Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2026:4278
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,018 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:4278 text/xml public 2026-03-13T11:59:27 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-25 C/09/687676 / HA ZA 25-577 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4278 text/html public 2026-03-13T11:58:59 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4278 Rechtbank Den Haag , 25-02-2026 / C/09/687676 / HA ZA 25-577 Aannemer heeft verbouwingswerkzaamheden niet afgemaakt, terwijl de aanneemsom nagenoeg volledig is voldaan. De met (partij)deskundigenrapporten onderbouwde vordering tot schadevergoeding vanwege niet en ondeugdelijk verricht werk wordt toegewezen. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/687676 / HA ZA 25-577 Vonnis van 25 februari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [partij A] te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. B. Bijlsma, tegen [partij B] B.V. te [vestigingsplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, hierna te noemen: [partij B] , advocaat: mr. M. de Boorder. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 20 juni 2025, met producties 1 tot en met 5; de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties 1 tot en met 3. 1.2. Op 13 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben op 7 december 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de verbouwing van de door [partij A] in november 2022 gekochte woning. De overeengekomen werkzaamheden zijn in een offerte van november 2022 opgenomen en zagen onder meer op het realiseren van een aanbouw. 2.2. De overeengekomen aanneemsom van € 76.809,68 is voldaan, op de laatste (vijfde) termijn van € 3.809,68 (incl. btw) na. Naast de vierde termijn van € 8.000,- (incl. btw) – te betalen bij aanvang buitengevel uitbouw – is € 2.000,- extra betaald vanwege meerwerk in de keuken. 2.3. [partij B] heeft een deel van het werk in 2023 uitgevoerd, waarna het werk stil is komen te liggen. 2.4. Op 4 juli 2024 heeft [partij A] een ingebrekestelling aan [partij B] gestuurd voor niet uitgevoerde werkzaamheden: herstel van voegwerk, vervanging van houten kozijnen door kunststof kozijnen, vervanging van houten rabatdelen door keralit, vervanging van een defect spotje, herstel van een zaagsnede onder de radiator in de slaapkamer en van een krimpscheur in het stucwerk. [partij A] heeft [partij B] gevraagd om binnen dertig dagen de overeenkomst alsnog na te komen. De aangetekend verzonden ingebrekestelling is geweigerd retour gekomen. 2.5. [partij A] heeft vervolgens ZNEB Expertise B.V. (hierna: ZNEB) ingeschakeld om gebreken in kaart te brengen en de schade te begroten. [partij B] is per aangetekend verzonden e-mailbericht uitgenodigd om bij de inspectie op 13 december 2024 aanwezig te zijn. [partij B] heeft op deze uitnodiging niet gereageerd. 2.6. In een door ing. [naam] van ZNEB opgesteld rapport van 8 april 2025 is onder meer vermeld dat sprake is van de volgende gebreken: (a) scheurvorming (anders dan gebruikelijke krimpscheuren), met waterinstroom, omdat geen wapeningsweefsel is aangebracht, (b) kapotte spot, (c) zaagsnede, (d) het stucwerk in de linkerwand van de aanbouw is gebrekkig en (e) de dakbedekking is niet juist aangebracht (waardoor lekkage is ontstaan). Verder is vermeld dat de volgende werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd: (f) de gevelrenovatie (voegwerk), (g) het vervangen van houten kozijnen door kunststof kozijnen (met hoeklijnen), (h) het vervangen van houten rabatdelen door keralit, werkzaamheden ter voorbereiding van het zonnescherm, (i) vervanging van dakbedekking (dakbedekking is over de oude dakbedekking heen gelegd). De omvang van de schade is in dit rapport begroot op € 27.137,07 (inclusief btw). Dit bedrag ziet op € 4.579,- voor herstel van gebreken a t/m e (scheurvorming: € 1.414,-, spot: € 431,-, zaagsnede: € 214,50, stucwerk: € 249,50,-, loodslabbe dakbedekking: € 2.270,-) en € 22.558,07 voor niet uitgevoerde werkzaamheden (f t/m i). 