Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:4990
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,012 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:4990 text/xml public 2026-03-20T11:12:21 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-09 C/09/678744 / FA RK 25-351 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4990 text/html public 2026-03-20T11:12:01 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4990 Rechtbank Den Haag , 09-02-2026 / C/09/678744 / FA RK 25-351 Ontkenning vaderschap. Aanhouding verzoek tot gerechtelijke vaststelling ouderschap in afwachting van nog uit te voeren DNA-onderzoek. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-351 Zaaknummer: C/09/678744 Datum beschikking: 9 februari 2026 Ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling ouderschap Beschikking op het op 8 januari 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink in ’s-Gravenhage. Als belanghebbenden worden aangemerkt: ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap: [de juridische vader] , de juridische vader (hierna: [de juridische vader] ), volgens de Registratie Niet-Ingezetenen met woonplaats onbekend, ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap: [de vermeende vader] , de vermeende vader (hierna: [de vermeende vader] ), wonende op een bij de rechtbank bekend adres, en ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap en de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] , de minderjarige (hierna: [minderjarige] ), in rechte vertegenwoordigd door mr. B.S. van Haeften, advocaat in ’s-Gravenhage, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder; de instemmingsverklaring van [de vermeende vader] van 22 januari 2025; de brief van 30 januari 2025, met bijlage, namens de moeder; het bericht van 5 februari 2025, met bijlage, namens de moeder; het verslag van 8 april 2025, met zelfstandige verzoeken, van de bijzondere curator; het bericht van 9 april 2025 namens de moeder. [de juridische vader] is openbaar opgeroepen voor een zogenaamde RNI-zitting op 15 december 2025 door middel van een advertentie in de Staatscourant van 14 november 2025. [de juridische vader] is niet op de zitting verschenen, zodat de zaak op de stukken zal worden afgedaan. Feiten - De moeder en [de juridische vader] zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [dag] 2013 in [plaats] . Uit het geregistreerd partnerschap is [minderjarige] geboren. De moeder heeft de Poolse nationaliteit. [de juridische vader] heeft de Turkse nationaliteit. [de vermeende vader] heeft de Italiaanse nationaliteit. [minderjarige] heeft zowel de Poolse als de Turkse nationaliteit. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 maart 2025 is mr. B.S. van Haeften voornoemd benoemd tot bijzondere curator om de minderjarige op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Verzoek en verweer Het verzoekschrift van de moeder strekt tot: gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de juridische vader] over [minderjarige] ; gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [de vermeende vader] over [minderjarige] ; bepaling dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de nieuwe partner van de moeder krijgt, zodat zijn naam komt te luiden: “ [voornamen] [geslachtsnaam] ”, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De bijzondere curator verzoekt zelfstandig: toewijzing van het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de juridische vader] over [minderjarige] ; primair: toewijzing van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [de vermeende vader] over [minderjarige] ; subsidiair: indien de rechtbank van mening is dat er een DNA-onderzoek nodig is en mocht uit een DNA-onderzoek blijken dat [de vermeende vader] de verwekker is van [minderjarige] , toewijzing van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [de vermeende vader] over [minderjarige] , voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [de juridische vader] heeft niet op het verzochte gereageerd. [de vermeende vader] heeft met het verzochte ingestemd. Beoordeling Ontkenning vaderschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de moeder en [minderjarige] hun woonplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 10:93 lid 1 BW in samenhang met artikel 10:92 lid 1 BW wordt – voor zover hier van belang – de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het kind is geboren en de met haar gehuwde persoon bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon, of indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Op grond van het derde lid van dit artikel is het tijdstip van de geboorte van het kind bepalend. Ten tijde van de geboorte van het kind had de moeder de Poolse nationaliteit en had [de juridische vader] de