Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:4804
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8717 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar). Samenvatting 1. Eiser is een zogenoemde derdelander uit Oekraïne. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de tijdelijke bescherming en meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024, ondanks de nieuwe argumenten die eiser in deze procedure daartegen heeft aangevoerd. Ook oordeelt de rechtbank dat verweerder aan eiser het meest recente terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. Het terugkeerbesluit levert geen strijd op met eisers gezins- en privéleven en is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat het beginsel van non-refoulement niet is geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming voor hem is geëindigd na 4 maart 2024 en is aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit. 2.1 In het besluit van 24 juli 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd. 2.2 In het besluit van 1 september 2025 heeft verweerder het besluit van 24 juli 2025 ingetrokken en heeft hij aan eiser een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd. 2.3 De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, de tolk R. Lacin en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Wat ging aan de zaak vooraf? 3. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). 3.1 In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling oordeelde ook dat er geen toezeggingen door verweerder zijn gedaan waaruit mocht worden afgeleid dat de facultatieve tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur van de tijdelijke bescherming is bereikt en dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen plaats is. In het arrest in de zaak Kaduna van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) naar aanleiding van vragen van onder meer de Afdeling overwogen dat lidstaten de verleende facultatieve tijdelijke bescherming mogen intrekken zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. Lidstaten zijn niet verplicht de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming af te stemmen op de duur van de verplichte tijdelijke bescherming. Ook heeft het Hof overwogen dat het lidstaten niet is toegestaan om een terugkeerbesluit uit te vaardigen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming voor de derdelanders uit Oekraïne per 4 maart 2024 te beëindigen. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de algemene beginselen van het Unierecht daarbij niet in acht zijn genomen. 3.2 In afwachting van het arrest van het Hof en de uitspraken van de Afdeling heeft verweerder besloten de beë Eiser stelt zich op het standpunt dat de facultatieve tijdelijke bescherming niet mag eindigen per 4 maart 2024 en heeft zich beroepen op het gelijkheids-, loyaliteits-, motiverings-, rechtszekerheid- en het evenredigheidsbeginsel. In dit kader voert hij aan dat er binnen de lidstaten geen consensus bestaat over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Zo verlenen lidstaten zoals Griekenland en Hongarije nog steeds tijdelijke bescherming aan derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning voor Oekraïne op de peildatum. Ook wijst eiser op de Zweedse en Hongaarse taalversies van de considerans van het Uitvoeringsbesluit en van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Door de verschillende taalversies lopen de reikwijdte en modaliteiten van de nationale bevoegdheid tot beëindiging van tijdelijke bescherming voor derdelanders uiteen. Eiser is van mening dat Nederland is gehouden tot een richtlijn conforme en gunstig geïnterpreteerde toepassing. Dat betekent dat Nederland de interpretatie moet kiezen die het meeste recht doet aan de positie van eiser. Voorts wijst eiser op artikel 28 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) waaruit volgt dat verweerder bij moeilijkheden of twijfels over de uitvoering eerst de Europese Raad moet consulteren voordat een besluit wordt genomen om de tijdelijke bescherming te beëindigen. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan, terwijl Nederland duidelijk uitvoeringsproblemen heeft. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat het Uitvoeringsbesluit niet uitvoerbaar is. Onder verwijzing naar het arrest Kucukdeveci is eiser van mening dat verweerder ten onrechte de Unierechtelijke rechtsbeginselen niet toegepast. 7.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aan eiser verleende facultatieve tijdelijke bescherming heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het Hof in het arrest Kaduna geoordeeld dat lidstaten bevoegd zijn om de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen en heeft de Afdeling in haar uitspraken van 23 april 2025 haar eerdere oordeel van 17 januari 2024 bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft aangegeven dat hij per 3 mei 2024 in het bezit is gesteld van een permanente verblijfsvergunning voor Oekraïne. Dit is niet betwist door verweerder. Dit doet echter niet af aan het feit dat eiser blijft behoren tot de categorie ontheemden uit Oekraïne aan wie facultatieve tijdelijke bescherming is verleend welke is geëindigd op 4 maart 2024. De permanente verblijfsvergunning is immers verstrekt na de peildatum van 23 februari 2022 waardoor eiser tot deze categorie blijft behoren. Dat eiser voor de peildatum in het bezit zou zijn of had moeten zijn van een verblijfsstatus in Oekraïne, is niet concreet onderbouwd. 