Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:3805
Civiel recht
Kort geding
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3805 text/xml public 2026-03-06T10:45:37 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-26 C/09/698034 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3805 text/html public 2026-03-06T10:45:20 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3805 Rechtbank Den Haag , 26-02-2026 / C/09/698034 Kort geding. Inzagevordering afgewezen. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/698034 / KG ZA 26-59 Vonnis in kort geding van 26 februari 2026 in de zaak van [de man] te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: de man, advocaat mr. R.A. van den Heuvel, tegen: [de vrouw] te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J. Todorov. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 14; - de conclusie van antwoord met productie 1; - de op 12 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2019 te [plaats] . Zij zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. 2.2. Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure onder zaaknummer C/09/693012 aanhangig. De vrouw heeft een verzoekschrift ingediend en vervolgens aangevuld en de man heeft een verweerschrift ingediend met zelfstandige verzoeken. Daartegen kan de vrouw tot 18 februari 2026 verweer voeren. In de echtscheidingsprocedure liggen naast de echtscheiding verzoeken voor ten aanzien van de afwikkeling van de beperkte huwelijksgemeenschap en de kinder- en partneralimentatie. 2.3. Bij beschikking van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure de volgende voorlopige voorzieningen tussen partijen getroffen: bepaalt als voorlopige zorgregeling voor de minderjarigen dat zij bij de man zijn: - in de ene week van maandag na school tot woensdagochtend; - in de andere week van vrijdag na school tot woensdagochtend; bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] : - voor zes maanden na heden gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn; - vanaf zes maanden na heden, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] voor zes maanden na heden gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 augustus 2025, voorlopig een kinderalimentatie voor van € 579,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 2.4. Sinds september 2025 heeft (de advocaat van) de man (de advocaat van) de vrouw diverse malen verzocht om bankafschriften van haar betaal- en spaarrekeningen en salarisstroken over 2024 en 2025 te overleggen. De vrouw heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure haar salarisstroken van juli, augustus en september 2025 overgelegd. Op 2 december 2025 heeft de vrouw in de echtscheidingsprocedure een afschrift van haar bank- en spaarrekening met het saldo per peildatum (13 oktober 2025) overgelegd. Voor het overige heeft de vrouw aangegeven dat zij geen reden ziet om de verzochte stukken te overleggen. 2.5. Bij e-mail van 6 januari 2026 heeft de man de vrouw (voor de laatste maal) verzocht om inzage te geven in de bankafschriften van haar betaalrekening en spaarrekeningen van januari 2024 tot en met heden en haar salarisstroken van januari tot en met december 2025 en heeft hij aangekondigd een kort geding te starten als zij deze niet voor 12 januari 20256 overlegt. 3 Het geschil 3.1. De man vordert dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de vrouw inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van haar betaalrekening, alsmede vier spaarrekeningen voor de periode van 1 januari 2024 tot en met heden, alsmede de loonstroken van het jaar 2025 en de vrouw veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten. 3.2. Daartoe voert de man – samengevat – aan dat hij (spoedeisend) belang heeft bij de verzochte financiële stukken omdat dit inzicht geeft in de inkomsten en uitgaven van de vrouw en de man daarmee zijn rechtspositie wil bepalen en onderbouwen in de echtscheidingsprocedure ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en de kinder- en partneralimentatie. 3.3. De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Op grond van artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een partij die daarbij voldoende belang heeft, de rechter verzoeken de wederpartij bij een rechtsbetrekking te bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover die wederpartij beschikt, tenzij diegene een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Uit artikel 284 lid 1 Rv volgt dat dit verzoek ook in een verzoekschriftprocedure (zoals de echtscheidingsprocedure) kan worden gedaan. 