Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:3594
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/2675 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [vestigingsplaats 1], eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Lisse (gemachtigde: mr. J.C.L. de Bruijn). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V . uit [vestigingsplaats 2] vergunninghoudster (gemachtigde: mr. B.B. van Vliet). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van opslagruimte, het maken van een in- en uitrit en een erfafscheiding op het perceel [adres] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 6 mei 2021 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van opslagruimte, het maken van een in- en uitrit en een erfafscheiding op het perceel [adres] te [plaats] 2.1. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 3 september 2021 (het primaire besluit) verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’ , ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ en ‘het maken, hebben of veranderen van een uitweg’ . Omdat het bouwplan wegens overschrijding van het bouwvlak en de maximum bouwhoogte in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een zogenaamde kruimelvrijstelling verleend. 2.2. Met het besluit van 17 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van bezwaarmakers, waaronder eiseres, gegrond verklaard en een nieuw besluit genomen. Met inachtneming van een wijziging van de aanvraag, waarbij de totale bouwhoogte is verlaagd van zeven meter naar vier meter hoog en het hemelwater middels infiltratiekratten op het terrein zal worden afgevoerd, is de verleende omgevingsvergunning aangepast, waarin de hemelwaterafvoer middels infiltratiekratten is vastgelegd. 2.3. Eiseres is de eigenares van een teeltperceel dat grenst aan het perceel van vergunninghoudster en 45 centimeter lager ligt dan dit perceel. Eiseres heeft een constante grondwaterstand nodig voor haar teeltperceel. Dat lukt volgens haar niet onder de verleende omgevingsvergunning. Zij heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Op 14 februari 2023 heeft de rechtsvoorganger van vergunninghoudster opnieuw een aanvraag ingediend voor het wijzigen van de verleende omgevingsvergunning door het infiltratiesysteem te wijzigen. 2.5. Met het besluit van 6 april 2023 (wijzigingsbesluit I) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De afwatering van het hemelwater middels infiltratiekratten wordt op deze manier gewijzigd naar een infiltratiesysteem met Rockflow. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit. 2.6. Met het besluit van 23 december 2024 (wijzigingsbesluit II) heeft het college de verleende omgevingsvergunning opnieuw gewijzigd. Het college heeft met dit besluit op de nogmaals gewijzigde aanvraag van vergunninghoudster de omgevingsvergunning aangepast door de hemelwaterafvoer middels infiltratiekratten te vervangen door hemelwaterafvoer overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan van Nepocon van 1 augustus 2024. Ing Nu het bestreden besluit uiteindelijk toch met de reguliere voorbereidingsprocedure is voorbereid en de omgevingsvergunning met kruimelvrijstelling op basis van de gewijzigde aanvraag aangepast in stand is gelaten, had het college eiseres alsnog moeten horen. 5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bezwaarmakers wel zijn gehoord omdat gezamenlijk over oplossingen met betrekking tot de waterafvoer is nagedacht. 5.2. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank had het college eiseres in het licht van het voorgaande voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op grond van artikel 7:9 van de Awb de gelegenheid moeten bieden om over het gewijzigde bouwplan te worden gehoord. Het betoog van eiseres slaagt. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit alsnog de gelegenheid gehad om haar standpunten naar voren te brengen en zij heeft dat ook gedaan. Bovendien is de wijziging met betrekking tot de afvoer van hemelwater middels infiltratiekratten op het terrein niet meer aan de orde. Eiseres is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet benadeeld door het achterwege laten van een hoorzitting. Wijzigingen 6. Voor zover eiseres betoogt dat dat het niet is toegestaan dat vergunninghoudster en het college diverse aanvragen indienen en goedkeuren, zodat het bouwplan alsnog wordt toegestaan, overweegt de rechtbank dat begrijpelijk is dat de vele wijzigingen verwarrend zijn. Eiseres is echter niet processueel benadeeld, omdat zij continu gronden heeft kunnen aanvoeren tegen de wijzigingsbesluiten. Uit het feit dat eiseres dat ook continu heeft gedaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat de strekking van de wijzigingen voor eiseres voldoende duidelijk was. Ook overigens overweegt de rechtbank dat de wijzigingen er ook deels op gericht waren om eiseres tegemoet te komen. Het betoog slaagt niet. De vrees voor wateroverlast 7. Eiseres betoogt dat het college met het bestreden besluit ten onrechte is afgeweken van de planregels over het bouwoppervlak, omdat het college op