Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:4211
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,332 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:4211 text/xml public 2026-03-13T08:11:22 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-12 11818653 RP VERZ 25-50555 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4211 text/html public 2026-03-13T08:10:33 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:4211 Rechtbank Den Haag , 12-02-2026 / 11818653 RP VERZ 25-50555 In deze zaak verzoekt Stedin om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Lelieveld. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen. Het voorwaardelijk tegenverzoek van Lelieveld om toekenning van een transitievergoeding wordt toegewezen, omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van Stedin wordt ontbonden. De door Lelieveld verzochte toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Stedin. Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag br/c Zaaknummer / rekestnummer: 11818653 \ RP VERZ 25-50555 Beschikking van 12 februari 2026 in de zaak van STEDIN GROEP PERSONEELS B.V. , te [plaats 2] , verzoekende partij, verwerende partij in het voorwaardelijke tegenverzoek, hierna te noemen: Stedin, gemachtigde: mr. J.H. Even, tegen [verwerende partij] , te [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het voorwaardelijke tegenverzoek, hierna te noemen: [verwerende partij] , gemachtigde: mr. D.E. van der Wiel. 1 De zaak in het kort 1.1. In deze zaak verzoekt Stedin om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] . De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen. Het voorwaardelijk tegenverzoek van [verwerende partij] om toekenning van een transitievergoeding wordt toegewezen, omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van Stedin wordt ontbonden. De door [verwerende partij] verzochte toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Stedin. Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 30 juli 2025 met producties 1 tot en met 20, - het verweerschrift met een voorwaardelijk tegenverzoek met producties 1 tot en met 12, - het bericht van Stedin met producties 21 en 22. 2.2. Op 9 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Omdat aan het begin van de mondelinge behandeling bleek dat partijen welwillend stonden tegenover het treffen van een eventuele minnelijke regeling, is besloten de procedure in afwachting daarvan aan te houden en, indien de onderhandelingen niet tot een regeling zouden leiden, de mondelinge behandeling op een later moment voort te zetten. 2.3. Nadat partijen de kantonrechter hebben bericht dat zij geen minnelijke regeling hebben getroffen, is de voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald op 15 januari 2026. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van partijen hebben ook pleit- dan wel spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Ten slotte is de beschikking is bepaald op vandaag. 3 De feiten 3.1. Stedin is onder meer belast met het aanleggen en onderhouden van gasnetten, het plaatsen en onderhouden van gasleidingen en gasmeters van particulieren en het aansluiten van woningen op gasnetten. [verwerende partij] , geboren [geboortedatum] 1960, is sinds 1 oktober 1980 in dienst bij Stedin en is lid van de ondernemingsraad. 3.2. [verwerende partij] is werkzaam in de functie van medewerker buitendienst bij de afdeling Beheer Bijzondere Aansluitingen (hierna: BBA) met een loon van € 4.792,83 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst van [verwerende partij] is de Cao Netwerkbedrijven (hierna: de Cao) van toepassing. 3.3. [verwerende partij] dient iedere dag van de werkweek, met uitzondering van de woensdag, acht uur per dag te werken en een pauze van dertig minuten te nemen. Iedere woensdag is [verwerende partij] op grond van de vitaliteitsregeling vrij. Aan zijn taken voor de ondernemingsraad van Stedin mag [verwerende partij] in principe maximaal een dag per week besteden. [verwerende partij] moet de tijd die hij aan de ondernemingsraad besteed administreren. 3.4. [verwerende partij] werkt de rest van de tijd in een team dat zich bezighoudt met het terugdringen van netverlies, door onder meer het afsluiten van contractloze aansluitingen, het opsporen van energiediefstal en het onderzoeken en beëindigen van zekeringswaarden. [verwerende partij] houdt zich in zijn rol als medewerker buitendienst BBA bezig met het bezoeken van locaties voor het uitvoeren van (afsluit)opdrachten bij contractloze klanten, het controleren van aansluitingen bij signaleren van onregelmatigheden en het ondersteunen bij het stopzetten van onveilige of frauduleuze situaties. [verwerende partij] moet vervolgens zijn bevindingen administreren en contact onderhouden met klanten en ketenpartners. 