2.7. Op 25 april 2025 heeft mr. Bijlsma namens [partij A] [partij B] in gebreke gesteld voor de door ZNEB genoemde gebreken en een omzettingsverklaring uitgebracht. [partij A] maakt aanspraak op het door ZNEB begrote bedrag aan schadevergoeding. Dit stuk is bij deurwaardersexploot op het juiste (BRP-)adres van [partij B] uitgebracht. 2.8. Nadat ook hierop niet door [partij B] is gereageerd, heeft [partij A] een dagvaarding laten uitbrengen. 3 Het geschil in conventie 3.1. [partij A] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [partij B] toerekenbaar is tekortgeschoten, in verzuim verkeert en jegens hem aansprakelijk is voor alle daardoor veroorzaakte schade én de verbintenis tot herstel van de gebreken is omgezet in een vordering tot schadevergoeding. Daarnaast vordert [partij A] veroordeling van [partij B] tot betaling van € 27.137,07 aan schadevergoeding, € 2.522,86 wegens expertisekosten, € 1.750,- aan rente, € 829,84 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [partij A] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [partij B] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en sinds 4 juli 2024 in verzuim verkeert. De verbintenis tot nakoming is op grond van artikel 6:87 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omgezet in een vordering tot schadevergoeding. De schade bestaat uit de kosten van het niet uitgevoerde werk en herstel van € 27.137,07. 3.3. [partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in (voorwaardelijke) reconventie 3.5. [partij B] vordert, onder de voorwaarde dat niet eenvoudig is vast te stellen wat de kosten van het meerwerk bedragen die van de conventionele vordering afgetrokken moeten worden, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] veroordeelt tot betaling van € 3.586,99. 3.6. [partij B] legt aan de vordering ten grondslag dat zij meerwerk (wat betreft werkzaamheden aan het dak) heeft geleverd en [partij A] de kosten daarvan niet in zijn vordering heeft verdisconteerd. 3.7. [partij A] heeft de vordering betwist. 3.8. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling In conventie 4.1. De vordering van [partij A] houdt in dat [partij B] wordt veroordeeld tot betaling van € 27.137,07. Aan deze vordering ligt ten grondslag dat het werk gebreken bevat en nog niet af is, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst oplevert. [partij A] heeft de vordering tot herstel van de gebreken omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW. 4.2. [partij A] heeft zijn standpunt dat het werk gebreken vertoont onderbouwd met het rapport van ZNEB van 8 april 2025, waarin de onder 2.6 genoemde gebreken zijn vermeld. De gebreken betreffen werk dat niet of niet goed is uitgevoerd. De in het rapport begrote schadebedragen zijn gebaseerd op de onder 2.1 bedoelde offerte van [partij B] en daarmee dus op de bedragen die [partij A] reeds aan [partij B] voor het werk heeft betaald (op de slottermijn van € 3.809,68 na). 4.3. [partij B] heeft erkend dat een deel van het werk niet is uitgevoerd. Vaststaat in ieder geval dat dit het voegwerk (gevelrenovatie), vervanging van houten kozijnen door kunststof kozijnen en vervanging van houten rabatdelen door keralit betreft (posten f, g en h, genoemd onder 2.6).
