Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:3728
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/119 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen LSL Logistics B.V.B.A., gevestigd te Arendonk (België), eiseres, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. M. Leegsma). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde bestuurlijke boetes. 1.1. Verweerder heeft met het besluit van 12 oktober 2023 (het boetebesluit) aan eiseres bestuurlijke boetes opgelegd. Met het besluit van 24 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft verweerder het boetebesluit gedeeltelijk herroepen. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De (toenmalige) gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 27 november 2025 bericht dat hij heeft begrepen dat eiseres sinds 25 november 2025 in staat van faillissement verkeert. Hij heeft medegedeeld dat hij eiseres niet langer bijstaat, maar dat het beroep wordt gehandhaafd. De rechtbank stelt vast dat een faillissement van eiseres dat is ingegaan op 25 november 2025 geen gevolgen heeft voor de behandeling van de procedure, omdat eiseres op dat moment al was uitgenodigd voor de behandeling ter zitting en het beroep betrekking heeft op een bestuurlijke boete . 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van verweerder deelgenomen, samen met twee inspecteurs, [naam 1] en [naam 2] . Eiseres is niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres is een intermediaire onderneming die mest vervoert. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft vastgesteld dat zij niet heeft voldaan aan een aantal verplichtingen van de Meststoffenwet (Msw). Er is fosfaatkunstmeststof aan dierlijke meststoffen toegevoegd. Verweerder heeft daarom aan eiseres boetes opgelegd van in totaal € 39.023,-. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boetes lager vastgesteld op een totaalbedrag van € 12.315,60. De boetes hebben betrekking op 12 vrachten die namens eiseres zijn vervoerd op 16, 17, 18 en 25 juni 2021 (vrachten 10 t/m 18 en 23 t/m 25). Het betreft een boete van € 6.375,60 in verband met de verantwoordingsplicht (feitcode M740), een boete van € 270,- voor het niet naar waarheid aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte relatiegegevens (feitcode M153), een boete van € 2.430,- voor het elektronisch indienen van een onjuist vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM) door de vervoerder (feitcode M311), een boete van € 2.430,- voor het niet of niet op juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen, niet zijnde mineralenconcentraat, door middel van analyse van het monster door een laboratorium (feitcode M502) en een boete van € 810,- voor het niet of niet op juiste wijze vastleggen van vervoersgegevens met behulp van apparatuur voor automatische gegevensregistratie (AGR) of satellietvolgapparatuur(GPS) door de vervoerder (feitcode M259). Wat zijn de regels? 3. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Wat vindt eiseres in beroep? 4. Eiseres voert aan dat zij geen overtredingen heeft begaan. Zij heeft voldaan aan de verantwoordingsplicht. Zij heeft de mest geladen, bemonsterd en vervoerd. Verweerder heeft niet vastgesteld dat zij andere mest heeft geladen dan de mest die is bemonsterd en dat er sprake zou zijn van manipulatie van mestmonsters door de vervoerder. Er zijn geen getuigen en er zijn geen feitelijke vaststellingen gedaan. Dat de geanalyseerde mest van vrachten 10 t/m18 kunstmest zou bevatten, zegt niets over manipulatie van monsters of over de handelingen van de vervoerder. Het is mogelijk dat de kunstmest al aanwezig was voor het nemen van het monster. Dat Er is een mede tot intermediairs gericht gebod opgenomen, op grond waarvan intermediairs te allen tijde moeten kunnen verantwoorden dat en naar wie de door hen aangevoerde dierlijke meststoffen, die niet in opslag zijn genomen, zijn afgevoerd. Dat neemt niet weg dat verweerder, indien hij ter zake een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden moet aantonen dat de vennootschap de overtreding – het niet naleven van de verantwoordingsplicht – heeft begaan. 6. In de periode van 16 juni tot en met 18 juni 2021 heeft eiseres als vervoerder negen vrachten (10 t/m 18) afgevoerd vanuit de opslagen van één bedrijf naar een ander bedrijf met in totaal 309,38 ton dierlijke mest (een mengsel van verschillende mestsoorten). Daarnaast heeft eiseres middels het elektronisch indienen van VDM-gegevens aangegeven op 25 juni 2021 drie vrachten (23 t/m 25) dierlijke mest (in totaal 46,54 ton) vervoerd te hebben van een opslag van een bedrijf naar een andere opslag van dat bedrijf. Dit betrof volgens de elektronisch ingediende VDM-gegevens ook een mengsel van verschillende mestsoorten. 