Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:4857
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,023 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4857 text/xml public 2026-03-19T13:48:58 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-27 AWB - 25 _ 5359 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4857 text/html public 2026-03-19T13:11:39 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4857 Rechtbank Den Haag , 27-01-2026 / AWB - 25 _ 5359 Beroep gegrond. In geschil is of verweerder bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase 0,5 punt voor de hoorzitting mocht toekennen. Art. 2, derde lid, Bpb. De bewijslast ligt bij verweerder. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft nagelaten uitleg te geven waarop hij afwijkt van de forfaitaire regeling. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 25/5359 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser een beschikking opgelegd waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2025 is vastgesteld op € 607.000 (de beschikking). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2025 de WOZ-waarde en de bijbehorende aanslag verminderd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Namens eiser is verschenen, zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Gelijktijdig met deze zaak zijn nog 17 andere beroepen (met zaaknummers SGR 25/5343, SGR 25/5347, SGR 25/5342, SGR 25/5346, SGR 25/5344, SGR 25/5338, SGR 25/5340, SGR 25/5336, SGR 25/5348, SGR 25/5351, SGR 25/5334, SGR 25/5360, SGR 25/5328, SGR 25/5353, SGR 25/5350, SGR 25/5361 en SGR 25/5358) van dezelfde gemachtigde tegen dezelfde heffingsambtenaar behandeld. Overwegingen Feiten 1. Het bezwaar van eiser is op de (telefonische) hoorzitting van 27 mei 2025 gelijktijdig behandeld met andere bezwaren over de WOZ-waarde van andere objecten. In totaal zijn 18 bezwaarschriften van cliënten van gemachtigde behandeld. 2. In de bezwaarfase heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de WOZ-waarde verlaagd naar € 549.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. In verband met de gegrondverklaring van het bezwaar heeft verweerder een proceskostenvergoeding van in totaal € 249,58 toegekend. Dit bedrag is als volgt berekent: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 0,5 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 647 per punt en een wegingsfactor van 0,125 en een vergoeding van € 128,26 (incl. BTW) voor het taxatierapport en een wegingsfactor van 1. Geschil 3. In geschil is of verweerder bij het vaststellen van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase 0,5 punt voor de (telefonische) hoorzitting mocht toekennen. De waarde van de woning is niet in geschil. 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte en zonder nadere motivering 0,5 punt heeft toegekend voor de telefonische hoorzitting in de bezwaarfase. Hiervoor voert eiser aan dat verweerder niet heeft doen blijken dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 Bpb. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit in het licht van de vaste jurisprudentie, artikel 30a Wet WOZ en de gedragingen van verweerder die hebben geleid tot de vorm van de hoorzitting. 5. Verweerder stelt dat bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase terecht 0,5 punt aan de hoorzitting is toegekend. Verweerder onderbouwt zijn stelling in de uitspraak op bezwaar met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 december 2022 . In de beroepsfase heeft verweerder zijn stelling nader onderbouwd met verwijzing naar de uitspraken van rechtbank Noord-Holland van 3 april 2024 en rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2021. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat er voor de eventuele proceskostenvergoeding in de beroepsfase moet worden uitgegaan van samenhangende zaken. Beoordeling van het geschil 6. De rechtbank stelt vast dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen verweerder en de gemachtigde over de vergoeding van kosten in de bezwaarfase bij een gegrond bezwaar. Hieruit volgt dat dat het Bpb van toepassing is. 7. Tussen partijen is niet in geschil dat op 27 mei 2025 een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting zijn 18 zaken van dezelfde gemachtigde besproken. Alle 18 bezwaren zijn gegrond verklaard. 8. Artikel 1, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid en onder a, van het Bpb bepaalt dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij de hoogte aan de hand van de bijlage bij het Bpb wordt vastgesteld. In beginsel wordt 1 punt toegekend voor het verschijnen bij een hoorzitting, zoals bedoeld in bijlage A5 van het Bpb. Op grond van het derde lid van artikel 2 van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken. 9. Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen, omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter of het bestuursorgaan kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast. 10. Verweerder heeft bij het toekennen van de kostenvergoeding voor de hoorzitting toepassing gegeven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb. Volgens verweerder is er sprake van bijzondere omstandigheden. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de verweerder naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. Daarnaast voert verweerder ter zitting aan dat de matiging terecht is vanwege de minimale inzet van de gemachtigde en de duur van de hoorzitting. 11. Nu vast staat dat er een telefonische hoorzitting tussen de gemachtigde van eiser en verweerder heeft plaatsgevonden, laat dit geen andere slotsom toe dan dat eiser daarvoor een vergoeding ter grootte van 1 punt toekomt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt enige matiging van de hoofdregel in het eerste lid van artikel 2 in het Bpb voldoende duidelijk moet worden gemotiveerd. De bewijslast ligt bij verweerder. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft nagelaten uitleg te geven waarom hij afwijkt van de forfaitaire regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkel verwijzen naar een uitspraak onvoldoende en vormt dit een motiveringsgebrek. De uitspraak op bezwaar is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genomen en voor komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is daarom gegrond. 12. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond verklaard en heeft de rechtbank de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover het betreft het verschijnen op de hoorzitting, op een bedrag van € 80,88 bepaald (1 punt a € 647 en een wegingsfactor 0,125). Proceskosten 13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van Bpb. 14.