Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:2607
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,014 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:2607 text/xml public 2026-02-12T11:01:21 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-06 NL25.51035 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2607 text/html public 2026-02-12T11:00:52 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:2607 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / NL25.51035 Asiel, Syrië, Koerdische regio Al-Hasakah, motiveringsgebrek, beroep gegrond. De minister heeft, in het licht van de recente ontwikkelingen in het Koerdische Noordoosten van Syrië, niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser als atheïstische Koerd geen geronde vrees voor vervolging heeft. uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.51035 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.E. Jans), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft zijn land moeten verlaten omdat hij een Koerdische atheïst is. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn leven. Eiser vreest voor alle moslims, de Syrische regering en voor een man genaamd [naam] , die hem met de dood heeft bedreigd nadat eiser weigerde zich aan te sluiten bij de Koerdische strijdkrachten (PKK/YPG). Het bestreden besluit 7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1) Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2) Dat eiser atheïst is; 3) Dat eiser Koerd is en hierdoor problemen verwacht bij terugkeer; en 4) Dat eiser in het verleden is benaderd door PKK en bij terugkeer verwacht opnieuw benaderd te worden. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig zijn. De minister heeft het derde en vierde asielmotief niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat deze asielmotieven volgens de minister hoe dan ook geen aanleiding geven tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. 8. In het kader van de zwaarwegendheid van het tweede asielmotief, stelt de minister zich op het standpunt dat bekeerlingen voor Syrië niet zijn gekwalificeerd als risicogroep. Dat volgt uit paragraaf C7/33.4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn atheïsme. De minister overweegt dat, hoewel atheïsten een minderheid zijn in Syrië, dit niet betekent dat eiser daardoor persoonlijk te vrezen heeft. Ook voor zover eiser zich beroept op de recente machtswisseling waarbij Ahmed al-Sharaa is benoemd tot interim-president van Syrië, leidt dit volgens de minister niet tot een gegronde vrees bij terugkeer omdat niet aannemelijk is dat juist eiser in het bijzonder te maken zal krijgen met vervolging vanwege zijn religie bij terugkeer. 9. Ten aanzien van het derde asielmotief overweegt de minister dat Koerden voor Syrië ook niet zijn gekwalificeerd als risicogroep. Het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 rapporteert zelfs een verbetering van de positie van Koerden na de val van Assad. Verder blijkt uit hetzelfde Algemeen Ambtsbericht niet van gericht geweld tegen Koerden in de provincie Hasaka , waar eiser vandaan komt en waar een grote Koerdische bevolkingsgroep woonachtig is. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De discriminatie die eiser stelt te ondervinden kan daarom volgens de minister niet worden aangemerkt als daad van vervolging. Ook heeft eiser met zijn verklaringen volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk, vanwege zijn etniciteit, in de problemen zal komen bij terugkeer. Ten slotte overweegt de minister dat, nu eiser nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden met de autoriteiten, ook daarin geen aanknopingspunt bestaat dat hij te vrezen heeft vanwege zijn etniciteit. 10. Ten aanzien van het vierde asielmotief overweegt de minister als volgt. Eiser heeft sinds zijn vertrek uit Syrië niets meer vernomen van de man genaamd [naam] , door wie eiser werd benaderd met de vraag of hij zich wilde aansluiten bij de Koerdische strijdkrachten. Eiser heeft niet geconcretiseerd dat [naam] nog altijd op zoek is naar eiser. Eiser heeft zijn vrees voor [naam] daarom niet aannemelijk gemaakt. Voor zover eiser stelt dat hij in zijn algemeenheid, los van [naam] , te vrezen heeft voor rekrutering voor de Koerdische strijdkrachten, stelt de minister zich op het standpunt dat eiser deze vrees eveneens niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit objectieve bronnen volgt namelijk dat niet aannemelijk is dat eiser met de leeftijd van 41 jaar nog gerekruteerd zal worden. De minister wijst er bovendien op dat dienstweigering formeel niet wettelijk strafbaar is in Syrië en dat de autoriteiten voor zover bekend geen actieve strafvervolging inzetten tegen weigeraars. 11. Gelet op het voorgaande, concludeert de minister dat eiser geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw krijgt. 12. Ten aanzien van de vrees van eiser voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië overweegt de minister dat uit het landenbeleid Syrië volgt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat volgt uit paragraaf C7/33.4.2 van de Vc. Aangezien eiser volgens de minister geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogende omstandigheid, stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico zou lopen op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De minister concludeert dat eiser daarom ook geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw krijgt. De beroepsgronden 13. Eiser voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als atheïstische Koerd een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser betoogt dat de minister te makkelijk voorbij gaat aan de situatie sinds de machtsovername in Syrië. Eiser verwijst onder meer naar een notitie van Vluchtelingenwerk van 10 april 2025 waaruit volgt dat de ideeën van het leiderschap en de leden van de interim-regering extreem blijven. Afvalligheid van de islam zal volgens eiser dan ook niet getolereerd worden. Ook zal hij als terugkerende Koerd naar Koerdisch gebied gevaar lopen. Het oordeel van de rechtbank 14.