4.2. De man stelt dat van hem niet gevergd kan worden dat hij afwacht of de vrouw de stukken in de echtscheidingsprocedure overlegt of daartoe door de rechtbank wordt bevolen, omdat hij nu wil kunnen bepalen wat zijn rechten en financiële mogelijkheden zijn en daar op wil kunnen anticiperen. Op 10 april 2026 eindigt de regeling waarbij partijen om de beurt in de gezamenlijke woning voor de kinderen zorgen (‘ birdnesting’) die de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening heeft vastgesteld en zal de man de echtelijke woning moeten verlaten. De man heeft aangevoerd dat hij geen geschikte andere woonruimte heeft waar hij met de kinderen kan verblijven, waardoor hij vreest dat hij de kinderen dan niet meer zal zien. In dat licht acht de man het noodzakelijk om nu duidelijkheid te krijgen over de vraag of de vrouw in staat zal zijn om de woning over te nemen, wat zijn financiële positie zal zijn na de verdeling en vaststelling van de definitieve alimentatie en wat zijn financiële ruimte zal zijn om de woning over te nemen of een andere woning te financieren. De man wil inzage in de bankafschriften van de betaal- en spaarrekeningen van de vrouw om te zien of zij geld aan de gemeenschap heeft onttrokken en om de hoogte van de te verdelen saldi te bepalen. Ook zou dit hem inzicht geven in hoeveel de vrouw heeft bijgedragen aan de lasten van de woning en of haar moeder bijdraagt in de kosten. Deze informatie – evenals die uit de loonstroken van de vrouw van het jaar 2025 – is volgens de man van belang voor het berekenen van de aanvullende behoefte van de vrouw en om te kunnen bepalen of zij financieel in staat is om de echtelijke woning over te nemen. 4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering in kort geding sprake moet zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit hetgeen de man heeft aangevoerd volgt niet dat hij door het afwachten van de in de echtscheidingsprocedure mogelijk nog te nemen beslissingen over door de vrouw te verstrekken gegevens zodanig in zijn belangen wordt geschaad dat een onmiddellijke voorziening vereist is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man zo snel mogelijk zicht wil hebben op zijn financiële mogelijkheden en op de kans van slagen van door hem of door de vrouw in te nemen stellingen over hun financiële mogelijkheden, maar dat maakt niet dat hij nu op voorhand, buiten de echtscheidingsprocedure om, inzage moet krijgen in de door hem gewenste gegevens van de vrouw. De voorzieningenrechter zal de vordering dan ook afwijzen. 4.4. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat niet valt in te zien dat met de gevorderde inzage veel aan de huidige onzekere situatie zal veranderen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3805 text/xml public 2026-04-30T11:00:54 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-26 C/09/698034 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl EB 2026/48 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3805 text/html public 2026-03-06T10:45:20 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3805 Rechtbank Den Haag , 26-02-2026 / C/09/698034 Kort geding. Inzagevordering afgewezen. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/698034 / KG ZA 26-59 Vonnis in kort geding van 26 februari 2026 in de zaak van [de man] te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: de man, advocaat mr. R.A. van den Heuvel, tegen: [de vrouw] te [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J. Todorov. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 14; - de conclusie van antwoord met productie 1; - de op 12 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2019 te [plaats] . Zij zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. 2.2. Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure onder zaaknummer C/09/693012 aanhangig. De vrouw heeft een verzoekschrift ingediend en vervolgens aangevuld en de man heeft een verweerschrift ingediend met zelfstandige verzoeken. Daartegen kan de vrouw tot 18 februari 2026 verweer voeren. In de echtscheidingsprocedure liggen naast de echtscheiding verzoeken voor ten aanzien van de afwikkeling van de beperkte huwelijksgemeenschap en de kinder- en partneralimentatie. 2.3. Bij beschikking van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure de volgende voorlopige voorzieningen tussen partijen getroffen: bepaalt als voorlopige zorgregeling voor de minderjarigen dat zij bij de man zijn: - in de ene week van maandag na school tot woensdagochtend; - in de andere week van vrijdag na school tot woensdagochtend; bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] : - voor zes maanden na heden gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn; - vanaf zes maanden na heden, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] voor zes maanden na heden gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 augustus 2025, voorlopig een kinderalimentatie voor van € 579,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 2.4. Sinds september 2025 heeft (de advocaat van) de man (de advocaat van) de vrouw diverse malen verzocht om bankafschriften van haar betaal- en spaarrekeningen en salarisstroken over 2024 en 2025 te overleggen. De vrouw heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure haar salarisstroken van juli, augustus en september 2025 overgelegd. Op 2 december 2025 heeft de vrouw in de echtscheidingsprocedure een afschrift van haar bank- en spaarrekening met het saldo per peildatum (13 oktober 2025) overgelegd. Voor het overige heeft de vrouw aangegeven dat zij geen reden ziet om de verzochte stukken te overleggen. 