Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:4281
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,168 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:4281 text/xml public 2026-03-13T12:11:28 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-28 NL25.20258 en NL25.20259 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4281 text/html public 2026-03-13T12:03:39 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4281 Rechtbank Den Haag , 28-01-2026 / NL25.20258 en NL25.20259 Beroep niet-ontvankelijk en vovo niet-ontvankelijk. Beroep tegen weigering afgifte verblijfsdocument EU/EER. Gebleken is dat eiser naar Nederland is vertrokken. Geen procesbelang. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.20258 en NL25.20259 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 28 januari 2026 van de enkelvoudige kamer en uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Wouda). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. 1.3. De rechter heeft het onderzoek gesloten en meteen mondeling uitspraak gedaan. Overwegingen 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn gestelde moeder, [referente] (referente). Eiser wil bij haar verblijven, omdat hij stelt dat hij vanwege haar medische problematiek voor haar zorgt. 3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser de familierechtelijke relatie met referente niet heeft aangetoond. Eiser heeft niet aangetoond dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsverhouding tussen hem en referente. Er is geen schending van eisers recht op familie- en privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. 4. Uit de stukken volgt dat eiser op 31 juli 2024 is vertrokken uit Nederland. Gebleken is dat eiser Nederland heeft verlaten. Op zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat eiser niet meer naar Nederland is teruggekomen. Zoals uit de verklaring van referente van 17 januari 2026, het overgelegde vliegticket en de toelichting op zitting blijkt, heeft referente Nederland ook verlaten. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. De rechtbank merkt hierbij op dat als eiser en referente terugkomen naar Nederland, zij vrij zijn om een nieuwe aanvraag in te dienen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. 6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit . 7. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier, op 28 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.