3.5. [verwerende partij] is voor zijn werk veel onderweg en heeft daarom beschikking over een bedrijfsauto met een voertuigvolgsysteem. [verwerende partij] mag deze auto niet privé gebruiken. Reistijd van huis naar de eerste werkplek en reistijd van de laatste werkplek naar huis wordt niet gezien als werktijd, tenzij die reistijd meer dan een uur per dag duurt. 3.6. [verwerende partij] is in de periode vanaf 30 oktober 2023 tot 28 april 2024 ziek geweest. 3.7. Stedin maakt sinds april 2024 voor de registratie van onregelmatigheden die verband houden met energiefraude gebruik van een systeem met de naam “centrale opsporing diefstal energie” (hierna: CODE). Stedin maakt daarnaast voor het vastleggen van afsluitingen en de controle van verzwaringen gebruik van een administratiesysteem met de naam “ClickSoftware” (hierna: Click). 3.8. Stedin heeft in de eindejaarsbeoordelingen van [verwerende partij] over 2023 en 2024 onder meer geschreven dat [verwerende partij] minder werk invoert in de systemen dan andere teamleden en dat zij op dat punt meer inzicht en transparantie van [verwerende partij] verwacht. 3.9. Stedin heeft [verwerende partij] op 24 december 2024 aangesproken omdat zij uit de administratie in de systemen heeft geconstateerd dat [verwerende partij] te weinig werkt. Omdat dit gesprek is geëscaleerd, heeft op 6 januari 2025 een vervolggesprek plaatsgevonden. Stedin schrijft in een brief van 24 januari 2025 onder meer het volgende aan [verwerende partij] : “(…) In het gesprek op 24 december ben je opgestaan, verhief je je stem, gebruikte je scheldwoorden en dreigde je dat je [naam 1] zou slaan. Naast [naam 1] was er een collega aanwezig bij het gesprek en hij heeft bevestigd dat dit is gebeurd. Jij hebt zelf ook bevestigd dat je dit gedrag hebt vertoond en dat je te ver bent gegaan. Je hebt je excuses hiervoor aangeboden. Daarnaast is er gesproken over de aanleiding van het gesprek op 24 december. Er zijn afspraken gemaakt om een aantal factoren die invloed hebben gehad op het voorval, weg te nemen.
Volledig
De volgende afspraken zijn gemaakt: je wordt ingezet op planbaar werk; we bieden je ondersteuning bij het maken van facturen; hierdoor wordt je zichtbaarder en heb je niet het gevoel dat je je hoeft te verantwoorden over wat je doet; bovenstaande punten nemen frustratie voor jou weg en je hebt beloofd dat het gedrag wat je hebt vertoond niet meer zal voorkomen. (…) Deze brief wordt opgenomen in jouw personeelsdossier. Dit laatste is om je bewust te maken van de ernst van jouw gedrag en je een kans te geven jouw gedrag onmiddellijk te corrigeren. We begrijpen dat iedereen fouten kan maken, en we willen constructieve oplossingen bieden. Als je behoefte hebt aan begeleiding of ondersteuning, aarzel dan niet om contact op te nemen met jouw leidinggevende of onze HR-afdeling. Tot slot willen we, om misstanden te voorkomen, in deze brief benadrukken dat mocht zich in de toekomst een nieuwe schending voordoen er sancties kunnen volgen, waaronder zelfs beëindiging van jouw dienstverband. (…)” 3.10. [verwerende partij] heeft zich op 27 februari 2025 ziekgemeld. 3.11. Stedin is in februari 2025 een onderzoek gestart naar de gegevens van het voertuigsysteem van de bedrijfsauto van [verwerende partij] , omdat er bij haar onduidelijkheid was over de werkzaamheden die [verwerende partij] op 17 en 21 februari 2025 heeft uitgevoerd. 3.12. Stedin heeft op 13 maart 2025 aan [verwerende partij] geschreven dat hij per direct wordt geschorst met behoud van loon vanwege onregelmatigheden in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Stedin heeft ook geschreven dat zij het handelen van [verwerende partij] verder wil onderzoeken en dat [verwerende partij] daarom in ieder geval voor de duur van het onderzoek wordt geschorst. Stedin heeft [verwerende partij] daarnaast uitgenodigd voor een gesprek met twee integriteitsonderzoekers, nu dit volgens de bedrijfsarts niet te belastend is voor [verwerende partij] . 3.13. De integriteitsondezoekers van Stedin hebben op 20 maart 2025 gesproken met [verwerende partij] . Tijdens dit gesprek zijn de gegevens uit het voertuigsysteem van de bedrijfsauto van [verwerende partij] vergeleken met de gegevens die [verwerende partij] zelf in CODE en Click heeft geadministreerd voor de dagen 20 en 23 december 2024, 10, 14 en 21 februari 2025 en voor de bezoeken van [verwerende partij] aan de jachthaven in [plaats 1] . [verwerende partij] heeft tijdens dit gesprek verklaard dat hoewel het klopt dat de gegevens van elkaar verschillen, hij zijn werkzaamheden wel heeft verricht, maar dat de verschillen komen omdat hij moeite heeft met de systemen waarin hij zijn werkzaamheden moet registreren. 