Volledig
In de conclusie van antwoord betwist [partij B] van de onder 2.6 genoemde gebreken uitsluitend de posten die zijn genoemd onder de punten 11, 25 en 33 op pagina 14 van het rapport van ZNEB. Die verweren slagen niet. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Punt 11 maatvoering 4.4. In de offerte van [partij B] van november 2022 is onder 11 (‘uitzetten maatvoering’) een post opgenomen van € 385,74 voor ‘Constructeur tbv verwijderen achtergevel in achterzijde bestaande woning / incl rapport’. [partij B] betwist die post en stelt dat de achtergevel is verwijderd. Dit verweer slaagt niet. Het in de offerte van [partij B] opgenomen bedrag ziet volgens de toelichting van ZNEB namelijk op aanwezigheid van een constructieve berekening. [partij A] heeft € 385,74 betaald voor een constructieve berekening waarvan gesteld noch gebleken is dat die gemaakt is alvorens de achtergevel is gesloopt. De vordering die ziet op dit bedrag is dan ook toewijsbaar. Punt 25 staalwerken/staalconstructie 4.5. ZNEB heeft geconstateerd dat de in de offerte van [partij B] opgenomen L-lijnen die zouden worden aangebracht in het bestaande metselwerk ontbreken. Dit is niet betwist. Van de in de offerte van [partij B] opgenomen post staalwerken van € 3.595,29, moeten de vier posten die hierop ziet – totaal € 1.176,11 – aan [partij A] worden terugbetaald. Punt 33 vervanging dak schuur 4.6. In de offerte van [partij B] is een bedrag van € 4.628,36 voor dakbedekking opgenomen. Dat bedrag is opgebouwd uit verschillende posten, waaronder dakbedekking, plakstuk HWA, randafwerking, dakrand/aluminium afdekkap en dak vervangen schuur. Met de post ‘dak vervangen schuur’ is een bedrag van € 1.983,78 gemoeid. Vaststaat dat het dak van de schuur (van [partij A] en zijn buren) niet is vervangen, maar dat er dakbedekking overheen is geplakt. ZNEB heeft opgemerkt dat dit betekent dat sloop- en afvoerwerk niet is uitgevoerd, zodat 40% van deze post aan [partij A] moet worden terugbetaald. Dat komt neer op een bedrag van € 793,51. De rechtbank acht dit bedrag als onvoldoende weersproken toewijsbaar. 4.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd dat het werk de onder 2.6 bedoelde gebreken bevat. De rechtbank acht ZNEB ook deskundig om het resultaat en de kwaliteit van de uitgevoerde (ver-)bouwwerkzaamheden te beoordelen. ZNEB heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van de onder 2.1 bedoelde offerte van november 2022. Ook heeft inspectie van de woning plaatsgevonden. ZNEB heeft het onderzoek naar behoren uitgevoerd en haar bevindingen neergelegd in een gedegen rapport. Dat [partij B] niet bij de inspectie aanwezig is geweest, doet niet af aan de bruikbaarheid van het rapport. Zij is hiervoor uitgenodigd per aangetekend verzonden e-mailbericht en heeft daarop niet gereageerd. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank [partij A] in zijn standpunt dat het werk de door ZNEB geconstateerde gebreken bevat. 4.8. Op grond van artikel 7:759 lid 1 BW is de opdrachtgever verplicht de aannemer de gelegenheid te geven tot herstel van de na oplevering gebleken gebreken waarvoor de aannemer aansprakelijk is, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd. In dit geval kan niet worden vastgesteld dat de ingebrekestelling van 4 juli 2024 [partij B] heeft bereikt. [partij B] heeft de ontvangst betwist en heeft ter zitting gesteld op enig moment te zijn verhuisd. Dat de brief naar het juiste adres is verzonden, is door [partij A] niet met stukken aangetoond. Van de op 25 april 2025 uitgebrachte ingebrekestelling, tevens omzettingsverklaring, staat daarentegen vast dat die bij deurwaardersexploot aan het juiste (BRP)adres van [partij B] is uitgebracht. Deze ingebrekestelling ziet op alle door ZNEB geconstateerde gebreken. Zoals ter zitting is besproken, is de vraag of [partij B] voldoende de gelegenheid heeft gekregen tot herstel van de in die brief genoemde gebreken. De rechtbank overweegt daarover het volgende. 