Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:3677
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,080 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3677 text/xml public 2026-03-05T15:53:16 2026-02-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-12 C/09/694260 / JE RK 25-1899 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3677 text/html public 2026-03-05T14:22:57 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3677 Rechtbank Den Haag , 12-02-2026 / C/09/694260 / JE RK 25-1899 I. Vaststelling van omgangsregeling ex artikel 1:265g BW II. Verzoek ex artikel 1:262b BW RECHTBANK DEN HAAG Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/09/694260 / JE RK 25-1899 Datum uitspraak: 12 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter I. Vaststelling van omgangsregeling ex artikel 1:265g BW II. Verzoek ex artikel 1:262b BW in de zaak van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. L.E. de Vries te Amsterdam. [de pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegmoeder, en [de pleegvader] , hierna te noemen: de pleegvader, hierna ook tezamen te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Bij beschikking van 8 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek van de gecertificeerde instelling voor een deel aangehouden. Op de zitting kon de vaste jeugdbeschermer niet aanwezig zijn vanwege de weersomstandigheden en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid. De moeder en de advocaat van de moeder hebben ingestemd om de zitting te verplaatsen. De behandeling van het verzoek is aangehouden tot deze zitting. 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 8 januari 2026; - het aanvullend verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 januari 2026. 1.3. Op 22 januari 2026 heeft op een zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden. Op deze zitting is ook het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige] behandeld (geregistreerd onder het kenmerk C/09/694252 / JE RK 25-1897). Op dit laatste verzoek is op 22 januari 2026 een mondelinge uitspraak gedaan (schriftelijk uitgewerkt op 12 februari 2026). Op de zitting zijn verschenen: - de moeder met haar advocaat; - [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling; - de pleegouders. 1.4. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 8 januari 2026. 3 De verzoeken Verzoek tot vaststelling omgangsregeling 3.1. De gecertificeerde instelling verzoekt een omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en zijn oma vaderszijde (hier: oma) op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast verzoekt de gecertificeerde instelling op grond van artikel 1:262b BW een beslissing te nemen op het onderhavige geschil, te weten: voor de duur van de uithuisplaatsing vervangende toestemming te verlenen zodat [de minderjarige] naar behoefte en in afstemming met pleegouders en de gecertificeerde instelling contact mag onderhouden met familieleden van vaderszijde. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek over vaststelling van de omgangsregeling als volgt gemotiveerd. Artikel 1:265g lid 1 BW zegt niet voor welke personen het omgangsrecht met een minderjarige kan worden vastgesteld. Gelet op artikel 1:265g lid 2 BW, dat terugverwijst naar het eerste lid, kan hieronder de met gezag belaste ouder alsmede de omgangsgerechtigde worden verstaan. De categorie omgangsgerechtigden is niet nader bepaald. De rechtbank Limburg heeft op 11 december 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:11772) bepaald dat – analoog aan het bepaalde in artikel 1:377a, BW, een minderjarige, onder meer, een recht op omgang heeft met degenen tot wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat. In beginsel kunnen dat de grootouders zijn. In het concrete geval moet worden bezien of er daadwerkelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en de grootouders. De oma is een belangrijk hechtingsfiguur voor [de minderjarige] . Vanaf [de minderjarige] zijn geboorte tot anderhalf jaar geleden is de oma intensief betrokken geweest in het leven van [de minderjarige] . Sinds het overlijden van [de minderjarige] zijn vader in 2020 staat de relatie tussen [de minderjarige] en zijn moeder onder druk. [de minderjarige] is uiteindelijk in 2024 uit huis geplaatst binnen het netwerk. De vorige jeugdbeschermer was van plan het contact tussen [de minderjarige] en zijn oma stop te zetten zodat gefocust kon worden op het verbeteren van de band tussen de moeder en [de minderjarige] . Hiervoor zijn systeemtherapie, begeleide bezoeken en individuele behandeling ingezet. [de minderjarige] heeft begin dit jaar de keuze gemaakt om te stoppen met de systeemtherapie omdat hier geen stappen in werden gezet. Wel bleef [de minderjarige] de individuele therapie volgen. Ook werden er nog steeds begeleide bezoeken ingezet voor de contactmomenten tussen [de minderjarige] en zijn moeder. [de minderjarige] heeft begin oktober 2025 bij de jeugdbeschermer aangegeven dat hij wilde gaan stoppen met deze contactmomenten. De individuele behandelaar van [de