3.14. De integriteitsonderzoekers van Stedin hebben in hun rapportage van bevindingen van 22 juli 2025 waarin [verwerende partij] wordt aangeduid als betrokkene als volgt geconcludeerd: “(…) Naar aanleiding van onduidelijk over de werkzaamheden die betrokkene heeft uitgevoerd op vrijdag 14 februari 2025 en vrijdag 21 februari 2025 is er bij de teamleider sterke twijfel ontstaan over de arbeidstijdinzet en de integriteit van de betrokkene. In het onderzoek is duidelijk geworden dat betrokkene voor meerdere dagen, te weten 10, 14 en 21 februari 2025 maar ook voor 20 en 23 december 2024 werkzaamheden, zoals locatiebezoeken of een OR-vergadering, heeft geregistreerd of laten registreren in de systemen van BBA terwijl hij deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd of althans niet op die dagen heeft uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt verder dat betrokkene in 2023 en 2024 min of meer regelmatig, langere periode met zijn voertuig stilstaat in de directe omgeving van [locatie] . De verklaring van betrokkene dat hij op deze locatie werkzaamheden heeft verricht voor BBA en geen familie en/of vrienden bezoekt, dan wel andere privéactiviteiten uitvoert is niet aannemelijk aangezien uit de data ook blijkt dat zijn voertuig ook in het weekend en ’s avonds langdurig op deze locatie stil staat. Betrokkene omschrijft dat hij op deze locatie onder ander telefoontjes heeft gepleegd en dat is niet in overeenstemming met het Protocol BBA waarin wordt beschreven dat het van belang is dat op een werklocatie van de afdeling BBA de vertrouwelijkheid van gesprekken kan worden gewaarborgd. Daarnaast is er volgens [naam 1] geen registratie van deze activiteiten in de systemen van BBA aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt ook dat betrokkene in 2023 en 2024 min of meer regelmatig, met zijn voertuig stilstaat in de directe omgeving van de jachthaven in [plaats 1] , locatie [straatnaam] . De verklaring van betrokkene dat hij op deze locatie werkzaamheden verricht voor BBA en dat hij hier gegevensoverdracht doet met de hennep coördinator voor het gebied Voorburg/Leidschendam is niet aannemelijk. Dit mede gelet op het feit dat er begin 2025 geen meldingen van hennepkwekerijen zijn binnengekomen bij BBA en betrokkene hier ook geen melding van heeft gemaakt in de BBA-systemen. Gelet op de vrijwilligerstaken die betrokkene verricht voor de Watersportvereniging is het aannemelijk dat hij niet voor Stedin aan het werk is geweest. Tot slot blijkt uit het onderzoek dat betrokkene zowel in 2023 en ook in 2024, in het totaal over een periode van 18 maanden op 203 werkdagen niet zijn gebruikelijke 8 uur per dag heeft gewerkt. (…)” 3.15. Stedin heeft [verwerende partij] uitgenodigd om de uitkomsten van het onderzoek op 31 maart 2025 met de onderzoekers te bespreken. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden, omdat [verwerende partij] heeft aangegeven niet in staat te zijn dit gesprek te voeren en de bedrijfsarts dit aan Stedin heeft bevestigd. Stedin heeft daarna het definitieve onderzoeksrapport gekregen. 4 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 4.1. Stedin verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen door [verwerende partij] (de e-grond) en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen (de g-grond). 4.2. Stedin legt kort gezegd aan haar verzoek ten grondslag dat [verwerende partij] fraudeert met werktijd en zich dus schuldig maakt aan het zogenoemde “dagdieverij” door: tijdens werktijd werkzaamheden te registreren in de administratiesystemen van Stedin, terwijl hij deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, regelmatig lange tijd met zijn bedrijfsauto stil te staan op locaties die buiten zijn werkgebied vallen, waarbij volkomen onduidelijk is wat hij daar te zoeken heeft, tijdens werktijd allerlei privébezoeken af te leggen met zijn bedrijfsauto, terwijl privégebruik daarvan niet is toegestaan, niet de overeengekomen acht uur per dag te werken. 4.3. [verwerende partij] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verwerende partij] betwist dat sprake is van fraude met werktijd en dagdieverij. Verder voert [verwerende partij] aan dat hij ziek is en dat daarom het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is. [verwerende partij] voert tot slot aan dat hij lid is van de ondernemingsraad van Stedin en dat daarom nog een opzegverbod geldt. 4.4. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verwerende partij] om de ontbindingsdatum te bepalen op het einde van de opzegtermijn van vier maanden en om toekenning van een transitievergoeding. [verwerende partij] verzoekt daarnaast om toekenning van een billijke vergoeding, omdat aan de zijde van Stedin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door: een integriteitsonderzoek naar hem te starten tijdens ziekte en psychische crisis, zijn bewijspositie ernstig te benadelen door het blokkeren van zijn toegang tot collega’s, systemen en medisch dossier, geen adequate training te verzorgen voor CODE, direct na zijn ziekmelding in te zetten op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 5 De beoordeling van het verzoek op het verzoek 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In artikel 7:699 lid 3 BW is bepaald wat een redelijke grond is.