grond van artikel 15.3.1, derde lid van de planregels alleen mag afwijken van het bestemmingsplan indien de omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Volgens eiseres wordt zij door het bouwplan onevenredig in haar bedrijfsvoering beperkt, nu de afvoer van het hemelwater niet goed is geregeld met de uitvoering van het waterhuishoudkundig plan van Nepocon. Een groot deel van het regenwater zal afvloeien naar haar lagergelegen land, waardoor dit regelmatig onder water zal komen te staan en bollen verrotten. In perioden van droogte treedt ook verdroging op. Bouwbesluit 2012 8. Het Bouwbesluit 2012 geeft in afdeling 6.4 voorschriften over de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater bij nieuwbouw en bestaande bouw. In artikel 6.15 staat dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater heeft dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Daaronder valt ook dat de afvoer geen onevenredige overlast veroorzaakt op naburige percelen. 8.1. De toets die het college moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit komt verweerder beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Een handhavings- en legalisatietraject waarin eerst een bouwwerk wor Om het verschil in maaiveldhoogte tussen dit perceel en het oostelijk gelegen buurperceel van eiseres op te vangen en doorsijpelen van regenwater te beperken is langs de perceelgrens aan de oostzijde een keerwand en drain ontworpen. Aldus wordt, volgens het waterhuishoudkundig plan, ook na enkele dagen neerslag een stabiele – en voor het gebied representatieve – grondwaterstand van NAP -0,80 behouden. 10.3. Volgens eiseres is het waterhuishoudkundig plan incorrect en onvolledig. De afvoerbuizen hebben een te kleine diameter. Hierdoor kan het water niet snel genoeg worden weggepompt. Het wegpompen van hemelwater heeft een negatief effect op het grondwaterpeil van ons land. Het tracé van afvoer naar de Akervoorderlaan is lang, zal overlast geven en is duur. De vijver is niet aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland en de geplande keerwanden zijn te laag, hierdoor loopt water naar haar lagergelegen land. Het valt eiseres verder op dat er wel waterwerend doek als afscheiding naar de polder wordt aangebracht maar niet naar de afscheiding naar lagergelegen land. Hierdoor ontstaat onderstroming. Zij wijst er verder op dat de bouwhoogte van het complex en het buitenterrein hoger is dan de oorspronkelijke maaiveldhoogte en vraagt zich af hoe wordt gemonitord op haar lagergelegen perceel. 10.4. Nepocon heeft op 13 juli 2025 schriftelijk op deze gronden gereageerd. Nepocon geeft gemotiveerd aan dat de diameter van de persleiding voldoende is om de pompcapaciteit te verwerken. Het wegpompen van hemelwater heeft geen negatief effect op het grondwaterpeil op het perceel van eiseres. Het aangelegde systeem, bestaande uit een combinatie van waterberging in een vijver, drainage en een gemaal, zorgt juist voor een stabiele grondwatersituatie vergelijkbaar met de huidige optredende grondwaterstand (nu reeds 2 jaar gemeten). De aanleg van de persleiding leidt niet tot grote overlast door de beperkte aanlegdiepte en snelle voortgang van het werk. De vijver maakt wel degelijk deel uit van de afgegeven omgevingsvergunning. De keerwanden zijn niet te laag. Ze zijn boven straatniveau afgewerkt, waardoor geen sprake is van afstroming van regenwater naar het perceel van eiseres. De bouwhoogte van het complex en het buitenterrein heeft geen invloed op de waterhuishouding. Om het risico van aflopen van water naar het terrein van eisers te voorkomen is de terreininrichting aangepast, zodat het water te allen tijde naar de vijver loopt. Monitoring vindt plaats door middel van meting (sinds december 2023) via een peilbuis op het terrein van vergunninghouder. Deze peilbuis geeft een goede indicatie van eventuele wijzigingen in de grondwaterstand die kunnen worden door vertaald naar het terrein van eiseres. 10.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van het onderzoek van Nepocon van 1 augustus 2024 op het standpunt kunnen stellen dat er met de uitvoering van het daarin beschreven waterhuishoudkundig plan als gevolg van het vergunde bouwplan geen wateroverlast op de gronden van eiseres is te verwachten. In hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het niet, of niet zonder meer, aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Nepocon heeft de ingediende gronden tegen het waterhuishoudkundig plan van Nepocon in haar reactie van 13 juli 2025 afdoende gemotiveerd weerlegd. Eiseres heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd waarmee het onderzoek van Nepocon wordt weersproken. Uit de nadere analyse van Nepocon van 6 november 2025 blijkt ook dat het aangelegde watersysteem goed functioneert en dat het systeem leidt tot een stabiele grondwatersituatie. Bovendien heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland goedkeuring gegeven aan dit waterhuishoudkundig plan. Ter zitting heeft de deskundige van Nepocon gereageerd op het betoog van eiseres dat zij last van droogte ondervind