Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:3622
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,030 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:3622 text/xml public 2026-03-06T03:02:16 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-03 C/09/691377 / JE RK 25-1580 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3622 text/html public 2026-03-05T12:13:50 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3622 Rechtbank Den Haag , 03-02-2026 / C/09/691377 / JE RK 25-1580 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/691377 / JE RK 25-1580 Datum uitspraak: 3 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat mr. C.I. Zaad uit Den Haag. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. J. Looman uit Wassenaar. De kinderrechter merkt als informant aan: [naam 1] , behandelcoördinator en behandelaar van [minderjarige] bij [instelling] , hierna te noemen: de behandelaar van [minderjarige] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 november 2026 en heeft een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 6 februari 2026. De kinderrechter heeft het verzoek voor het overige deel aangehouden. 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 14 oktober 2025 en de hierin genoemde stukken; de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 23 januari 2026; de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 2 februari 2026. 1.3. Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - [minderjarige] met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling; de behandelaar van [minderjarige] . 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van zijn advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij [instelling] . 3 Het verzoek 3.1. De gecertificeerde instelling handhaaft haar verzoek tot het verlenen van een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de resterende negen maanden, maar verzoekt de machtiging toe te wijzen voor de duur van drie maanden, met aanhouding van het overige deel. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. 3.2. De gecertificeerde instelling is van mening dat sprake is van een complexe situatie. [minderjarige] is een jongen met een belaste geschiedenis, die forse gedragsproblemen laat zien en een bovengemiddelde opvoedvraag heeft. Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij [instelling] is hij vaak weggelopen, waarbij hij ook vaak naar de moeder ging. Het lukte de moeder dan niet altijd om [minderjarige] terug naar de groep te brengen. Als [minderjarige] niet naar de moeder ging, was [minderjarige] niet open over waar en met wie hij was. Er waren vermoedens dat [minderjarige] dan een ‘job’ deed, waarbij mogelijk sprake was van criminele uitbuiting. Er staan op 11 en 19 februari 2026 nog twee strafzittingen gepland waarbij [minderjarige] verdacht wordt van verschillende ernstige strafbare feiten, waaronder een gewapende winkeldiefstal en het afsteken van een vuurwerkbom. [minderjarige] verblijft nu drie dagen in de week bij de moeder. Duidelijk is dat [minderjarige] en de moeder een sterke band hebben en dat [minderjarige] zich veilig voelt bij de moeder, maar de moeder lijkt, mede door haar niet aangeboren hersenletsel, (nog) niet volledig in staat te zijn om aan de bovengemiddelde opvoedvraag van [minderjarige] te kunnen voldoen. Tegelijkertijd komt uit de verslaglegging van [instelling] en hetgeen de gecertificeerde instelling bij [minderjarige] ondervindt naar voren dat [minderjarige] onvoldoende profiteert van zijn plaatsing bij [instelling] . Behandeling voor [minderjarige] is onvoldoende van de grond gekomen, mede doordat [minderjarige] vaak afwezig was. Er is hiernaast geprobeerd de hulpverlening van [hulpverlener] in te zetten en om een fasetraject te starten waarbij [minderjarige] stap voor stap meer vrijheden zou kunnen krijgen, maar dit is door zijn vele weglopen ook nog niet (volledig) van de grond gekomen. De gecertificeerde instelling heeft zorgen over een (directe) thuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment. De gecertificeerde instelling vreest dat als de moeder geen streng toezicht houdt, dat [minderjarige] dan zijn eigen gang zal gaan en de moeder mogelijk haar grip op hem verliest. De gecertificeerde instelling had de visie om met [hulpverlener] naar huis toe te werken met een voorwaardelijke gesloten machtiging. Hiermee kon [minderjarige] een stok achter de deur geboden worden en was een vangnet aanwezig voor als het thuis niet goed gaat. [instelling] heeft echter aangegeven hier niet achter te staan. Gelet op de grote zorgen, maar ook op het feit dat [minderjarige] mogelijk gemotiveerd kan worden door een thuisplaatsing, verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot gesloten plaatsing toe te wijzen voor de duur van drie maanden, met aanhouding van het overige deel van het verzoek. In deze drie maanden kan er met de betrokkenheid van [hulpverlener] intensief en zorgvuldig worden gewerkt naar een thuisplaatsing. 4 De standpunten 4.1. Er is door en namens [minderjarige] verweer gevoerd tegen het verzoek. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven veel meegemaakt en verblijft al geruime tijd bij [instelling] . [minderjarige] ziet in dat hij verkeerde dingen heeft gedaan en dat hij erg beïnvloedbaar was, maar begrijpt nu ook dat je hiermee niet veel kan bereiken. Hij is in de afgelopen periode minder weggelopen, heeft veel geleerd van de fouten die hij heeft gemaakt en weet waar hij nog aan moet werken. [minderjarige] gaat nu elke dag naar school, waar het erg goed gaat. [minderjarige] is verder actief bezig met het vinden van een baantje en voor het krijgen van een coach. Hij wil weer bij zijn moeder wonen, omdat hij zich veilig en vertrouwd voelt bij haar. [minderjarige] zou graag in de thuissituatie de noodzakelijke hulpverlening voor hem en zijn moeder ontvangen. 4.2. Er is door de moeder naar voren gebracht dat zij [minderjarige] het liefst weer thuis zou willen hebben, maar dat zij het ook zou begrijpen als de tijd zou worden genomen om hier naartoe te werken. De moeder heeft [minderjarige] uit veiligheidsoverwegingen niet altijd terug gebracht naar [instelling] . De moeder is wel erg betrokken bij [minderjarige] zijn traject. De moeder en [minderjarige] hebben een sterke band en de moeder is erg blij met de hulpverlening van [hulpverlener] . Het traject kan na de zitting meteen gestart worden. Verder zal traumabehandeling vanuit de Waag worden ingezet voor [minderjarige] en zal het netwerk van de moeder kunnen worden ingezet om de moeder te ontlasten wanneer [minderjarige] weer thuis komt wonen. Wanneer het niet goed gaat in de thuissituatie van de moeder, is [instelling] in ieder geval niet langer passend. [minderjarige] zou dan het meest gebaat zijn bij een logeer- of fasehuis. 4.3.