Volledig
Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:699 lid 1 BW). Er is geen sprake van een voldragen e-grond 5.2. Uit artikel 7:669 lid 3 sub e BW volgt dat onder een redelijke grond wordt verstaan het verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Als uitgangspunt geldt dat het de werknemer, evidente gevallen die ook een dringende reden zouden kunnen opleveren uitgezonderd, van tevoren duidelijk moet zijn wat door de werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd, waarbij de eisen die de werkgever aan de werknemer stelt gangbaar en niet buitensporig mogen zijn. 5.3. Vooropgesteld wordt dat in het derde hoofdstuk van de gedragscode van Stedin onder meer is bepaald dat integriteit kenmerkend behoort te zijn voor alle medewerkers van Stedin en dat dit in het kort betekent dat alle medewerkers eerlijk, transparant en niet omkoopbaar zijn en dat oprechtheid een van de fundamenten is waarop met elkaar wordt gewerkt. In het vijfde hoofdstuk van de gedragscode van Stedin is verder onder meer bepaald dat integriteit binnen de organisatie van Stedin een belangrijke kernwaarde is en dat de integriteit en loyaliteit van medewerkers van Stedin niet ter discussie mag staan. Verder staat in dit hoofdstuk dat frauduleus handelen, waaronder fraude met werkuren, niet wordt getolereerd en tot zware disciplinaire maatregelen kan leiden. In de bedrijfsvervoersregeling is tot slot onder meer bepaald dat bedrijfsvervoersmiddelen van Stedin niet voor privédoeleinden mogen worden gebruikt, ook niet als onderdeel van een zakelijke rit. 5.4. Het is aan Stedin om aan te tonen dat [verwerende partij] werkzaamheden registreerde die hij niet heeft uitgevoerd, regelmatig met zijn bedrijfsauto stilstond op locaties buiten zijn werkgebied, zijn bedrijfsauto voor privédoeleinden gebruikte en minder uren werkte dan was overeengekomen. Dit heeft Stedin in principe gedaan. Zij heeft immers een uitgebreid onderzoek gedaan naar de door haar gestelde dagdieverij en zij heeft haar standpunt dat [verwerende partij] zich daaraan schuldig heeft gemaakt onderbouwd met stukken en verklaringen. [verwerende partij] betwist echter uitdrukkelijk dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dagdieverij. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij al zijn werkzaamheden wel degelijk heeft uitgevoerd, maar dat het kan zijn dat de registratie daarvan niet altijd juist was omdat hij het registreren in CODE lastig vond, dat hij zijn werkzaamheden op meerdere locaties (waaronder [straatnaam] in [plaats 1] en [locatie] in [plaats 2] ) heeft verricht en dat zijn bedrijfsauto daarom buiten zijn werkgebied stond geparkeerd, dat hij niet voor privédoeleinden met zijn bedrijfsauto op de jachthaven in [plaats 1] was, maar daar regelmatig heeft afgesproken met een brigadier van de politie, de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), om gegevens over te dragen en samen meldingen uit te lopen en dat hij zijn bedrijfsauto tijdens het weekend en in de avonden alleen heeft gebruikt als hij wachtdienst had. 5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [verwerende partij] in zekere mate verwijtbaar heeft gehandeld, maar dat het verwijtbaar handelen of nalaten van [verwerende partij] niet zodanig is dat van Stedin in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] te laten voortduren. Daarvoor is het volgende van belang. 