minderjarige] heeft opgemerkt dat [de minderjarige] zijn behoefte aan contact met zijn oma steeds groter wordt. Ondanks het risico dat [de minderjarige] het contact op een gegeven moment stiekem zou kunnen gaan opzoeken geeft [de minderjarige] momenteel aan geen stiekem contact met zijn oma te hebben. [de minderjarige] is bang dat structureel contact met zijn oma dan niet meer wordt goedgekeurd. De moeder moet [de minderjarige] telkens toestemming verlenen voor het contact met zijn oma. [de minderjarige] wenst dat een omgangsregeling wordt vastgelegd door de kinderrechter zodat zijn moeder hem deze toestemming niet meer kan ontzeggen. Omdat gebleken is dat de oma een belangrijk hechtingsfiguur is, er nog steeds weinig stappen zijn gezet in de onderlinge band tussen [de minderjarige] en zijn moeder en de wens van [de minderjarige] voor contact met zijn oma kan de gecertificeerde instelling er niet meer achterstaan dat er helemaal geen contact is tussen [de minderjarige] en zijn oma. De gecertificeerde instelling is wel van mening dat het contact met de oma in het begin gekaderd moet worden gezien de situatie waarin er sprake is geweest van het geheime verblijf van [de minderjarige] bij zijn oma. Tevens ziet de gecertificeerde instelling ook geen reden om het contact niet te faciliteren. Een vastgestelde omgangsregeling zal [de minderjarige] naar verwachting ook uit een eventueel loyaliteitsconflict tussen zijn moeder en zijn oma halen omdat de beslissing voor hem wordt genomen. De gecertificeerde instelling heeft geen door de rechter toebedeelde regierol in het vormgeven van het contact tussen de oma en [de minderjarige] . Met wie een kind contact heeft, op frequente en/of niet-toevallige basis, is een gezagsbeslissing. De gecertificeerde instelling is van mening dat het toestaan van het contact tussen [de minderjarige] en zijn oma geen beslissing is die hoort tot de dagelijkse zorg en opvoeding van de pleegouders. Het contact tussen [de minderjarige] en zijn oma is al jarenlang een punt van discussie en de moeder geeft hier uitdrukkelijk geen toestemming voor. Om die reden moet het vaststellen van de omgang tussen [de minderjarige] en oma aan de rechtbank worden voorgelegd.
Volledig
Het voorgaande maakt dat de gecertificeerde instelling verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] minimaal één keer in de week contact met zijn oma mag hebben. Verzoek tot geschillenbeslechting 3.3. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek ten aanzien van het geschil als volgt gemotiveerd. Omdat er geen sprake is van ‘family life’ of een nauwe persoonlijke betrekking tussen [de minderjarige] en de familieleden van vaderszijde kan er geen verzoek voor een omgangsregeling worden ingediend op grond van artikel 1:265g lid 1 BW. Daarom verzoekt de gecertificeerde instelling op grond van artikel 1:262b BW, dat [de minderjarige] naar zijn behoefte en in afstemming met pleegouders en de gecertificeerde instelling contact mag onderhouden met familieleden van vaderszijde. [de minderjarige] wenst niet alleen contact met oma te hebben maar ook met andere familieleden van vaderszijde. Het komt regelmatig voor dat [de minderjarige] toestemming moet vragen aan zijn moeder voor het contact en dat deze toestemming wordt geweigerd. [de minderjarige] is zestien jaar en zelf in staat te beoordelen of en met welke familieleden hij contact wil hebben. De gecertificeerde instelling acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij op een ontspannen en spontane manier contact kan hebben met de familie van vaderszijde. 4 De standpunten Standpunt van de moeder over het verzoek tot vaststelling omgangsregeling 4.1. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij open staat voor een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn oma. De moeder kan zich echter niet vinden in het verzoek van de gecertificeerde instelling waarbij minimaal één keer per week contact is tussen [de minderjarige] en zijn oma. De moeder is van mening dat een omgangsregeling van maximaal één dagdeel van maximaal twee uur per week zonder overnachting bij oma ruim voldoende is. Op die manier kan [de minderjarige] de band tussen hem en zijn oma vormgeven zonder dat dit ten koste gaat van de band tussen [de minderjarige] en zijn moeder en de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het verzoek van de gecertificeerde instelling laat veel ruimte over voor interpretatie. Een ruime interpretatie kan leiden tot een situatie waarin [de minderjarige] structureel bij zijn oma is terwijl de moeder dit niet in het belang van [de minderjarige] acht. De moeder vreest een toename van [de minderjarige] zijn gedragsproblemen als hij te vaak bij zijn oma is. Daarnaast is de moeder ook bang dat [de minderjarige] het contact met haar helemaal verbreekt op het moment dat hij vaker bij zijn oma is. Standpunt van de moeder over het verzoek tot geschillenbeslechting 4.2. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:262b BW. De advocaat voert aan dat het verzoek ingediend had moeten worden op grond van artikel 1:265e BW omdat het verzoek een gezag beperkende maatregel is. 5 De beoordeling Beoordeling van het verzoek tot vaststelling omgangsregeling 5.1. Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling, voor zover hier relevant, een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De kinderrechter overweegt dat artikel 1:265g, eerste lid, BW niet bepaalt ten aanzien van wie het recht op omgang met de minderjarige kan worden vastgesteld. Gelet op artikel 1:265g, tweede lid, BW, dat terugverwijst naar het eerste lid, kunnen daaronder de met gezag belaste ouder als ook “de omgangsgerechtigde” worden begrepen. De categorie omgangsgerechtigden is niet nader bepaald. De kinderrechter is van oordeel dat - analoog aan het bepaalde in artikel 1:377a BW - een minderjarige, onder meer, een recht op omgang heeft met degenen tot wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat. In beginsel kan dat ook de grootouder zijn. In het concrete geval zal moeten worden bezien of er daadwerkelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en de grootouder. In het onderhavige geval, waar de oma van [de minderjarige] al van jongs af aan betrokken is bij de zorg en opvoeding van [de minderjarige] , [de minderjarige] graag in contact is met zijn oma en [de minderjarige] graag bij zijn oma verblijft, is de kinderrechter van oordeel dat vastgesteld kan worden dat er een nauwe persoonlijke betrekking is tussen [de minderjarige] en zijn oma. In onderhavig geval kan naar het oordeel van de kinderrechter zelfs gesproken worden van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM tussen [de minderjarige] en oma. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kinderrechter een omgangsregeling kan vaststellen tussen de oma en [de minderjarige] . Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is een regeling over de uitoefening van het recht op omgang tussen de oma en [de minderjarige] vast te stellen. De kinderrechter overweegt dat het verzoek neerkomt op het vastleggen van de wens van [de minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat gezien de onderbouwing van de gecertificeerde instelling en wat daarover ter zitting naar voren is gebracht, het vastleggen van de omgang tussen [de minderjarige] en de oma in het belang van [de minderjarige] is. Immers, voor [de minderjarige] is het, gezien zijn verleden, het verlies van zijn vader en het feit dat hij zich goed en veilig voelt bij zijn oma, van groot belang dat hij weet waar hij aan toe is en hij onbelast contact met zijn oma kan hebben. De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, een omgangsregeling vastleggen tussen de oma en [de minderjarige] waarbij [de minderjarige] minimaal één keer in de week contact heeft met zijn oma. Beoordeling van het verzoek tot geschillenbeslechting Ontvankelijkheid van de gecertificeerde instelling 5.2. De rechtbank volgt het standpunt van de moeder dat de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk is in haar verzoek niet. Zij is van oordeel dat het hier wel degelijk gaat om een geschil dat onder de reikwijdte van artikel 1:262b BW valt en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 1:262b BW kan een geschil die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft aan de kinderrechter worden voorgelegd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de geschillenregeling in het leven is geroepen om te voorzien in de mogelijkheid om verschillen van mening over de aanpak van problemen die gedurende de uitvoering van de ondertoezichtstelling ontstaan tussen (onder andere) de gecertificeerde instelling en de ouders, aan de kinderrechter voor te kunnen leggen. Blijkens het gestelde in de Memorie van Antwoord ( Kamerstukken I 2011/12, 32015 ) heeft de wetgever met betrekking tot de geschillenregeling verklaard dat hiervan naar verwachting gebruik zal worden gemaakt in die gevallen dat de wet niet in een specifieke procedure voorziet. De wetgever heeft derhalve niet concreet aangegeven welke gevallen wel of niet onder de geschillenregeling geschaard kunnen worden, zodat het aan de rechtspraak is dit nader in te vullen. De kinderrechter is van oordeel dat artikel 1:265e BW, zoals aangevoerd door de advocaat van moeder, hiertoe geen mogelijkheid biedt omdat de omstandigheden bepaalt in dat artikel niet in het geval van [de minderjarige] aan de orde zijn. Daarom dient die rechtsingang naar het oordeel van de kinderrechter wel mogelijk te zijn via artikel 1:262b BW. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de gecertificeerde instelling ontvangen in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling De kinderrechter moet een beslissing nemen die in het belang van het kind als wenselijk voorkomt. In onderhavig geval heeft [de minderjarige] zelf de wens uitgesproken om contact te hebben met de familie van vaderszijde. Het contact met deze familie is voor [de minderjarige] belangrijk omdat zijn vader overleden is. Het is niet in zijn belang aldoor toestemming te moeten vragen aan zijn moeder om naar familieaangelegenheden te gaan, te meer omdat de moeder hier vaak voorwaarden aan verbindt.