vordering op Bariven – ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling 4.7. Agira heeft in deze procedure van zowel PDVSA als Bariven betaling gevorderd. Zoals hiervoor is geoordeeld beschouwt de rechtbank de (gestelde) vorderingen als twee zelfstandige comparable vorderingen. De grondslag van de vordering op Bariven is daarbij niet het Transporte Saet -leerstuk, maar de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie hiervoor onder 2.4 en 2.5). Niet in geschil is dat die overeenkomst een arbitragebeding bevat (en die arbitrage ook is gevoerd, zie hiervoor onder 2.6). 4.8. PDVSA c.s. heeft zich er in haar conclusie van antwoord, aldus in haar eerste schriftelijke conclusie, op beroepen dat Agira niet-ontvankelijk is jegens Bariven en daarbij verwezen naar het arbitraal vonnis. De rechtbank vat dit op als een beroep op artikel 1022 Rv. 4.9. Nu gesteld noch gebleken is dat de arbitrageovereenkomst ongeldig is, is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van artikel 1022 lid 1 Rv niet bevoegd is van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen voor wat betreft Bariven. Dit betreft zowel de gevraagde verklaring voor recht, de gevorderde hoofdsommen (plus rente) als de kosten van de arbitrage en de beslagkosten. Ten aanzien van die laatste overweegt de rechtbank dat niet Bariven, maar PDVSA de beslagene is. Artikel 706 Rv biedt daarom jegens Bariven geen zelfstandige grondslag voor vergoeding van de beslagkosten. Voor zover Agira heeft betoogd dat deze kosten (mede) voor rekening van Bariven dienen te komen omdat zij het rechtstreekse gevolg zijn van haar niet-nakoming (de rechtbank begrijpt aldus: schadevergoeding), vallen ook deze kosten onder de in het arbitragebeding opgenomen beschrijving “ any and all disputes […] and claims arising out of […] or relating to the Order ”. 4.10. De rechtbank acht zich in het verlengde van artikel 1062 Rv wel bevoegd ten aanzien van de door Agira gevorderde kosten voor het verlof tot tenuitvoerlegging, nu als plaats van arbitrage Den Haag is overeengekomen. De rechtbank wijst deze vordering echter af nu in de verlofbeschikking al een veroordeling in de kosten is opgenomen (zie hiervoor onder 2.7) en Agira niet voldoende heeft onderbouwd welke nadere kosten zij heeft gemaakt en op welke grond zij die, naast voornoemde kostenveroordeling, van Bariven zou kunnen vorderen. De vordering op PDVSA 4.11. De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is van de vordering op PDVSA kennis te nemen op grond van artikel 10 jo. 767 Rv, waarop Agira zich heeft beroepen. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe bij gebrek aan een andere weg voor Agira om een executoriale titel jegens PDVSA te verkrijgen. 4.12. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen acht de rechtbank PDVSA aansprakelijk voor de schulden van Bariven uit hoofde van de onder 2.4 en 2.5 omschreven overeenkomst. De hoogte van die vorderingen is door PDVSA c.s. niet betwist zodat deze vorderingen zullen worden toegewezen als gevorderd. De over de arbitragekosten gevorderde (handels)rente wordt afgewezen nu deze in het arbitrale vonnis ook niet is toegewezen ten aanzien van Bariven en Agira niet heeft onderbouwd op welke grond zij deze dan (wel) van PDVSA zou kunnen vorderen. 4.13. Nu de rechtbank de gevorderde veroordelingen tot betaling zal toewijzen, ontbreekt het naar het oordeel van de rechtbank aan belang bij de gevraagde verklaring voor recht, nog daargelaten de vraag of de formulering daarvan voldoende aansluit bij hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.6 e.v. heeft overwogen over de reikwijdte van het Transporte Saet -leerstuk. De vordering van Agira zal in zoverre daarom worden afgewezen. 4.14. De beslagkosten, waarvoor artikel 706 Rv een zelfstandige grondslag biedt, zullen worden toegewezen voor zover deze blijken uit de overgelegde exploten (€ 385,83), te vermeerderen met het betaalde griffierecht (€ 688,00). Daarnaast wordt bij de proceskostenveroordeling ½ punt extra toegekend voor het opstellen van het beslagrekest (½ punt vanwege de grote overlap met de dagvaarding). 4.15. De rechtbank wijst de gevorderde (nadere) kosten voor het verkrijgen van het verlof tot tenuitvoerlegging af op de gronden als hiervoor onder 4.10 genoemd. De proceskosten 4.16. PDVSA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Agira worden begroot op: - kosten dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 9.137,00 - salaris advocaat € 11.577,50 (2½ punt × tarief VIII á € 4.631,00) - beslagkosten € 1.073,83 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 22.113,30 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.18. Agira is ten aanzien van Bariven in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Bariven betalen. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.