5.6. Het staat vast dat de gegevens die [verwerende partij] heeft ingevoerd in CODE en Click niet overeenkomen met de gegevens die volgen uit het voertuigsysteem van zijn bedrijfsauto. Voor fraude of dagdieverij is echter opzet vereist. Naar het oordeel van de kantonrechter is van deze opzet niet gebleken. [verwerende partij] heeft aangevoerd dat Stedin met CODE is begonnen tijdens zijn eerste ziekteperiode, dat hij daardoor de instructies voor CODE heeft gemist en ook daarna onvoldoende begreep hoe hij met CODE moest werken. [verwerende partij] heeft dit ook in december 2024 aan Stedin kenbaar gemaakt en heeft daarvoor hulp aangeboden gekregen. Dat deze hulp niet voldoende was is inmiddels gebleken. De kantonrechter is van oordeel dat Stedin hierover nogmaals met [verwerende partij] in gesprek had moeten gaan en niet binnen twee maanden na dit eerste gesprek bij de volgende geconstateerde onregelmatigheid in werktijden uit had moeten gaan van de veronderstelling dat sprake was van fraude. Dit geldt te meer nu [verwerende partij] al ruim 45 jaar voor Stedin werkt en voor 2023 altijd zonder noemenswaardige problemen heeft gefunctioneerd. Het voorgaande neemt echter niet weg dat [verwerende partij] zelf eerder bij Stedin aan de bel had moeten trekken en openheid van zaken had moeten geven. Door dit niet te doen heeft het idee bij Stedin dat sprake was van dagdieverij kunnen groeien, waardoor het niet onbegrijpelijk is dat zij een onderzoek is gestart. 5.7. [verwerende partij] heeft verder een plausibele uitleg gegeven over waarom zijn bedrijfsauto meermaals op locaties buiten zijn werkgebied is geregistreerd. Deze uitleg van [verwerende partij] is grotendeels door [naam 2] bevestigd. [naam 2] heeft op de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat hij geregeld met [verwerende partij] op de jachthaven in [plaats 1] heeft afgesproken om vanuit daar samen meldingen over hennepkwekerijen na te lopen. [naam 2] heeft ook verklaard dat hij af en toe met [verwerende partij] bij [locatie] in [plaats 2] heeft afgesproken. De kantonrechter acht het daarom niet ongeloofwaardig dat [verwerende partij] buiten de kantoorlocaties van Stedin alsnog werkzaamheden voor Stedin heeft verricht. Dat neemt echter niet weg dat [verwerende partij] vanwege de vertrouwelijkheid en gevoeligheid van de informatie waarover hij door zijn functie beschikte op grond van het protocol BBA zijn werkzaamheden alleen mocht verrichten op de locaties die in dat protocol zijn genoemd. Dat [verwerende partij] toch op andere locaties is gaan werken kan hem daarom worden verweten, maar maakt niet dat van Stedin in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] te laten voortduren. De door Stedin verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond wordt dan ook afgewezen. Er is wel sprake van een voldragen g-grond 5.8. Uit artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW volgt dat van een redelijke grond sprake is als tussen werkgever en werknemer een zodanig ernstige en duurzame verstoorde arbeidsrelatie bestaat, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de werknemer te laten voortduren. 5.9. De kantonrechter is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de arbeidsrelatie tussen Stedin en [verwerende partij] inmiddels duurzaam en onherstelbaar is verstoord. Daarbij komt dat zowel de leidinggevende van [verwerende partij] als een van de onderzoekers die het integriteitonderzoek naar [verwerende partij] heeft geleid ter zitting hebben aangegeven er daadwerkelijk van te zijn overtuigd dat [verwerende partij] heeft gefraudeerd met zijn werktijden, waardoor een normale terugkeer van [verwerende partij] en een normale uitoefening van zijn functie als medewerker buitendienst BBA niet meer mogelijk is en van beide partijen niet kan worden gevergd. Herplaatsing ligt niet in de rede 5.10. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt herplaatsing van [verwerende partij] binnen een redelijke termijn niet in de rede. Dat komt allereerst door de gespannen arbeidsverhouding tussen partijen. Daarbij komt dat [verwerende partij] een functie vervult waarin Stedin op hem moet kunnen vertrouwen. Dat vertrouwen is er niet bij Stedin en de kantonrechter verwacht ook niet dat dit vertrouwen er binnen redelijke tijd wel komt. Het opzegverbod tijdens ziekte staat niet aan de ontbinding in de weg 5.11. [verwerende partij] beroept zich op het opzegverbod tijdens ziekte.