Turkse nationaliteit. De moeder had haar gewone verblijfplaats in Nederland. De gewone verblijfplaats van [de juridische vader] kan niet door de rechtbank worden vastgesteld. [minderjarige] is geboren in Nederland en heeft heel zijn leven hier gewoond, zodat zijn gewone verblijfplaats in Nederland is. Gelet hierop wordt de vraag of het kind door geboorte in familierechtelijke betrekking is komen te staan tot de man, bepaald door Nederlands recht. Ontvankelijkheid Op grond van artikel 1:200 lid 5 BW moet het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning door de moeder bij de rechtbank zijn ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. De moeder heeft het verzoek tijdig ingediend, zodat zij kan worden ontvangen in dit verzoek. Inhoudelijke beoordeling Aangezien [de juridische vader] ten tijde van de geboorte van [minderjarige] met de moeder een geregistreerd partnerschap had, is hij op grond van artikel 1:199 onder a BW de juridische vader van [minderjarige] . Op grond van artikel 1:200 lid 1 BW kan het vaderschap worden ontkend op de grond dat de juridische vader niet de biologische vader van het kind is. De moeder voert aan dat zij en [de juridische vader] in 2014 feitelijk uit elkaar zijn gegaan en dat [de juridische vader] toen plotseling is vertrokken. Begin 2015 heeft de moeder hem na een adresonderzoek laten uitschrijven van haar woonadres. Sindsdien heeft zij geen contact meer met hem en zij weet niet waar hij verblijft. Sinds 2017 is de moeder samen met haar nieuwe partner, [de vermeende vader] , en sinds 2018 wonen zij samen. Begin 2024 is de moeder zwanger geraakt van [de vermeende vader] . Toen zij in oktober bij de gemeente de erkenning van de ongeboren vrucht wilde regelen kwam de moeder erachter dat zij nog een geregistreerd partnerschap met [de juridische vader] had. In december 2024 heeft de moeder een procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap aanhangig gemaakt onder zaak- en rekestnummer C/09/676114 en FA RK 24-8410. Bij de bijzondere curator heeft de moeder hetzelfde verklaard, behalve dat zij de bijzondere curator heeft verteld dat zij [de vermeende vader] in 2019 heeft ontmoet. De moeder en [de vermeende vader] hebben de bijzondere curator verteld dat zij het heel erg vinden dat [minderjarige] nu in verbinding met [de juridische vader] staat en zelfs zijn achternaam draagt. Zij wensen dat de juridische en feitelijke situatie zo snel mogelijk in overeenstemming komen met elkaar.
Volledig
Hoewel er geen DNA-rapport voorhanden is, acht de bijzondere curator het, gelet op de verklaringen van de moeder en [de vermeende vader] , de door hen gestelde feiten en de overgelegde stukken voldoende aannemelijk dat [de juridische vader] niet de biologische vader is van [minderjarige] . De bijzondere curator acht ontkenning van het vaderschap in het belang van [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [de juridische vader] niet de biologische vader van [minderjarige] is. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die het mogelijk maken dat hij toch de biologische vader van [minderjarige] is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [de juridische vader] sinds 3 april 2015 in de Registratie Niet-Ingezetenen als geëmigreerd met woonplaats onbekend vermeld staat. De rechtbank zal daarom het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van [de juridische vader] gegrond verklaren. De aard van de beslissing verzet zich tegen de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat dat verzoek zal worden afgewezen. Gerechtelijke vaststelling ouderschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de moeder, [minderjarige] en [de vermeende vader] hun woonplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 10:97 BW wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van de biologische vader gerechtelijk kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de biologische vader en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de biologische vader en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Bezitten de biologische vader en de moeder meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten. Bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek. Ten tijde van de indiening van het verzoek had de moeder de Poolse nationaliteit en had [de vermeende vader] de Italiaanse nationaliteit, zodat zij geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden. Zij hadden wel beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. Ontvankelijkheid Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW kan het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van: de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt; het kind. Op grond van lid 3 van voormeld artikel wordt een verzoek door de moeder bij de