Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-02-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:2712
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/8893 en SGR 25/9025 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. J.V. de Kort). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. 1.1. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar verzoek om haar consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza . Verweerder heeft dit bezwaar met het besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar open staat. 1.2. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2026 op zitting behandeld. De voorlopige voorziening is gelijktijdig met de verzoeken SGR 25/8885 en SGR 25/9139 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster (via een videoverbinding), haar gemachtigde, A. Jamal Abdilahi (tolk van verzoekster) en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] . Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om ook direct uitspraak te doen op het beroep. Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoekster is een staatloze [nationaliteit] en bevindt zich op dit moment in Gaza . Op 3 november 2025 heeft zij bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘Studie’. Met de brief van 10 november 2025 heeft de IND verzoekster te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van de mvv en de Nederlandse ambassade in Amman in Jordanië gemachtigd om deze aan verzoekster te verlenen. In de brief geeft de IND aan dat verzoekster zo snel mogelijk een afspraak moet maken bij de Nederlandse ambassade te Amman voor het opstarten van de procedure voor afgifte van de mvv-visumsticker. 3.1. Met de brief van 14 november 2025 heeft verzoekster verweerder verzocht om consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza omdat zij hier, gelet op de huidige situatie aldaar, zelfstandig niet toe in staat is. Met de e-mail van 17 november 2025 heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat verzoekster niet behoort tot een van de drie groepen die voor consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza in aanmerking komt. Met de bestreden beslissing van 8 december 2025 is verweerder daarbij gebleven en heeft hij het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar openstaat. Wat vindt verzoekster? 4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van haar verzoek om consulaire bijstand, anders dan verweerder meent, wel degelijk moet worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. In dit kader voert verzoekster onder andere aan dat sprake is van een uitzonderlijk geval waardoor ook zonder publiekrechtelijke grondslag sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Door het plaatsen van weblogs en het doen van uitlatingen in de media over de stand van zaken omtrent de evacuatie van verschillende groepen personen uit Gaza , alsook de inspanningen die verweerder in het verleden in dat kader heeft verricht, heeft verweerder de publieke taak aan zich getrokken om ook in situaties zoals deze over te gaan tot evacuatie. Verzoekster beroept zich ook op artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarin is bepaald dat een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig wordt gelijkgesteld aan een b Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder heeft benadrukt dat de verleende hulp een geste was om de reden van de zeer schrijnende veiligheids- en humanitaire situatie op dat moment in de Gazastrook. Ook heeft verweerder, anders dan verzoekster heeft betoogd, nimmer in publieke uitlatingen, weblogs op zijn eigen website of in overige beleidsdocumenten ondubbelzinnig gecommuniceerd dat hij de publieke taak van het evacueren van personen met een mvv met als verblijfsdoel studie of wetenschappelijk onderzoek aan zich heeft getrokken. Dat er thans nog steeds sprake is van een schrijnende humanitaire situatie maakt niet dat verweerder nu wederom diezelfde hulp dient te verlenen, gelet op de ruime mogelijkheden die verweerder heeft om verschillende feitelijke handelingen in het kader van consulaire bijstand te verrichten en af te wegen of dit opportuun en geboden is. 6.5. De door verzoekster in dit verband gemaakte vergelijking met de uitspraak van de hoogste bestuursrechter over Afghaanse evacués gaat hier niet op. In die situatie was sprake van een kabinetsbrief waarin de minister van Buitenlandse zaken, de Minister van Defensie en de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid een speciale voorziening hebben getroffen en daarmee de publieke taak aan zich hebben getrokken om de overkomst van twee groepen Afghaanse burgers, die Nederland in het verleden op enigerlei wijze hadden ondersteund en waarvoor Nederland zich om die reden verantwoordelijk voelde, te faciliteren. Daarvan is hier geen sprake. Dat verzoekster, in tegenstelling tot de Afghaanse evacués, al weet dat zij een verblijfsrecht in Nederland zal hebben op grond van haar ingewilligde mvv-aanvraag, is bij de vraag of de e-mail van 17 november 2025 een besluit is niet relevant. Is sprake van een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw? 7. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het weigeren van consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza moet worden gezien als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw en daarmee gelijk moet worden gesteld met een beschikking waartegen bezwaar open staat. Verweerder is het daar niet mee eens. 7.1. Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw wordt met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig. Met deze bepaling heeft de wetgever (feitelijke) handelingen ter uitvoering van de Vw ondergebracht ter beoordeling bij de bestuursrechter. 7.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met de afwijzing van het verzoek van verzoekster om consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza geen uitvoering geeft aan de Vw. Deze wet regelt de toelating tot én het verblijf in Nederland voor vreemdelingen en biedt geen grondslag voor rechtsmacht buiten het Nederlands grondgebied. Een andere opvatting zou betekenen dat een veelheid aan handelen en nalaten van verweerder ten opzichte van personen die zich in het buitenland bevinden onder het bereik van artikel 72, derde lid, van de Vw komt. Voor zo een verstrekkende uitleg ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten. Het betoog van verzoekster dat deze opvatting afbreuk doet aan artikel 2s, derde lid, van de Vw, en daarmee ook aan de Richtlijn (EU) 2016/801 waarop deze bepaling is gebaseerd, slaagt niet. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, is artikel 2s, derde lid, van de Vw praktisch ingestoken en geeft dit artikel slechts informatie over waar een vreemdeling de mvv kan ophalen. Deze bepaling roept dus geen verplichting in het leven voor verweerder om allerhande feitelijke hulp te bieden om te garanderen dat de mvv ook daadwerkelijk kan worden opgehaald. Ook in het door verzoekster aangehaalde commentaar op artikel 72 van de Vw ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor een ander oordeel op dit onderdeel. Net als verweerder gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat met de hierin vermelde ‘grensambtenaar’ wordt gedoeld op de Neder