Volledig
Er is door de advocaat van de moeder naar voren gebracht dat het een stuk beter gaat met [minderjarige] en dat aan alle voorwaarden is voldaan om de plaatsing in de geslotenheid te beëindigen. Het is logisch dat de moeder een directe thuisplaatsing spannend vindt, maar zorgen hierover kunnen voldoende worden ondervangen met de inzet van hulpverlening en de betrokkenheid van een coach voor [minderjarige] . 4.4. De behandelaar van [minderjarige] heeft in de schriftelijke visie van [instelling] en ter zitting naar voren gebracht dat het belangrijk is voor [minderjarige] dat wordt ingezet op hetgeen voor hem motiverend werkt. Op dit moment is dat de liefde en nabijheid van de moeder en zijn schoolgang. Deze beschermende factoren moeten verder worden uitgebouwd, waarbij een thuisplaatsing passend is. Dit zal immers zorgen voor meer motivatie bij [minderjarige] , wat van belang is voor zijn traject. Alles is ingezet om de thuisplaatsing succesvol te maken. [instelling] staat niet achter een voorwaardelijke machtiging omdat dit de angst van [minderjarige] over uitstel van de hulpverlening en de mogelijkheid tot een nieuwe machtiging uithuisplaatsing zal vergroten. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] een nog erg jonge jongen is met een belast verleden, die al geruime tijd in een gesloten setting verblijft. Hoewel tijdens de vorige zitting nog grote zorgen waren over het wegloopgedrag van [minderjarige] , zijn beïnvloedbaarheid, mogelijke criminele activiteiten en het feit dat de noodzakelijke hulpverlening niet van de grond kwam, lijkt het in de afgelopen periode veel beter te gaan met [minderjarige] . Uit het gesprek met [minderjarige] en hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat [minderjarige] tot inkeer lijkt te zijn gekomen en dat hij zich bewust is van zijn verkeerde keuzes. Hij lijkt gemotiveerd te zijn om aan zichzelf en zijn situatie te werken, wat erg knap is van hem. De kinderrechter is het met de behandelaar van [minderjarige] eens dat dient te worden ingezet op de factoren die het meest motiverend en beschermend voor [minderjarige] werken, zodat hij zijn intrinsieke motivatie voor de noodzakelijke hulpverlening behoudt. [minderjarige] heeft behoefte aan perspectief en veiligheid. Hij ervaart dit wanneer hij bij de moeder thuis is. Door de inzet van alle betrokkenen kan [hulpverlener] op korte termijn starten met intensieve hulpverlening voor [minderjarige] en de moeder om hen te helpen in de thuissituatie. Ook kan behandeling bij de Waag in de thuissituatie worden gestart en kan er een coach voor [minderjarige] worden ingezet, waar hij zelf ook veel behoefte aan heeft. Hiernaast is [minderjarige] zelf al druk bezig met het vinden van passende dagbesteding en is hij gemotiveerd om naar school te gaan. Wel is het van belang dat de moeder alle ondersteuning krijgt die zij nodig heeft om haar te ontlasten en om de thuisplaatsing zo goed mogelijk te laten verlopen, waarvoor het noodzakelijk is dat wordt onderzocht wat het netwerk van de moeder hierin kan betekenen. 5.2. Gelet op het feit dat alles in werking is gezet om over te gaan tot een succesvolle thuisplaatsing en nu is gebleken dat een plaatsing bij [instelling] niet langer passend is voor [minderjarige] , is het in zijn belang dat hij weer naar huis kan. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.