7.2 Het Hof was bekend met de Nederlandse toepassing van de RTB en het Uitvoeringsbesluit waarbij ontheemde derdelanders die op 23 februari 2022 geen permanente verblijfsvergunning hadden via de facultatieve regeling tijdelijke bescherming kregen. Het Hof heeft vervolgens deze toepassing niet onverenigbaar geacht met het Unierecht. Immers, het Hof heeft de gestelde vragen over het onverplicht bieden van tijdelijke bescherming aan deze ontheemden uit Oekraïne en het beëindigen hiervan, beantwoord. Het Hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien om een vergelijking van de verschillende taalversies te maken om te bezien of de taalversies van het Uitvoeringsbesluit gelijkluidend zijn met betrekking tot de kring van RTB-begunstigden. Voor zover de taalversie van andere lidstaten een ruimer toepassingsbereik van de RTB voorschrijven, betekent dit niet dat alle lidstaten deze taalversie moeten toepassen. 7.3 De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet gehouden was om conform artikel 28, vijfde lid, van het VEU vanwege ernstige moeilijkheden of twijfels over de uitvoering van het Uit 8.2.1 De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, het gezinsleven en/of het privéleven, geen verband houdt met een beoordeling of een verblijfsrecht bestaat op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Terugkeerrichtlijn ziet niet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf. Aan deze richtlijn kan geen verblijfsrecht worden ontleend. 8.2.2 Met betrekking tot het gezinsleven dat eiser met zijn Oekraïense vrouw uitoefent overweegt de rechtbank als volgt. Ter beoordeling ligt voor of verweerder bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het gezinsleven dat eiser uitoefent met zijn echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Eiser oefent het gezinsleven met zijn echtgenote niet in Nederland uit. Zijn echtgenote verblijft namelijk in Oekraïne. Hoewel het terugkeerbesluit ziet op een terugkeer van eiser naar Nigeria staat het eiser vrij om naar Oekraïne te gaan en daar het gezinsleven uit te oefenen. Eiser is op grond van zijn permanente verblijfsvergunning verblijf in Oekraïne toegestaan. Dat de echtgenote volgens eiser niet naar Nederland kan komen vanwege haar medische situatie, heeft verweerder daarom niet hoeven betrekken. Op zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het makkelijker is om het gezinsleven met zijn echtgenote vanuit Nederland uit te oefenen dan vanuit Nigeria. Dit heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om af te zien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. 8.2.3 Met betrekking tot het privéleven dat eiser heeft uitgeoefend tijdens zijn verblijf in Nederland overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet expliciet is benoemd dat het recht op het uitoefenen van privéleven ook betrokken moet worden bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, volgt uit rechtspraak van het Hof en de Afdeling dat moet worden nagegaan of het recht op privéleven zich verzet tegen een terugkeerbesluit. Dat betekent niet dat in het enkele gegeven dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland privéleven heeft opgebouwd, verweerder geen terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om tot een ander besluit te komen. Dat eiser pas na de peildatum in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor Oekraïne en dat zijn vrouw wegens medische omstandigheden niet uit Oekraïne kan vertrekken maakt niet dat privéleven in Nederland dusdanig is dat het terugkeerbesluit daarmee in strijd is. Deze omstandigheden zijn namelijk het gevolg van het vaststellen van een peildatum, waarvoor de Unierechtelijke wetgever bewust heeft gekozen, respectievelijk eisers eigen keuze om niet in Oekraïne bij zijn echtgenote te blijven dan wel de keuze van de echtgenote om niet naar Nederland te komen om hier tijdelijke bescherming te genieten. 8.2.4 De beroepsgrond slaagt niet. Het terugkeerbesluit en het evenredigheidsbeginsel 8.3 Omdat eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit onevenredig is, moet beoordeeld worden of het terugkeerbesluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit onevenredig is. Verwezen wordt naar het in 8.2.2 en 8.2.3 overwogene. Dat eisers situatie en de situatie van zijn echtgenote heel vervelend is, betekent niet dat de gevolgen van hun keuzes hen niet kunnen worden aangerekend. De beroepsgrond slaagt niet. Het terugkeerbesluit en het arrest Ararat 8.4 De rechtbank is bekend met het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. De rechtbank is in overeenstemming met dit arrest en deze uitspraak nagegaan of eiser bij terugk