Volledig
Omdat [verwerende partij] arbeidsongeschikt was op het moment dat Stedin het ontbindingsverzoek deed en dat op dit moment ook nog is, geldt dat het opzegverbod tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:670 BW van toepassing is. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst alsnog kan ontbinden als het verzoek daartoe geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond. De kantonrechter is van oordeel dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan de door Stedin verzochte ontbinding in de weg staat. Stedin heeft haar ontbindingsverzoek namelijk gebaseerd op haar stelling dat sprake is van dagdieverij door [verwerende partij] en niet, zoals [verwerende partij] lijkt te stellen, op wat tijdens het gesprek van 24 december 2024 tussen [naam 1] en [verwerende partij] is voorgevallen. Dat het ontbindingsverzoek verband houdt met de werkgerelateerde stress-, spannings- en angstklachten van [verwerende partij] is niet gebleken. Het opzegverbod vanwege lidmaatschap van de ondernemingsraad staat ook niet aan de ontbinding in de weg 5.12. [verwerende partij] beroept zich ook op het opzegverbod wegens zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad van Stedin. Artikel 7:670 lid 4 BW bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen met de werknemer die lid is van een ondernemingsraad. De kantonrechter kan het verzoek tot ontbinding in dat geval alleen inwilligen indien het verzoek geen verband houdt met het lidmaatschap. Dit volgt uit artikel 7:671b lid 6 BW. De kantonrechter is van oordeel dat dit opzegverbod niet in de weg staat aan de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat gesteld noch gebleken is dat het ontbindingsverzoek van Stedin verband houdt met het lidmaatschap van [verwerende partij] . De arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] wordt ontbonden 5.13. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW zal worden ontbonden per 12 maart 2026. Het verzoekschrift is namelijk bij de griffie binnengekomen op 30 juli 2025 en er geldt een opzegtermijn van vier maanden. Van deze termijn wordt de duur van deze procedure afgetrokken, waarbij er ten minste een maand opzegtermijn moet overblijven. op het tegenverzoek [verwerende partij] heeft recht op een transitievergoeding 5.14. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding is verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten door werknemer. Aan die vereisten is voldaan, zodat de kantonrechter Stedin zal veroordelen om de wettelijke transitievergoeding aan [verwerende partij] te betalen. [verwerende partij] heeft geen recht op een billijke vergoeding 5.15. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9 sub c BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als de werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. 5.16. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verwerende partij] een billijke vergoeding toe te kennen. Zoals hiervoor is overwogen, valt [verwerende partij] zelf ook enig verwijt te maken van zijn handelen. [verwerende partij] had eerder openheid van zaken moeten geven aan Stedin. Zijn uitleg is echter niet tijdig en volledig gekomen. Onder die omstandigheden acht de kantonrechter het niet onbegrijpelijk dat Stedin, ook tijdens ziekte van [verwerende partij] , een integriteitsonderzoek naar [verwerende partij] is gestart, de toegang van [verwerende partij] tot collega’s en systemen heeft geblokkeerd, een ontbindingsverzoek heeft ingediend en in haar verzoekschrift de termen “fraude” en “dagdieverij” heeft gebruikt. De kantonrechter vindt dit niet ernstig verwijtbaar. Omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft Stedin niet de gelegenheid te krijgen om het ontbindingsverzoek in te trekken. op beide verzoeken De proceskosten worden gecompenseerd 5.17. De kantonrechter zal bepalen dat Stedin en [verwerende partij] ieder hun eigen proceskosten betalen, omdat beide partijen op punten (on)gelijk krijgen en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen. 6 De beslissing De kantonrechter op het verzoek 6.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 12 maart 2026, op het tegenverzoek 6.2. veroordeelt Stedin om aan [verwerende partij] de per 12 maart 2026 verschenen transitievergoeding te betalen, 6.3. verklaart deze beschikking voor wat betreft de onder 6.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad, 6.4. wijst het meer of anders verzochte af, op beide verzoeken 6.5. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. B.C. Vink en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.