Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:31
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/247186-25 en 09/233535-25 (ttz. gev.) Datum uitspraak: 6 januari 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats], BRP-adres: [adres 1], [postcode] [woonplaats], op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie]. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 23 december 2025 (sluiting onderzoek ter terechtzitting). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Dagvaarding I, parketnummer 09/247186-25 hij, op of omstreeks 19 september 2025 te Leiden, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Lammenschansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt: - verdachte heeft al rijdend op voornoemde weg met een snelheid van/tot (ongeveer) 98 kilometer per uur, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, de kruising met het Betaplein genaderd, - heeft (daarbij) over de busbaan gereden, - heeft via deze busbaan andere voertuigen rechts ingehaald, - heeft (vervolgens) geen gevolg gegeven aan het (reeds minimaal 12 seconden voor die busbaan en/of reeds minimaal 10,6 seconden voor de naastgelegen hoofdrijbaan) rood licht uitstralende verkeerslicht, - heeft niet tijdig gemerkt dat een voor hem van links komende fietser voornoemde kruising was genaderd en/of opgereden, - heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of - heeft voornoemde fietser geen voorrang verleend, - ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig (met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur) in botsing/aanrijding met voornoemde fietser is gekomen, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], werd gedood. Dagvaarding II, parketnummer 09/233535-25 hij op of omstreeks 4 september 2025 te Leiden [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] een of meer (vuist)slag(en) op het hoofd te geven, althans op het lichaam. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I ten laste gelegde in de schuldcategorie roekeloosheid en van het bij dagvaarding II ten laste gelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft met betrekking tot het bij dagvaarding I ten laste gelegde bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de schuldcategorie roekeloosheid. Ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever lichamelijk letsel toe te brengen. Beroep op noodweer Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanval van aangever in redelijkheid kan worden beschouwd als zodanig bedreigend voor de verdachte, dat dit kan worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke en Het verkeerslicht ten behoeve van de naastgelegen hoofdrijbaan (richting 11) straalde op dat moment minimaal 10,6 seconden roodlicht uit. Voorafgaand aan het verkeersongeval naderde de bestuurder van de Audi het kruispunt over de busbaan met een gemiddelde indicatieve snelheid tussen de 84 km/h en 95 km/h. De bestuurder van de fiets reed via de gekanaliseerde fiets/bromfietsoversteekplaats het kruispunt op van de Lammenschansweg met het Betaplein te Leiden. De bestuurder van de fiets was hierbij komende uit de richting van [schoolnaam]. Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de fiets op vrijdag 19 september 2025, omstreeks, 13:35:38.6 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten op dat moment minimaal 3,5 seconden groenlicht uitstraalden. 5. Het proces-verbaal FO Automotive (inclusief bijlagen), opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 222-228): Uit onderzoek is gebleken dat de Audi 5 seconden voor het Event(triggermoment) een snelheid van 42 km/h registreert. Hierbij is te zien dat het gaspedaal 100 % wordt ingedrukt en dat de snelheid tot 0,5 seconden voor het Event(triggermoment) oploopt tot 98 km/h, waarbij het gaspedaal constant 100% wordt bediend. Op het Event(triggermoment) zelf wordt er een remming geregistreerd en wordt er 0% gaspedaal bediening geregistreerd. De snelheid die hierbij geregistreerd wordt is 92 km/h. Dagvaarding II Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025300343, van de politie eenheid Den Haag, District Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 48). 1. Het proces-verbaal van aangifte (inclusief bijlagen), opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 7-11): Pleegdatum : 4 september 2025 Aangever Voornamen : [aangever] Achternaam : [aangever] Ik was aan het werk bij [restaurant] aan de [adres 2] te Leiden. Er zat 4 man in een auto die kwam aanrijden. Een Audi. Ik zag dat ze tegen een fiets aanreden die geparkeerd stond. De eigenaresse van de fiets stond er naast. Ik liep naar buiten omdat ik zag dat de bestuurder uit de auto stapte en erg opvliegerig en intimiderend tegen de dame was. Ik zag dat de jongen haar vastpakte, hij stond heel dichtbij. Ik pakte de jongen vast en trok hem naar achteren omdat hij de dame intimideerde. De jongen draaide zich om en gaf mij een klap in mijn gezicht met zijn vuist. Ik heb pijn aan mijn rechteroog. Er zit een flinke snee en het voelt pijnlijk. Ook mijn bril is scheef en krom. 2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 2], opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 12-14): Op 4 september was ik in Leiden. Ik zag namelijk dat jongen 1 [aangever] in zijn gezicht sloeg met de vuist, ter hoogte van zijn bril. Ik zag dat er direct een rode vloeistof over [aangever] zijn gezicht stroomde. Direct nadat [aangever] opstond, zag ik dat jongen 1 wederom met kracht en opzettelijk zijn gebalde vuist in de richting van [aangever] bewoog. 3. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 28-31): Op 4 september 2025 bevond ik, verbalisant, mij in Leiden. Ter plaatse trof ik, verbalisant, voor [restaurant] twee jongens en een vrouw aan. De jongens bleken te zijn: [verdachte]. Ik zag vervolgens de man van [restaurant] in de deuropening van de pizzeria staan. Ik zag dat de man meerdere verwonden had rondom zijn rechteroog. Op 4 september 2025 hield ik, verbalisant, op de [adres 2] in Leiden [verdachte] aan op verdenking van mishandeling. Tijdens het aanleggen van de transportboeien zag ik dat [verdachte] bloed had op zijn rechterhand. 3.4. Bewijsoverwegingen Dagvaarding I Feitelijke toedracht Aan de hand van de bewijsmiddelen stel De rechtbank begrijpt deze bepaling zo dat zij dient te beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5al lid 1 WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid. Artikel 5a WVW De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. a. a) De verkeersregels De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte de maximumsnelheid heeft overschreden, door rood licht heeft gereden en aan [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend. Deze gedragingen zijn in artikel 5a lid 1 WVW (hierna: artikel 5a WVW) uitdrukkelijk benoemd als voorbeelden van het schenden van de verkeersregels. Tevens heeft de verdachte, rijdende over een busbaan, andere weggebruikers rechts ingehaald. Deze gedragingen zijn niet expliciet benoemd in artikel 5a WVW, maar schaart de rechtbank onder het ‘overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd’. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden, als bedoeld in dat artikel. b) In ernstige mate Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. De verdachte heeft de op de Lammenschansweg geldende maximumsnelheid in ernstige mate overschreden. Terwijl de verdachte met snelheden oplopend tot 98 km/u reed, heeft hij het voor het rood licht uitstralende wachtende verkeer rechts via een busbaan, vlak voor een oversteekplaats voor fietsers, ingehaald en is hij door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden. Dat op zich maakt naar het oordeel van de rechtbank al dat er sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Daar komt dan nog bij dat er omstandigheden waren die aanleiding gaven tot extra oplettendheid en voorzichtigheid. Het ongeval vond plaats op vrijdagmiddag rond 13.35 uur, vlakbij [schoolnaam], van waaruit leerlingen op verschillende tijdstippen van en naar school gingen. De fietsoversteekplaats waar het ongeval plaatsvond vormt de verbinding tussen [schoolnaam] en de Lammenschansweg. Een en ander moet bij de verdachte ook bekend zijn geweest nu hij zelf [schoolnaam] bezocht. Kortom, onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank eens te meer sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. c) Opzettelijk Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat het rijden met een veel te hoge snelheid niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. De verdachte is degene die het gaspedaal van zijn auto fors heeft ingetrapt en die de hoge snelheden in zijn auto bereikt heeft. Ook voor het door rood rijden geldt dat de verdachte dit opzettelijk moet hebben gedaan. Het verkeerslicht straalde immers al minimaal 12 seconden rood licht uit ten behoeve van de busbaan en al 10,6 seconden ten behoeve van de naastgelegen hoofdrijbaan. De verklaring van de verdachte dat hij meende dat hij door oranje reed, acht de rechtbank om die reden en gelet op het feit dat de verdachte drie voor het rode licht wachtende auto’s over de busbaan heeft ingehaald, volstrekt onaannemelijk. Naar het oordeel De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Dagvaarding I hij, op 19 september 2025 te Leiden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Lammenschansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt: - verdachte heeft al rijdend op voornoemde weg met een snelheid van/tot (ongeveer) 98 kilometer per uur, de kruising met het Betaplein genaderd, - heeft (daarbij) over de busbaan gereden, - heeft via deze busbaan andere voertuigen rechts ingehaald, - heeft (vervolgens) geen gevolg gegeven aan het (reeds minimaal 12 seconden voor die busbaan en reeds minimaal 10,6 seconden voor de naastgelegen hoofdrijbaan) rood licht uitstralende verkeerslicht, - heeft niet tijdig gemerkt dat een voor hem van links komende fietser voornoemde kruising was genaderd en opgereden, - heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en - heeft voornoemde fietser geen voorrang verleend, - ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig (met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur) in botsing/aanrijding met voornoemde fietser is gekomen, waardoor [slachtoffer], werd gedood. Dagvaarding II hij op 4 september 2025 te Leiden, [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] vuistslagen op het hoofd te geven. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vijf jaar gevorderd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met eventueel daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. Ook heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat artikel 67a, lid 3 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan de orde is. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden hoofdstraf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De ernst van de feiten De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de minderjarige [slachtoffer] is komen te overlijden. De verdachte heeft met een veel te hoge snelheid, oplopend tot 98 km/u waar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, het voor het roodlicht uitstralende wachtende verkeer rechts via een busbaan, vlak voor een oversteekplaats voor fietsers, ingehaald, is door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden en heeft de op de fiets overstekende [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] is als gevolg van het daarb Bij het bepalen van de duur van die straffen heeft de rechtbank geen directe aansluiting kunnen zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, omdat die niet zien op gevallen waarin de schuld bestaat in roekeloosheid, zijnde de hoogste mate van schuld. Wel ligt het in de rede om bij roekeloosheid hogere straffen tot uitgangspunt te nemen dan in de oriëntatiepunten is vermeld ten aanzien van de overige schuldcategorieën. Gedrag dat valt onder artikel 6 WVW kan verschillende vormen aannemen. Dat geldt ook voor gevallen waarin de schuld bestaat in roekeloosheid. Door de hiervoor in 3.4 genoemde wetswijziging is het toepassingsbereik van het roekeloosheidsbegrip bovendien uitgebreid, waardoor er meer en meer divers verkeersgedrag als roekeloos moet worden aangemerkt dan voorheen het geval was. Zo kan worden gedacht aan gevallen waarin – zoals in deze zaak – sprake is van een samenstel van gedragingen dat tot een aanrijding heeft geleid, die als strafwaardiger kunnen worden gezien en dus zwaarder worden bestraft dan gevallen – anders dan in deze zaak – waarin het gaat om één gedraging die tot een ongeval heeft geleid. Ook al heeft de verdachte, zoals hij ter zitting meermaals heeft benadrukt, de dodelijke afloop van zijn gedrag nimmer gewild en ook al ervaart hij lijdensdruk als gevolg van zijn eigen handelen, in het licht van het voorgaande en ook in aanmerking genomen het tweede bewezenverklaarde feit, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie in beginsel gerechtvaardigd. De rechtbank ziet echter in de jonge leeftijd van de verdachte aanleiding om in matigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie, in die zin dat de rechtbank een groter deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk zal opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel strekt er tevens toe de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw verkeersgevaarlijk te gedragen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, passend en geboden Aan het voorwaardelijk strafdeel zal zij een proeftijd van twee jaar verbinden. De rechtbank zal daarnaast, conform de eis van de officier van justitie, een rijontzegging van vijf jaar opleggen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Voorlopige hechtenis De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden en de verdachte is bij vonnis van heden schuldig bevonden aan ernstige strafbare feiten. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is artikel 67a, lid 3 Sv thans niet aan de orde. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte niet zal opheffen. 7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [aangever] heeft zich ten aanzien van dagvaarding II als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.012,58, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 751,72, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair acht de raadsvrouw de verzochte post 9 De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van dagvaarding I: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood; ten aanzien van dagvaarding II: mishandeling; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 108 dagen, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 Den Haag. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; - zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is voor de veroordeelde. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; veroordeelt de verdachte ten aanzien van dagvaarding I voorts tot: een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 (VIJF) JAAR ; het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af; de vordering van de benadeelde partij [aangever]; wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 751,72 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever]; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 751,72 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever]; bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet