Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:3705
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,949 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:3705 text/xml public 2026-02-26T14:00:10 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-24 NL24.38741 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3705 text/html public 2026-02-25T11:33:54 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3705 Rechtbank Den Haag , 24-02-2026 / NL24.38741 Asiel. Einduitspraak na tussenuitspraak. Motivering van het inreisverbod. Gevolgen van overlevering. Beroep gedeeltelijk gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38741 einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de Minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann). Procesverloop In het besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op een zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten. In de tussenuitspraak van 24 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:801, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken en met inachtneming van de tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Verweerder heeft meegedeeld van deze mogelijkheid gebruik te zullen maken. Op 25 februari 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit uitgebracht en nadere stukken aan het dossier toegevoegd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede op het aanvullend besluit betrekking. Eiser heeft schriftelijk zijn zienswijze op het aanvullend besluit gegeven. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb einduitspraak zonder een tweede zitting te houden. Overwegingen 1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. 2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c en j van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in geschil is. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat het inreisverbod eiser er niet van weerhoudt om gezinsleven met zijn kind in het Verenigd Koninkrijk te onderhouden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende gemotiveerd en met inachtneming van eisers zienswijze heeft overwogen dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is voor de openbare orde. 3. De rechtbank heeft echter ook geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of er aanleiding bestaat om een inreisverbod achterwege te laten of de duur daarvan te beperken zoals bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw. Verweerder heeft zich namelijk niet uitgelaten over de mogelijke overlevering van eiser aan Duitsland. Terugkeer naar het land van herkomst zou daardoor feitelijk niet mogelijk zijn, zodat de vraag naar de evenredigheid van het inreisverbod rijst. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar eisers strafrechtelijke antecedenten, maar daarvan geen overzicht opgenomen. Daarom heeft de rechtbank verweerder in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om het zorgvuldigheidsgebrek en het motiveringsgebrek te herstellen door recente justitiële documentatie van eiser te overleggen, door zich uit te laten over de vraag of eiser al dan niet wordt overgeleverd aan Duitsland, en zo ja door nader te motiveren waarom een inreisverbod voor de duur van tien jaren ook in dat geval evenredig is. 4. In het aanvullend besluit deelt verweerder mee dat eiser op 16 oktober 2024 is overgeleverd aan Duitsland. Dit besluit gaat gepaard gaat met een uittreksel uit eisers justitiële documentatie van 26 november 2024 en met stukken uit Noorwegen waaruit volgens verweerder blijkt dat eiser daar in 2012 is veroordeeld voor een drugsdelict. Verweerder licht toe waarom hij vindt dat de strafrechtelijke vervolging van eiser in Duitsland niet maakt dat het inreisverbod voor de duur van tien jaren onevenredig is. 5. Eiser voert in zijn zienswijze op het aanvullend besluit aan dat een zwaar inreisverbod pas kan worden uitgevaardigd als een lidstaat daadwerkelijk aan de eventuele verwijdering kan werken, omdat het actualiteitscriterium en de persoonlijke omstandigheden daarbij moeten worden betrokken. Het is echter niet duidelijk hoe lang hij in Duitsland nog in detentie moet verblijven. Volgens eiser is het onredelijk om van hem te verwachten dat hij vanuit hechtenis in Duitsland moet gaan procederen in Nederland wanneer zijn detentie tegen het einde loopt. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het aanvullend besluit en met de na de tussenuitspraak overgelegde stukken de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld. Verweerder heeft alsnog duidelijk gemaakt dat eiser daadwerkelijk aan Duitsland is overgeleverd en dat hij meerdere keren strafrechtelijk is veroordeeld in meerdere Europese landen. Ook heeft verweerder alsnog gemotiveerd waarom hij ondanks de overlevering een inreisverbod voor de duur van tien jaren niet onevenredig vindt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de overlevering van eiser aan Duitsland niet maakt dat het inreisverbod voor de duur van tien jaren onevenredig is. Met de na de tussenuitspraak overgelegde stukken heeft verweerder eens temeer gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde die een inreisverbod voor de duur van tien jaren rechtvaardigt. Dat eiser vooralsnog niet naar zijn land van herkomst kan vertrekken en dat verweerder hem nu niet kan uitzetten, maakt het inreisverbod niet onevenredig. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat ook in Nederland vervolging plaatsvindt van vreemdelingen op wie een vertrekplicht rust en tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd. Op eiser rust de verplichting om naar zijn land van herkomst te vertrekken zodra dit mogelijk is. Als naar zijn mening zijn situatie op dat moment zodanig veranderd is dat hij toegang zou moeten krijgen tot de Europese Unie, kan hij zich tot verweerder wenden met een verzoek tot opheffing van zijn inreisverbod. Mogelijkheden daartoe bestaan ook voor houders van een inreisverbod die zich buiten Nederland bevinden. 7. De conclusie is dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij een inreisverbod is uitgevaardigd omdat er gebreken zijn geconstateerd in het bestreden besluit, maar dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven omdat deze gebreken zijn hersteld. 8. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.335, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting en een half punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).