Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:4379
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
881 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4379 text/xml public 2026-03-06T17:00:06 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-04 NL25.9003 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4379 text/html public 2026-03-05T14:03:10 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4379 Rechtbank Den Haag , 04-03-2026 / NL25.9003 8:57, MOB, geen procesbelang. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.9003 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. B.G. Smouter), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag. 1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Heeft eiser nog procesbelang? 3. De minister heeft met het bericht van 8 mei 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser op 24 april 2025 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken (MOB). 4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 juli 2024 echter overwogen dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Er mag van uitgegaan worden dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. 5. Op 19 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiser aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser. De rechtbank neemt dan ook aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) maakt dit mogelijk. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.7.