7. Uit het NVWA-rapport met nummer 138642 en het onderliggend NVWA-rapport met nummer 134901 blijkt dat de drie restmonsters van de mengmonsters van de vrachten 10 t/m 18 fosfaathoudende kunstmeststof(fen) bevatten. Verweerder heeft daarom geconcludeerd dat er sprake is van manipulatie van de mestmonsters. Daarnaast is volgens verweerder uit de genoemde NVWA-rapporten gebleken dat eiseres ten aanzien van de vrachten 23 t/m 25 VDM gegevens elektronisch heeft doorgegeven aan verweerder, die niet worden ondersteund door andere gegevens, te weten laad- en losberichten en het gebruikte transportmiddel in samenhang met de samenstelling van de volgens eiseres vervoerde mest. Hierdoor kan eiseres het aantal kilogrammen fosfaat niet administratief verantwoorden. 8. Het WFSR heeft met de 'fingerprint methode' vastgesteld dat de drie restmonsters van de mengmonsters van de vrachten 10 t/m 18 fosfaathoudende kunstmeststof(fen) bevatten. Daarbij wordt gekeken naar de gehalten van zeven sporenelementen. Een overschrijding van ten minste één sporenelement is indicatief voor de aanwezigheid van kunstmeststoffen. Bij een overschrijding van de grenzen bij twee/drie/vier/vijf/zes/zeven van de sporenelementen kan met zekerheid gesteld worden dat er fosfaathoudende kunstmeststof(fen) in het monster aanwezig zijn. Bij de drie restmonsters zijn de grenswaarden van zeven van de zeven sporenelementen overschreden. Fosfaatkunstmeststof is geen natuurlijk onderdeel van dierlijke meststoffen. Dat wil zeggen dat er aan de dierlijke meststoffen fosfaatkunstmeststof is toegevoegd. 9. De rechtbank stelt voorop dat verweerder mag uitgaan van de door WFSR gehanteerde onderzoeksmethode en de daaruit getrokken conclusies . Dat de onderzoeksmethode van WFSR niet openbaar is betekent niet dat sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM. Eiseres heeft niet aangevoerd waarom volgens haar getwijfeld moet worden aan de deugdelijkheid van deze onderzoeksmethode. Eiseres had bovendien de conclusies van WFSR kunnen weerleggen door een tegenonderzoek te (laten) uitvoeren zonder de wetenschappelijke onderbouwing achter de onderzoeksmethode te kennen, en dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de fingerprintmethode een deugdelijke manier is om fosfaatkunstmest in mestmonsters aan te tonen. Van strijd met de onschuldpresumptie is geen sprake. 10. Nu ervan uit moet worden gegaan dat fosfaatkunstmeststof is toegevoegd aan de dierlijke meststoffen, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de mestmonsters zijn gemanipuleerd. Eiseres kan zodoende niet verantwoorden hoeveel kilogrammen fosfaat op haar onderneming (vervoersmiddelen) zijn vervoerd. Eiseres is verantwoordelijk voor het proces van monsterneming bij drijfmest en vaste mest, het bewaren van het mestmonster en het toesturen van het mestmonster aan een erkend labo Verweerder heeft het forfait toegepast , omdat de geanalyseerde fosfaatgehalten van de aangeleverde mengmonsters voor de negen vrachten 10 t/m 18 niet bruikbaar zijn. 15. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3 van de Msw blijkt dat in het eerste lid een zogeheten fraus legis-bepaling is opgenomen. Deze bepaling dient om evidente schijnconstructies ter ontduiking van de wet tegen te kunnen gaan (Kamerstukken II 1995/96, 24 782, nr. 3, p. 45). Gelet op de bewoordingen van artikel 3, eerste lid, van de Msw en de hiervoor geschetste bedoelingen van de wetgever, moet toepassing van dat artikellid allereerst leiden tot een vaststelling welke handelingen de schijnconstructie maken. Vervolgens moet, als die schijnconstructie wordt weggedacht, worden vastgesteld wat de werkelijke situatie is. Tot slot moet de meststoffenregelgeving op die werkelijkheid wordt toegepast. 16. Het staat vast dat de uit de vrachten 10 t/m 18 genomen monsters, voor het inzenden aan het laboratorium, zijn gemanipuleerd door het toevoegen van fosfaatkunstmest. Hiermee is voldoende vast komen te staan dat sprake is geweest van een schijnconstructie. Verweerder heeft daarom terecht de gemanipuleerde geanalyseerde gehalten buiten beschouwing gelaten en het forfait toegepast. Verweerder mocht daarom uitgaan van zijn berekening dat de vrachten 10 t/m 18 van in totaal 309,38 ton in totaal 564 kg fosfaat zouden moeten hebben bevat. 17. Verweerder heeft voor de vrachten 23 t/m 25 eveneens het forfait toegepast, omdat – kort gezegd – hoe dan ook de koppeling ontbreekt tussen de VDM-gegevens en de analyseuitslagen van de monsters, omdat er geen gebruik is gemaakt van AGR-apparatuur. Hiertegen is eiseres niet opgekomen in beroep. Artikel 77, eerste en tweede lid, van de Urm (feitcode M502) 18. Eiseres moet op grond van artikel 77, eerste lid, van de Urm het fosfaatgehalte in de aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen (laten) vaststellen door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster. Verweerder stelt terecht dat fosfaatkunstmeststof geen natuurlijk onderdeel van dierlijke meststoffen is en dat daarom vast staat dat eiseres te hoge gemanipuleerde gehalten heeft geregistreerd. Dat betekent dat eiseres als vervoerder niet op de juiste wijze het fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde vrachten 10 t/m 18 heeft laten bepalen. Daarmee heeft zij negen keer artikel 77, eerste lid, van de Urm overtreden. Ook in de door verweerder genoemde uitspraak van het College van 23 januari 2024 is overwogen dat met de constatering dat mestmonsters zijn gemanipuleerd, vaststaat dat het fosfaat- en stikstofgehalte van mestmonsters niet op de juiste manier is bepaald. 19. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij de monsters niet heeft gemanipuleerd wijst de rechtbank op hetgeen zij met betrekking tot de verwijtbaarheid heeft overwogen onder 13. Verweerder was bevoegd om eiseres ook voor overtreding van artikel 77, eerste lid, van de Urm een boete op te leggen. Artikel 64, tweede lid en artikel 124, eerste lid van de Urm (feitcode M311) 20. Als vervoerder is eiseres op grond van artikel 64, tweede lid van de Urm verplicht om de op basis van de analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen elektronisch door te geven aan RVO . Op grond van artikel 124, eerste lid, van de Urm heeft eiseres de verplichting om deze gegevens volledig en naar waarheid te verstrekken. Aangezien aan de monsters van de vrachten mest 10 t/m 18 fosfaatkunstmeststof(fen) zijn toegevoegd, zijn de monsters niet meer representatief voor de vrachten 10 t/m 18 en heeft eiseres negen keer onjuiste gegevens doorgegeven . Daarmee heeft zij artikel 64, tweede lid en artikel 124, eerste lid van de Urm overtreden. 21. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij de monsters niet heeft gemanipuleerd wijst de rechtbank op hetgeen zij met betrekking tot de verwijtbaarheid heeft overwogen onder 13. Verweerder was bevoegd om eiseres ook voor overtreding van artikel 64, tweede Eiseres krijgt wel het door haar betaalde griffierecht terug. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft; - herroept het boetebesluit voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt de boete vast op € 11.699,82; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, voorzitter, en mr. C.W. Griffioen en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Meststoffenwet (zoals deze luidde ten tijde van belang) Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] d. meststoffen: dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming, en producten die zijn bestemd om [...]: e. verhandelen van meststoffen: afleveren van meststoffen aan handelaren in of gebruikers van meststoffen alsmede het met het oog daarop voorhanden of in voorraad hebben, aanbieden of vervoeren van meststoffen; […]. Artikel 3 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan, op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden, moet worden aangenomen dat zij achterwege zouden zijn gebleven, indien daarmee niet de toepassing van deze wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt. […]. Artikel 14 1. Degene die dierlijke meststoffen produceert of verhandelt kan steeds verantwoorden dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd. 2. De verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen en betreft mede de afnemers waarnaar de meststoffen zijn afgevoerd. […] 4 Voor de toepassing van het eerste lid wordt op de geproduceerde of aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen in mindering gebracht de hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat deze op het eigen bedrijf of in het kader van de eigen onderneming is gebruikt of opgeslagen. Artikel 35 […] 3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur kunnen mede regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de hoeveelheid in voorraad gehouden, aangevoerde, afgevoerde of verhandelde meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof of fosfaat, wordt bepaald op basis van bij of krachtens de maatregel vastgestelde forfaitaire omrekennormen, onderscheiden naar mestvorm, diersoort, diercategorie en bedrijfssysteem en uitgedrukt in kilogrammen stikstof, onderscheidenlijk fosfaat, per gewichts- of volume-eenheid. […]. Artikel 36 1. De bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3 de hoeveelheden meststoffen die bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of door een andere intermediair op het moment van overdracht aanwezig is in de desbetreffende opslagruimte. 3. Indien op een onderneming dierlijke meststoffen worden behandeld, bevat de administratie tevens gegevens over: a. de methode van behandeling; b. de hoeveelheid behandelde dierlijke meststoffen; c. de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen; en d. de hoeveelheid en de samenstelling van de eindproducten van de behandeling. 