rechtbank ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind, of ingeval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel onbekendheid van zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden. Gelet op het voorgaande is de moeder ontvankelijk in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank stelt voorop dat de moeder en [de vermeende vader] geen DNA-test hebben gedaan en overgelegd als onderbouwing dat [de vermeende vader] de biologische vader van [minderjarige] is. De bijzondere curator geeft in haar verslag primair aan dat, nu zowel de moeder als [de vermeende vader] het biologische ouderschap niet betwisten en [de vermeende vader] instemt met het verzoek van de moeder, er geen bezwaren zijn om het verzoek toe te wijzen. Subsidiair verzoekt de bijzondere curator, als de rechtbank van mening is dat een DNA-onderzoek nodig is, het vaderschap van [de vermeende vader] vast te stellen als uit het onderzoek blijkt dat hij daadwerkelijk de verwekker is. Naar aanleiding van het verslag van de bijzondere curator heeft de moeder de rechtbank bericht dat zij een DNA-onderzoek niet nodig acht, maar dat zij zich aan het oordeel van de rechtbank refereert. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat onomstotelijk komt vast te staan dat [de vermeende vader] zijn biologische vader is. De rechtbank is van oordeel dat voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van [de vermeende vader] een DNA-onderzoek het meest gerede middel is. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen dit alsnog vrijwillig uit te laten voeren. Aangezien de moeder degene is op wie de bewijslast rust, horen de kosten van het onderzoek vooralsnog door haar te worden gedragen. Om partijen de mogelijkheid te bieden om kosten te besparen, zal de rechtbank partijen allereerst in de gelegenheid stellen om uiterlijk op 15 april 2026 alsnog een rapport van (een rechtsgeldig) DNA-onderzoek over te leggen. Op deze manier kan van het verwekkerschap van [de vermeende vader] ten aanzien van [minderjarige] blijken. De rechtbank wijst partijen erop dat een dergelijk DNA rapport aan diverse criteria moet voldoen. Er moet in ieder geval uit blijken dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient ook te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt. In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4 lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap, welk besluit op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtbank verder als eis dat uit het rapport moet blijken dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007). Voor het geval op 15 april 2026 géén rapport van DNA-onderzoek is ingediend, dat aan voornoemde vereisten voldoet, zal de rechtbank alvast na te melden onderzoek door Verilabs Nederland B.V. bevelen. Nu de moeder en [de vermeende vader] zich niet hebben uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige, gaat de rechtbank ervan uit dat zij stilzwijgend hebben verzocht zoals gebruikelijk na te melden deskundige te benoemen. De rechtbank zal de behandeling van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en de geslachtsnaamwijziging van [minderjarige] aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het DNA-onderzoek. Beslissing De rechtbank: * verklaart gegrond het verzoek van de moeder tot ontkenning van het vaderschap van de man: [de juridische vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1985 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland 1] , over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] , geboren uit: [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1991 in [geboorteplaats 3] , [geboorteland 2] ; * wijst af het verzoek van de moeder om de ontkenning van het vaderschap uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; * bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en het verzoek over de geslachtsnaam van [minderjarige] wordt aangehouden tot 15 april 2026 pro forma , zodat partijen in de gelegenheid worden gesteld een DNA-onderzoek te verrichten, dan wel indien dit niet op 15 april 2026 is ingediend het door de rechtbank bevolen onderzoek kan worden verricht; * bepaalt dat partijen uiterlijk op 15 april 2026 een rapport van een rechtsgeldig DNA-onderzoek dienen te overleggen als hierboven vermeld; * bepaalt dat partijen en de bijzondere curator uiterlijk op 1 mei 2026 zullen reageren op het DNA-onderzoek en zich daarbij ook uitlaten over de voortgang van de procedure; * beveelt, in het geval er op 15 april 2026 geen DNA-onderzoek bij de rechtbank is binnengekomen welke voldoet aan de vereisten als hierboven vermeld: een onderzoek door een deskundige van het DNA van: 1. [de vermeende vader] , geboren op [geboortedatum 4] 1982 in [geboorteplaats 4] , [geboorteland 3] , 2.