Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-02
ECLI:NL:RBDHA:2026:3841
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,909 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:3841 text/xml public 2026-03-06T15:11:14 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-02 NL25.54569 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3841 text/html public 2026-03-06T15:10:44 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3841 Rechtbank Den Haag , 02-02-2026 / NL25.54569 voorlopige voorziening hangende bezwaar - intrekking verblijfsvergunning met zwaar inreisverbod en SIS-signalering -bezwaar geen redelijke kans van slagen - verzoek afgewezen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54569 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. J. Hemelaar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Boheemen). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod en de signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS). 1.1. Verweerder heeft dit besluit genomen op 29 oktober 2025. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2. Bij schrijven van 13 januari 2026 heeft verweerder aangegeven zich te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en is op [geboortedatum] 1992 in Nederland geboren. Verweerder heeft verzoekers reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 juni 2021 en hem een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht opgelegd. Verweerder heeft met hetzelfde besluit aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd en eiser voor tien jaar gesignaleerd in het SIS. Verweerder baseert het besluit erop dat verzoeker regelmatig in aanraking is gekomen met de politie en herhaaldelijk voor misdrijven is veroordeeld. Wat vindt verzoeker? 3. Verzoeker verzoekt een voorlopige voorziening met als strekking dat hij niet uitgezet mag worden terwijl het bezwaar loopt, dat de werking van het terugkeerbesluit en inreisverbod tot die tijd wordt geschorst en dat hij wordt behandeld alsof hij rechtmatig verblijf heeft. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 5. Wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 6. Nu in het primaire besluit staat dat verzoeker de uitkomst van zijn bezwaarprocedure niet in Nederland mag afwachten, verweerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek en in het licht van wat op zitting is besproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. 7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij het schorsen daarvan. 7.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering op goede gronden opgelegd. Gelet op de artikelen 3.86 en 3.98 van het Vreemdelingenbesluit 2000 mocht verweerder bij deze verblijfsduur en deze optelling van strafbare feiten komen tot een intrekking van de verblijfsvergunning, zoals gemotiveerd in het besluit. Met betrekking tot het onmiddellijke vertrek heeft verweerder juiste toepassing gegeven aan paragraaf A3/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en de duur van het inreisverbod is onderbouwd met verwijzingen naar artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 6.5a, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000. 7.2. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat verzoeker door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft bij deze beoordeling het tijdsverloop sinds het laatste misdrijf voldoende meegewogen. Hij mocht er echter op wijzen dat verzoeker herhaaldelijk is veroordeeld voor ernstige feiten en dat niet uit objectieve gegevens is gebleken dat verzoekers normbesef zodanig is verbeterd dat niet meer voor een nieuw misdrijf hoeft te worden gevreesd. Het betoog van verzoeker dat verweerder te weinig waarde heeft gehecht aan de gedragsverandering die hij heeft laten zien, heeft daarom weinig kans van slagen. Voor zover verzoeker in de bezwaargronden heeft aangevoerd dat hij niet wist dat het slachtoffer van de door hem gepleegde ontucht minderjarig was, wat daar verder ook van zij, wijst de voorzieningenrechter erop dat reeds in het strafrechtelijke vonnis is geoordeeld dat dit niet af kan doen aan de strafbaarheid van eiser. Ook de verwijzing van verzoeker naar Werkinstructie 2026/1 van verweerder doet aan het voorgaande niet af. Uit de besluitvorming volgt namelijk dat verweerder de verschillende belangen heeft betrokken die in de werkinstructie zijn genoemd, waaronder de banden van verzoeker met Nederland en Marokko, zijn gezinssituatie en de duur van zijn verblijf in Nederland. 7.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar dan ook geen redelijke kans van slagen. 7.4. Ook de mogelijkheid dat verzoeker moet worden gehoord in de bezwaarprocedure, leidt niet tot een andere conclusie. Verweerder heeft er in dat kader op mogen wijzen dat eiser op afstand kan worden gehoord en dat zijn vertrek naar Marokko niet onomkeerbaar zou zijn. Conclusie en gevolgen 8. De voorzieningenrechter begrijpt dat het verzoeker zwaar valt om Nederland te moeten verlaten en dat hij moeite heeft met de onzekerheid die deze procedure met zich meebrengt. Verweerder heeft echter in het licht van de regelgeving waaraan hij zich moet houden en waaraan de rechtbank moet toetsen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen bepalen dat verzoeker Nederland dient te verlaten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat verzoeker de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten. 9. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.