2.5. Bij e-mail van 6 januari 2026 heeft de man de vrouw (voor de laatste maal) verzocht om inzage te geven in de bankafschriften van haar betaalrekening en spaarrekeningen van januari 2024 tot en met heden en haar salarisstroken van januari tot en met december 2025 en heeft hij aangekondigd een kort geding te starten als zij deze niet voor 12 januari 20256 overlegt. 3 Het geschil 3.1. De man vordert dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de vrouw inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van haar betaalrekening, alsmede vier spaarrekeningen voor de periode van 1 januari 2024 tot en met heden, alsmede de loonstroken van het jaar 2025 en de vrouw veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten. 3.2. Daartoe voert de man – samengevat – aan dat hij (spoedeisend) belang heeft bij de verzochte financiële stukken omdat dit inzicht geeft in de inkomsten en uitgaven van de vrouw en de man daarmee zijn rechtspositie wil bepalen en onderbouwen in de echtscheidingsprocedure ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en de kinder- en partneralimentatie. 3.3. De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Op grond van artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een partij die daarbij voldoende belang heeft, de rechter verzoeken de wederpartij bij een rechtsbetrekking te bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover die wederpartij beschikt, tenzij diegene een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Uit artikel 284 lid 1 Rv volgt dat dit verzoek ook in een verzoekschriftprocedure (zoals de echtscheidingsprocedure) kan worden gedaan. 4.2. De man stelt dat van hem niet gevergd kan worden dat hij afwacht of de vrouw de stukken in de echtscheidingsprocedure overlegt of daartoe door de rechtbank wordt bevolen, omdat hij nu wil kunnen bepalen wat zijn rechten en financiële mogelijkheden zijn en daar op wil kunnen anticiperen. Op 10 april 2026 eindigt de regeling waarbij partijen om de beurt in de gezamenlijke woning voor de kinderen zorgen (‘ birdnesting’) die de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening heeft vastgesteld en zal de man de echtelijke woning moeten verlaten. De man heeft aangevoerd dat hij geen geschikte andere woonruimte heeft waar hij met de kinderen kan verblijven, waardoor hij vreest dat hij de kinderen dan niet meer zal zien. In dat licht acht de man het noodzakelijk om nu duidelijkheid te krijgen over de vraag of de vrouw in staat zal zijn om de woning over te nemen, wat zijn financiële positie zal zijn na de verdeling en vaststelling van de definitieve alimentatie en wat zijn financiële ruimte zal zijn om de woning over te nemen of een andere woning te financieren. De man wil inzage in de bankafschriften van de betaal- en spaarrekeningen van de vrouw om te zien of zij geld aan de gemeenschap heeft onttrokken en om de hoogte van de te verdelen saldi te bepalen. Ook zou dit hem inzicht geven in hoeveel de vrouw heeft bijgedragen aan de lasten van de woning en of haar moeder bijdraagt in de kosten. Deze informatie – evenals die uit de loonstroken van de vrouw van het jaar 2025 – is volgens de man van belang voor het berekenen van de aanvullende behoefte van de vrouw en om te kunnen bepalen of zij financieel in staat is om de echtelijke woning over te nemen. 4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering in kort geding sprake moet zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit hetgeen de man heeft aangevoerd volgt niet dat hij door het afwachten van de in de echtscheidingsprocedure mogelijk nog te nemen beslissingen over door de vrouw te verstrekken gegevens zodanig in zijn belangen wordt geschaad dat een onmiddellijke voorziening vereist is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man zo snel mogelijk zicht wil hebben op zijn financiële mogelijkheden en op de kans van slagen van door hem of door de vrouw in te nemen stellingen over hun financiële mogelijkheden, maar dat maakt niet dat hij nu op voorhand, buiten de echtscheidingsprocedure om, inzage moet krijgen in de door hem gewenste gegevens van de vrouw. De voorzieningenrechter zal de vordering dan ook afwijzen. 4.4. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat niet valt in te zien dat met de gevorderde inzage veel aan de huidige onzekere situatie zal veranderen.