4. Artikel 34 is op de administratie, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing. 5. De intermediair bewaart de mestverwerkingsovereenkomsten als onderdeel van zijn administratie. Artikel 52 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: a.de gevallen waarin en voorwaarden waaronder de artikelen 48 en 49 geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn; b.de wijze waarop de apparatuur, bedoeld in artikel 49, is bevestigd; c.de eisen waaraan de apparatuur voor automatische gegevensregistratie, bedoeld in artikel 49, tweede lid, en de satellietvolgapparatuur, bedoeld in artikel 49, derde lid, moeten voldoen, waaronder de eis dat de apparatuur behoort tot een type dat is gekeurd door een door Onze Minister aangewezen instelling; d.de gegevens die met de in onderdeel c bedoelde apparatuur moeten worden vastgelegd en de wijze waarop die gegevens moeten worden vastgelegd, bewaard en verstrekt; en e.de wijze waarop en de termijn waarbinnen de mededeling, bedoeld in artikel 51, wordt gedaan, alsmede de gegevens die de mededeling ten minste bevat of de bescheiden waarvan de mededeling vergezeld gaat. 2. De krachtens het eerste lid te stellen regels kunnen voor de in de regeling te onderscheiden mestsoorten en de beoogde bestemming van de meststoffen verschillend worden vastgesteld. Artikel 53 1. Terzake van het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen wordt door de leverancier, de vervoerder en de afnemer gezamenlijk een vervoersbewijs opgemaakt. 2. De leverancier en de afnemer dragen er ieder voor zijn deel, en de vervoerder voor het geheel, zorg voor dat het vervoersbewijs overeenkomstig de krachtens artikel 54 gestelde regels volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend. 3. Het vervoersbewijs wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en bevat in ieder geval gegevens over: a. de leverancier, de vervoerder en de afnemer; b. het tijdstip en de locatie van laden en lossen; c. de hoeveelheid meststoffen; en d. het soort meststoffen. 4. De gegevens op het vervoersbewijs worden niet gewijzigd of onleesbaar gemaakt. 5. Terzake van de ondertekening van het vervoersbewijs kunnen de leverancier, de vervoerder en de afnemer elkaar niet machtigen. 6. De op het vervoersbewijs ingevulde gegevens worden op elektronische wijze bij Onze Minister ingediend. 7. De vervoerder bewaart het vervoersbewijs en de leverancier en de afnemer bewaren een afschrift van het vervoersbewijs als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel, 39onderscheidenlijk artikel 32. Artikel 54 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: a.de overige op het vervoersbewijs te vermelden gegevens; b.de wijze en het tijdstip waarop het vervoersbewijs door de leverancier, de vervoerder en de afnemer wordt opgemaakt en ondertekend; c.de overige ter zake van een vracht dierlijke meststoffen te verstrekken gegevens; d.de wijze en het tijdstip waarop de op het vervoersbewijs ingevulde gegevens alsmede de gegevens, bedoeld in onderdeel c, worden ingediend; en e.de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder artikel 53 geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. Artikel 68 1. De op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde hoeveelheid meststoffen, de van een bedrijf of onderneming afgevoerde hoeveelheid meststoffen en de binnen een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhande het verschil in gewicht tussen de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig procent. 3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 81. Artikel 78 De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder en geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel A, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken. Artikel 78a 1. De bemonstering van een vracht vaste mest geschiedt door de vervoerder. 2. In afwijking van het eerste lid, geschiedt de bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door een monsternemende organisatie op verzoek van de leverancier of de vervoerder. 3. Indien de vaste mest, bedoeld in het eerste of tweede lid, bestemd is om buiten Nederland te worden gebracht, geschiedt de bemonstering van de vracht vaste mest tijdens het laden van het transportmiddel. 4. Indien de vracht vaste mest, bedoeld in het eerste of tweede lid, binnen Nederland is gebracht, geschiedt de bemonstering tijdens het lossen van het transportmiddel. Artikel 79 1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B. De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in bijlage E, onderdeel C, en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken. 2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B. 3. In afwijking van het tweede lid, wordt een uit een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, genomen monster door de monsternemende organisatie verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan bijlage E, onderdeel B. Artikel 80 1. Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 78, stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a. 2. Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 78a, eerste lid, stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in artikel 80a. 3. De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, bewaart de monsters totdat zij aan het erkend laboratorium, bedoeld in artikel 80a, worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren. 4. Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 78a, tweede lid, stuurt de monsternemende organisatie het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in artikel 80a. 5. Ingeval van bemonstering, bedoeld in artikel 78a, tweede lid, bewaart de monsternemende organisatie de monsters totdat zij aan een erken