4.9. Ter zitting heeft [partij B] verklaard [partij A] na voltooiing van een deel van het werk te hebben laten weten dat hij beter een andere partij kon zoeken om het werk af te maken en dat dan een deel van de aanneemsom zou worden terugbetaald. Dat laatste is niet gebeurd. [partij B] heeft niet gereageerd op de per aangetekende e-mail aan haar verzonden uitnodiging van ZNEB. Evenmin heeft zij gereageerd op de onder 2.7 bedoelde ingebrekestelling, waarvan vaststaat dat die bij deurwaardersexploot op het juiste adres van [partij B] is uitgebracht. [partij B] heeft de zaken dus op zijn beloop gelaten. Aldus is [partij B] in verzuim gekomen (artikel 6:82 BW). Onder die omstandigheden kon van [partij A] niet worden gevergd dat hij [partij B] eerst de gelegenheid zou bieden tot herstel alvorens een omzettingsverklaring uit te brengen. [partij A] mocht de verbintenis tot nakoming omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 lid 1 BW). Dit heeft Koster op de juiste wijze gedaan bij brief van 25 april 2025. 4.10. Vastgesteld kan worden dat, doordat het werk voornoemde gebreken bevat, [partij B] tekortgeschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. [partij B] verkeert sinds de ingebrekestelling van 25 april 2025 in verzuim, wat een vereiste is voor het omzetten van een verbintenis in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, wanneer, zoals hier, nakoming niet blijvend onmogelijk is. Voorts dient de schade aan dit tekortschieten van [partij B] te worden toegerekend. Van eigen schuld van [partij A] is niet gebleken. Het vereiste causaal verband is dus aanwezig. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor nadere bewijslevering. Conclusie ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding 4.11. De schade als gevolg van de gebreken kan naar het oordeel van de rechtbank worden begroot op het door ZNEB genoemde bedrag van € 27.137,07. Zoals hiervoor is vermeld, is die begroting van ZNEB immers gebaseerd op de door [partij B] geoffreerde en door [partij A] reeds betaalde bedragen. De vordering tot betaling van dit bedrag wordt toegewezen, te verminderen met de nog niet betaalde eindtermijn van € 3.809,68. De vervangende schadevergoeding ziet op werk dat niet goed of niet is uitgevoerd. De daarmee gemoeide bedragen dienen aan [partij A] te worden (terug)betaald, waarbij als uitgangspunt geldt dat de volledige aanneemsom is betaald. 4.12. Het toe te wijzen bedrag komt daarmee op € 23.327,39. Omdat [partij B] in verzuim is met betaling van dit bedrag is zij tevens wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente zal worden toegewezen als onder de beslissing vermeld. Expertisekosten 4.13. [partij A] maakt aanspraak op expertisekosten van € 2.522,86 en heeft die kosten onderbouwd met de factuur van ZNEB. [partij B] heeft op zichzelf niet bestreden dat [partij A] die kosten heeft gemaakt voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid van [partij B] . Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW komt het gevorderde bedrag dan ook voor vergoeding in aanmerking. Deze vordering wordt dus toegewezen. Rentelasten 4.14. [partij A] stelt dat sprake is van gevolgschade omdat het bouwdepot is belast met werkzaamheden waar geen betalingen tegenover zijn gesteld. Hierdoor is rente gederfd. Het door [partij A] gevorderde bedrag aan rente van € 1.750,- is, ook na betwisting, op geen enkele wijze onderbouwd en gespecificeerd. Dit bedrag komt niet voor toewijzing in aanmerking. Buitengerechtelijke kosten 4.15. [partij A] vordert betaling van buitengerechtelijke kosten van € 829,84. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij buitengerechtelijk brieven en e-mails heeft moeten sturen door zijn advocaat. Niet gebleken is dat [partij A] kosten van juridische bijstand heeft gemaakt waarvoor de regels inzake proceskosten (artikel 237 tot en met 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) niet een vergoeding insluiten. [partij A] heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat dit anders is. Deze vordering komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Verklaringen voor recht 4.16.