Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:2616
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,033 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:2616 text/xml public 2026-02-12T12:11:53 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-09 NL26.4612 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2616 text/html public 2026-02-12T12:10:18 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:2616 Rechtbank Den Haag , 09-02-2026 / NL26.4612 bewaring, eerste beroep, inreisverbod, grondslag van de bewaring, staandehouding, ophouding, zicht op overdracht, lichter middel, te late opheffing van de maatregel, toekenning schadevergoeding, gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4612 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 21 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Grondslag van de bewaring 2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld omdat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht vanwege zijn relatie met een Spaanse vrouw. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar dit verblijfsrecht. Zo had verweerder in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling meer vragen moeten stellen over eisers relatie in Spanje. Verder heeft verweerder de Spaanse autoriteiten van onvoldoende informatie voorzien. Ter onderbouwing van het gestelde verblijfsrecht verwijst eiser naar een Spaanstalig document, dat als bijlage bij zijn inmiddels in Nederland ingediende ‘aanvraag toetsing EU-recht’ is gevoegd. Het voorgaande maakt volgens eiser dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is. 2.1. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Tijdens het verhoor gedurende de ophouding heeft eiser verklaard dat hij getrouwd is met een vrouw in Spanje, dat zijn vrouw aanvragen daar heeft ingediend en dat hij zijn verblijfsvergunning in februari zal krijgen. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij geregistreerd staat bij de Spaanse autoriteiten en dat hij in Spanje niet illegaal is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder tijdens het gehoor voldoende doorgevraagd op dit punt. Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verklaringen ook onderzoek gedaan bij de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben in reactie hierop aangegeven dat eiser geen verblijfsstatus heeft in Spanje. Dat verweerder onvoldoende informatie aan de Spaanse autoriteiten heeft verstrekt, volgt de rechtbank niet. Uit de dossierstukken blijkt namelijk dat verweerder eisers personalia, zijn woonadres in Spanje en zijn Marokkaanse paspoort met de Spaanse autoriteiten heeft gedeeld. Tevens is in de onderzoeksvraag aangegeven dat eiser aangeeft een aanvraag voor verblijf te hebben lopen in Spanje. Gelet op de uitkomst van verweerders onderzoek en omdat eiser zijn gestelde verblijfsrecht in Spanje ten tijde van de inbewaringstelling geenszins kon onderbouwen, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien af te zien van inbewaringstelling. Omdat uit Eurodac was gebleken dat eiser eerder, op 29 augustus 2023, in Oostenrijk een asielaanvraag had ingediend, bestond er een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft eiser daarom terecht op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet. Staandehouding en ophouding 3. Eiser betoogt dat hij ten onrechte is staandegehouden omdat er op dat moment geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Daarnaast was de grondslag voor de ophouding onjuist omdat eiser een aanvraag had lopen in Spanje waardoor hij procedureel verblijfsrecht had. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat er ten tijde van eisers staandehouding sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Eiser kon op dat moment immers niet aannemelijk maken dat hij rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser is dan ook terecht op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw staande gehouden. Verweerder heeft eiser vervolgens ook terecht op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw opgehouden, omdat aan de hand van eisers Marokkaanse paspoort zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en niet onmiddellijk bleek dat hij rechtmatig verblijf had. Deze beroepsgronden slagen niet. Bewaringsgronden 4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. 4.1. Eiser betwist alle gronden. Hij stelt daartoe dat hij een verblijfsrecht heeft in Spanje. 4.2. Verweerder heeft ter zitting de lichte gronden 4d en 4f laten vallen. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval de zware grond 3b en de lichte grond 4c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware grond 3b kan volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser heeft van zijn onrechtmatig verblijf geen mededeling gedaan aan de korpschef, terwijl hij al twee weken in Nederland was. Hierdoor heeft hij zich aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Verweerder heeft de zware grond 3b dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarnaast is eiser niet op een adres ingeschreven in de Basisregistratie personen. Verweerder heeft het onttrekkingsrisico vanwege deze grond voldoende toegelicht in de maatregel. Dus ook grond 4c is terecht aan eiser tegengeworpen. 4.4. De gronden 3b en 4c konden, in onderling verband bezien, naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet. Zicht op overdracht 5. Eiser voert aan dat er geen zicht op overdracht naar Oostenrijk bestond.