Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-08-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:22346
Prejudiciële vragen terugkeerbesluit niet-begeleide minderjarige – Jemen & Egypte Eiser is geboren en opgegroeid in Jemen bij beide ouders. Eiser is samen met zijn moeder uit Jemen gevlucht en heeft een maand met zijn moeder in Egypte gewoond voordat hij alleen de Unie is ingereisd en zich in Nederland bij de autoriteiten heeft gemeld. De vader van eiser heeft de Jemenitische nationaliteit. De moeder van eiser heeft de Egyptische nationaliteit. Daarom heeft eiser zowel de Jemenitische als de Egyptische nationaliteit. De ouders van eiser zijn inmiddels gescheiden. De vader van eiser woont in Jemen en de moeder van eiser woont in Egypte. Eiser heeft op 21 mei 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Eiser was ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 16 jaar, 2 maanden en 9 dagen oud. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 6 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Dit besluit van 6 maart 2025 omvat een terugkeerbesluit waarin Jemen en Egypte als landen van terugkeer zijn aangemerkt en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. Eiser was ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 17 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. Vanaf het moment van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming is sprake van illegaal verblijf en is verweerder in beginsel verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De autoriteiten zijn ingevolge artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn onder meer rekening te houden met het belang van het kind. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt dat voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zij zich ervan overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Het Hof heeft in het arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ verduidelijkt dat dit onderzoek naar adequate opvang moet plaatsvinden voorafgaand aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Het hoofdgeding spitst zich in deze fase van de procedure toe op de vraag of verweerder Egypte als land van terugkeer kon aanmerken. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of verweerder bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich in wezen kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor deze niet-begeleide minderjarige. De tweede prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de wijze waarop het belang van het kind moet worden vastgesteld en meer in het bijzonder of dit vereist dat dit niet op algemene aannames over minderjarigen berust, maar daadwerkelijk op onafhankelijke wijze wordt onderzocht door ter zake deskundigen. Het VN Comité voor de Rechten van het Kind is belast met de monitoring en verduidelijking van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft uitgebreid en gedetailleerd beschreven op welke wijze een ‘best interest of the child-assessment’ moet worden verricht en welke factoren in ogenschouw moeten worden genomen bij het onderzoeken en vaststellen van het belang van een kind. De rechtbank verzoekt het Hof te verduidelijken in hoeverre het onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt om hun nationale procedure in te richten zonder het belang van het kind zoveel mogelijk vast te stellen op de wijze die het Comité voor de Rechten van het Kind in haar General Comments uiteen heeft gezet. Indien de lidstaten overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het belang van het kind voorop dienen te stellen, komt het de rechtbank voor dat het Unierecht de inhoud en reikwijdte van de bescherming die de internationale gemeenschap aan kinderen heeft geboden in het Verdrag inzake van de rechten van het kind, niet kan beperken. De twee prejudiciële vragen van de rechtbank hebben dus betrekking op de wijze waarop moet worden beoordeeld of sprake is van adequate opvang in het land van terugkeer en, indien adequate opvang beschikbaar en toegankelijk is voor de betreffende niet-begeleide minderjarige, op welke wijze het belang van het kind moet worden vastgesteld om vervolgens in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling of het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in het belang van het kind is. De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL25.11348 Verwijzing uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2007 in Jemen, Jemenitische en Egyptische nationaliteit, verzoeker in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. L.J.H. Hoven-Kohl), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. N. Joseph). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vragen: I Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat bij het onderzoeken of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich niet kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor de niet-begeleide minderjarige? II Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het vereist dat de bevoegde nationale autoriteit alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een niet-begeleide minderjarige, het belang van deze niet-begeleide minderjarige in het kader van een individuele beoordeling en zoveel mogelijk in overeenstemming met de General Comments van het VN Comité voor de Rechten van het Kind op een onafhankelijke en deskundige wijze vaststelt? Procesverloop Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) is in Jemen geboren en heeft de Jemenitische en Egyptische nationaliteit. Verzoeker heeft op 21 mei 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoeker was ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 16 jaar, 2 maanden en 9 dagen oud. De rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in haar uitspraak van 5 november 2024 het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om internationale bescherming gegrond verklaard . De rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft verweerder in het hoofdgeding (hierna: verweerder) opgedragen om binnen 8 weken te beslissen op het verzoek om internationale bescherming van 21 mei 2023 en heeft een dwangsom bepaald indien verweerder niet binnen deze termijn beslist op het verzoek om internationale bescherming. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 6 maart 2025 afgewezen als ongegrond. In dit besluit is tevens bepaald dat verzoeker geen verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving en beleid krijgt en is bepaald dat aan hem geen uitstel van vertrek wegens medische omstandigheden wordt verleend. Verweerder heeft in het besluit vermeld dat verzoeker een bedrag van € 6.700,- krijgt ingevolge de uitspraak van 5 november 2024 omdat niet binnen de door de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bepaalde termijn een beslissing op zijn verzoek om internationale bescherming is genomen. Het besluit van 6 maart 2025 omvat een terugkeerbesluit waarin Jemen en Egypte als landen van terugkeer zijn aangemerkt en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. Verzoeker was ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 17 jaar, 11 maanden, 22 dagen oud. Verzoeker heeft op 11 maart 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 6 maart 2025. Het instellen van dit beroep schort de rechtsgevolgen van het besluit van 6 maart 2025 op, zodat verzoeker de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft op 18 mei 2026 een verweerschrift uitgebracht. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na afloop van de behandeling van het beroep het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek op 17 juli 2026 heropend en verzoeker tot en met uiterlijk 3 augustus 2026 in de gelegenheid gesteld om met stukken te onderbouwen dat hij vanuit Nederland zowel zijn vader als zijn moeder financieel ondersteunt. Tevens is verzoeker in de gelegenheid gesteld om, zoveel mogelijk met stukken, de gezondheidssituatie van zijn moeder te onderbouwen en om uit te leggen waarom hij in de periode totdat hij 18 jaar oud is geworden, niet door zijn overige volwassen familieleden die in Egypte verblijven kon worden opgevangen zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2008/115. Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd in reactie op het bericht van de rechtbank van 17 juli 2026. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 4 augustus 2026. Op 9 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek is heropend omdat de rechtbank het noodzakelijk acht om twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen. 1. Verzoeker is geboren en opgegroeid in Jemen bij beide ouders. De vader van verzoeker heeft de Jemenitische nationaliteit. De moeder van verzoeker heeft de Egyptische nationaliteit. Daarom heeft verzoeker zowel de Jemenitische als de Egyptische nationaliteit. De ouders van verzoeker zijn inmiddels gescheiden. De vader van verzoeker woont in Jemen en de moeder van verzoeker woont in Egypte. 2. Verzoeker heeft verklaard dat zijn vader in Jemen een bekend persoon is en regelmatig op televisie verscheen omdat hij journalist en een politiek activist is. De Houthi’s hebben zijn vader meerdere malen benaderd en onder druk gezet om in televisie-uitzendingen positieve dingen over hen te zeggen, maar zijn vader heeft dat geweigerd. De broer van verzoeker is daarom vermoord door de Houthi’s. Zijn vader heeft de overige gezinsleden verzocht om naar een andere woning te vluchten, wat verzoeker samen met zijn moeder en zussen heeft gedaan. Verzoeker heeft voorts verklaard dat zijn vader had gezegd dat ze uit Jemen moesten vluchten, maar dat er niet genoeg geld was om het hele gezin te laten vluchten. Op enig moment heeft zijn vader gezegd dat verzoeker moest vluchten. Verzoeker is toen samen met zijn moeder naar Egypte gereisd. Verzoeker heeft een maand samen met zijn moeder in Egypte doorgebracht voordat hij alleen via Italië de Unie is ingereisd. Verzoeker heeft op 21 mei 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend omdat hij vreest dat hij door de Houthi’s wordt gerekruteerd of net als zijn broer door hen zal worden vermoord. Verzoeker heeft tevens verklaard dat het leven in Jemen heel moeilijk is omdat er oorlog is. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan verzoeker geen internationalebeschermingsstatus hoeft te worden verleend. Verweerder stelt zich tevens in zijn besluit op het standpunt dat ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit zowel in Jemen, als in Egypte adequate opvangmogelijkheden voor verzoeker zijn omdat zijn ouders daar wonen en hij met beide ouders contact heeft. Volgens verweerder verzet het belang van het kind zich niet tegen de terugkeer van verzoeker naar Jemen en naar Egypte. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat hij een terugkeerbesluit kon uitvaardigen aan verzoeker, ondanks dat verzoeker een niet-begeleide minderjarige was ten tijde van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming en het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. 4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij niet kan terugkeren naar Jemen gelet op de redenen die hij aan zijn verzoek om internationale bescherming ten grondslag heeft gelegd. Tevens vindt verzoeker dat er op het moment dat hij minderjarig was, geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd waarin Egypte als land van terugkeer is benoemd. Zijn moeder is ziek, heeft een slechte woning en heeft geen inkomen en kon daarom niet worden aangemerkt als adequate opvang voor verzoeker. Verzoeker vindt tevens dat het belang van het kind onvoldoende is betrokken bij de uitvaardiging van het terugkeerbesluit. 5. De rechtbank overweegt dat het besluit voor zover dit betrekking heeft op Jemen geen stand houdt. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de mate van willekeurig geweld in Jemen dermate hoog is, dat hierdoor zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Jemen alleen al door zijn aanwezigheid in dat land een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon zou lopen . Dit betekent vooralsnog onder meer dat er geen terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd waarin Jemen als land van terugkeer is aangemerkt. De rechtbank zal dit in haar einduitspraak nader motiveren en daarbij ook beoordelen of aan verzoeker, daargelaten dat de mate van willekeurig geweld aanspraak geeft op de subsidiairebeschermingsstatus, de vluchtelingenstatus moet worden verleend. De rechtbank zal in de einduitspraak een actuele en ex nunc beoordeling van de beschermingsbehoefte van verzoeker verrichten en zal, zo nodig, een actuele beoordeling verrichten van de vraag of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de aanmerking van Jemen als land van terugkeer in de weg staat. 6. Het hoofdgeding spitst zich in deze fase van de procedure toe op de vraag of verweerder Egypte als land van terugkeer kon aanmerken. De prejudiciële vragen van de rechtbank hebben betrekking op de beoordeling die de rechtbank in dat verband moet maken. 7. Verzoeker heeft de Egyptische nationaliteit, zodat Egypte in beginsel als land van terugkeer kan worden aangemerkt. Omdat verzoeker ten tijde van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige was, was verweerder verplicht om alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen waarin Egypte als land van terugkeer is aangemerkt, zich ervan te overtuigen dat verzoeker kon worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in Egypte. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit het geval is omdat de moeder van verzoeker in Egypte woont en verzoeker met haar contact heeft. Omdat volgens verweerder het belang van het kind zich niet verzet tegen de terugkeer van verzoeker naar Egypte, heeft verweerder op 6 maart 2025 het verzoek om internationale bescherming afgewezen en tevens een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin onder meer Egypte als land van terugkeer is aangemerkt. 8. Verzoeker heeft aangegeven dat zijn moeder ziek is en in een woning verblijft waar het lekt als het regent en waar ratten rondlopen die af en toe zijn kleding kapot maakten. Verzoeker stelt ook dat hij met het geld dat hij heeft ontvangen omdat niet tijdig is beslist op zijn verzoek om internationale bescherming en met het leefgeld dat hij als verzoeker ontvangt en met het geld dat hij met zijn bijbaan verdient, zijn beide ouders vanuit Nederland financieel ondersteunt en dit ook al deed toen hij minderjarig was. 9. In het hoofdgeding komt de vraag op of de enkele vaststelling dat een ouder van een niet-begeleide minderjarige in het land dat als land van terugkeer is aangemerkt verblijft en de niet-begeleide minderjarige met deze ouder contact heeft of kan krijgen, volstaat om aan te nemen dat sprake is van adequate opvang of dat onder omstandigheden nader onderzoek door de autoriteiten is vereist. De rechtbank vraagt zich tevens af op welke wijze het belang van het kind moet worden vastgesteld en in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of aan verzoeker een terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd waarin Egypte als land van terugkeer is aangemerkt. Het lijkt er op dat verweerder deze beoordeling verricht op basis van aannames van wat het belang van kinderen in het algemeen is. Het lijkt er ook op dat alleen wordt beoordeeld of het belang van het kind zich verzet tegen terugkeer en niet wordt beoordeeld of het in het belang van het kind is om niet terug te hoeven keren 10. Verzoeker is op [geboortedatum] 2025 18 jaar oud en dus meerderjarig geworden. Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat het terugkeerbesluit voor zover hierin Egypte als land van terugkeer is aangemerkt, moet worden vernietigd, kan verweerder een nieuw terugkeerbesluit uitvaardigen. Verweerder hoeft zich er dan niet langer van te vergewissen of in Egypte sprake is van adequate opvangvoorzieningen voor verzoeker en zal dan ook geen of minder gewicht hoeven toe te kennen aan het belang van het kind. Dit betekent echter niet dat de vragen van de rechtbank louter hypothetisch zijn. In Nederlandse regelgeving en beleid is voorzien in vergunningverlening aan niet-begeleide minderjarigen als de terugkeer niet kan plaatsvinden vanwege het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden. Hiermee wordt toepassing gegeven aan de bevoegdheid die de lidstaten ingevolge artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 hebben. Indien op 6 maart 2025 geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd waarin Egypte als land van terugkeer kon worden aangemerkt omdat er geen adequate opvangvoorzieningen als bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 208/115 beschikbaar waren waar verzoeker naar kon terugkeren, zal verweerder alsnog aan verzoeker met ingang van 21 mei 2023, de dag waarop verzoeker in Nederland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, een verblijfsrecht en verblijfsvergunning op grond van Nederlandse regelgeving en beleid moeten verlenen. Verweerder zal in dat geval bij de verlening van de verblijfsvergunning moeten motiveren of dit verblijfsrecht kan worden beperkt tot de periode waarin verzoeker minderjarig was. Hierbij dient verweerder het belang van het kind te betrekken, waarbij de ingangsdatum van de vergunning het moment is voor de vaststelling en de weging van dat belang. Indien verweerder gedurende de verwijzingsprocedure het besluit van 6 maart 2025 deels intrekt en Egypte niet langer als land van terugkeer zou worden aangemerkt, zal de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit voor zover hierin Jemen als land van terugkeer is aangemerkt beoordelen. Ook in dat geval is de gevraagde nadere verduidelijking van het Unierecht noodzakelijk. 11. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om dit nader te preciseren en om de navolgende prejudiciële vragen van de rechtbank te beantwoorden: I Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat bij het onderzoeken of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich niet kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor de niet-begeleide minderjarige? II Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het vereist dat de bevoegde nationale autoriteit alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een niet-begeleide minderjarige, het belang van deze niet-begeleide minderjarige in het kader van een individuele beoordeling en zoveel mogelijk in overeenstemming met de General Comments van het VN Comité voor de Rechten van het Kind op een onafhankelijke en deskundige wijze vaststelt? Toepasselijke bepalingen Verdrag inzake de rechten van het Kind Artikel 3 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Verdrag betreffende de Europese Unie Artikel 3 (…) 5. In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 24 – De rechten van het kind (…) 2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging. Richtlijn 2008/115 Overwegingen (22)Overeenkomstig het Verdrag van 1989 van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind dienen de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn het belang van het kind voorop te stellen. Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dienen de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn de eerbiediging van het gezinsleven voorop te stellen. (24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Artikel 1 – Toepassingsgebied In deze richtlijn worden de gemeenschappelijke normen en procedures vastgesteld die door de lidstaten moeten worden toegepast bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen, overeenkomstig de grondrechten die de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en het internationaal recht vormen, met inbegrip van de verplichting om vluchtelingen te beschermen en de mensenrechten te eerbiedigen. Artikel 2 – Werkingssfeer 1. Deze richtlijn is van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. (…) Artikel 3 – Definities Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: (…) 2.„illegaal verblijf”: de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat; (…) „terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld; (…) 5. “ verwijdering”: de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat; (…) 9. „ kwetsbare personen”: minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan. Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: a. a) het belang van het kind; b)het familie- en gezinsleven; c)de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement Artikel 6 – Terugkeerbesluit 1.Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. (…) 4.De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf. (…) 6.Deze richtlijn belet niet dat in de lidstaten het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit en/of een inreisverbod overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratieve of rechterlijke besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht. Artikel 10 - Terugkeer en verwijdering van niet-begeleide minderjarigen (…) 2. Voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, overtuigen zij zich ervan dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Richtlijn 2013/33 (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) Artikel 1 Deze richtlijn heeft ten doel normen vast te stellen voor de opvang in de lidstaten van personen die om internationale bescherming verzoeken („verzoekers”). Artikel 2 Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: (…) d. “minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar; Vreemdelingenwet 2000 (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) Artikel 45 1.De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat: (…) Vreemdelingenbesluit 2000 (zoals deze luidde op 6 maart 2025, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) Artikel 3.48 De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die: (…) 2. De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan: a. vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken Vreemdelingencirculaire 2000 (B) (zoals deze luidde op 6 maart 2025, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is) B8/6.1 Beleidsregels Op grond van artikel 3.48 Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het specifieke buitenschuldbeleid aan een amv als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: -de vreemdeling is alleenstaand; -de vreemdeling is (nog) minderjarig; -de vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -voor de vreemdeling is in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naartoe kan gaan geen adequate opvang of het vertrek kan buiten de schuld van de vreemdeling niet plaatsvinden en hij heeft zich actief ingezet om zijn vertrek te realiseren. B8/6/1 Ad 5 Adequate opvang De IND verstaat onder adequate opvang in het land van herkomst: iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden. De IND neemt het bestaan van adequate opvang in ieder geval aan als sprake is van één van de volgende omstandigheden: a. in het betreffende land is een familielid tot in de vierde graad aanwezig; b. uit feiten en omstandigheden komt naar voren dat een ander familielid dan in a. gesteld of een meerderjarige, niet zijnde een familielid, adequate opvang kan bieden; c. opvang in een (particuliere) opvanginstelling is voorhanden en de IND beschouwt deze opvang naar lokale omstandigheden als aanvaardbaar; d. uit het landgebonden asielbeleid volgt dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang; e. op grond van algemene informatie blijkt dat de algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn. Ad a. Bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een amv als adequaat mag worden beschouwd, zal primair worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat. 6.2.2. Vertrek kan buiten de schuld van de amv niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag (verlening na nader onderzoek) De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan drie jaar na indiening van de eerste verblijfsaanvraag worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: -De vreemdeling is ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag jonger dan vijftien jaar; -De vreemdeling heeft geloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn identiteit, nationaliteit, ouders en andere familieleden; -De vreemdeling heeft zich actief ingezet om zijn eigen terugkeer te realiseren. Zo heeft hij zich actief ingezet om zijn eigen identiteit en nationaliteit aan te tonen, een (vervangend) reisdocument te verkrijgen (indien nodig) en contact te leggen met familie of andere personen of organisaties in het land van herkomst naar wie hij zou kunnen terugkeren; -In nader onderzoek is vastgesteld dat er geen sprake is van adequate opvang; Rechtsvraag en overwegingen 12. Verzoeker was op 21 mei 2023, de dag waarop dat hij in Nederland zijn verzoek om internationale bescherming indiende, 16 jaar, 2 maanden en 9 dagen oud en was een ‘niet-begeleide minderjarige’, zoals bedoeld in zoals bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2008/115. De rechtbank merkt hierbij op dat richtlijn 2008/115 geen definitie bevat van het begrip ‘minderjarige’. Het Hof heeft in haar arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ echter verduidelijkt dat dit begrip in artikel 2, onder d), van richtlijn 2013/33 wordt gedefinieerd als „een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar” en dat met het oog op een samenhangende en uniforme toepassing van het Unierecht op het gebied van asiel en immigratie, dezelfde definitie moet worden gehanteerd in het kader van richtlijn 2008/115 . De Uniewetgever heeft deze definitie gehandhaafd in artikel 2, lid 4, van richtlijn 2024/1346, welke richtlijn thans van toepassing is. 13. Vanaf het moment van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming op 6 maart 2025, is sprake van illegaal verblijf zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2008/115. Verweerder is gelet op artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, behoudens de in de leden 2 tot en met 5 van deze bepalingen vermelde uitzonderingen, verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. De lidstaten moeten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, ook wanneer zij voornemens zijn een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel vast te stellen ten aanzien van een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander, de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan die derdelander toegekende grondrechten eerbiedigen . 14. In het besluit van 6 maart 2025 is het verzoek om internationale bescherming afgewezen en is bepaald dat dit besluit tevens als terugkeerbesluit geldt. In de Nederlandse vreemdelingenwet, die van toepassing was op het moment van het nemen van het besluit van 6 maart 2025, was bepaald dat de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming als terugkeerbesluit geldt, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan . Tegen verzoeker was vóór 6 maart 2025 geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. 15. Verzoeker was ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming 17 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. 16. De autoriteiten zijn ingevolge artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn onder meer rekening te houden met het belang van het kind. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt dat voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zij zich ervan overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Hof heeft in het arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ verduidelijkt dat dit onderzoek naar adequate opvang moet plaatsvinden voorafgaand aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. 17. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit, dat deel uitmaakt van het besluit van 6 maart 2025, bepaald dat de terugkeerverplichting op Jemen en op Egypte ziet. Op 3 maart 2025 heeft verweerder een voornemen tot het afwijzen van het verzoek om internationale bescherming en het uitvaardigen van een terugkeerbesluit kenbaar gemaakt. In dit voornemen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in beide landen adequate opvang voor verzoeker aanwezig is. Verzoeker heeft op het moment van het uitbrengen van dit voornemen recent contact gehad met zijn vader en is op de hoogte van de omstandigheid dat zijn vader is verhuisd naar een ander adres in Sanaa. Verweerder heeft voorts gemotiveerd dat beide ouders in Jemen en moeder in Egypte voor verzoeker hebben gezorgd. Hoewel verzoeker sinds zijn vertrek uit Egypte geen direct contact heeft met zijn moeder, wordt er wel via een vriend contact met haar gelegd. Verweerder heeft er op gewezen dat verzoeker heeft verklaard dat zijn moeder in een woning verblijft en in welke wijk en straat in Alexandrië deze woning is. Verzoeker heeft in zijn gehoor, dat op 27 februari 2025 heeft plaatsgevonden, op vragen van de hoormedewerker gezegd dat hij denkt dat zijn ouders weer voor hem kunnen zorgen. Verweerder vindt dat sprake is van adequate opvang omdat verzoeker traceerbare adressen van zijn ouders heeft gegeven, in contact staat met hen en heeft verklaard dat zijn ouders voor zijn komst naar de Unie voor hem hebben gezorgd en zelf heeft verklaard dat zijn ouders bereid zijn na terugkeer weer voor hem te zorgen. Verweerder heeft met betrekking tot de aanwezigheid van adequate opvang tot slot gemotiveerd dat het treurig is dat moeder ziek is, maar dat niet aan de aanmerking van Egypte als land van terugkeer in de weg staat omdat zijn moeder al lang ziek is en in het verleden desondanks voor hem heeft kunnen zorgen. Verweerder baseert zijn beslissing dat in Egypte sprake is van adequate opvang niet op de verklaring van verzoeker dat drie ooms en twee tantes, die familieleden van moeder zijn, in Egypte wonen. 18. In het voornemen van 3 maart 2025 heeft verweerder verder gemotiveerd dat er een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd omdat er sprake is van adequate opvang in Jemen en in Egypte. Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat bij de beoordeling of een terugkeerbesluit kan worden opgelegd de belangen van het kind zorgvuldig gewogen worden. Verweerder heeft aangegeven dat hij terugkeer naar het land van herkomst in het belang van verzoeker acht omdat: -Een snelle hereniging met ouders of andere volwassenen die volgens de wet of het gewoonterecht gezag hebben in zijn belang is; - Een snelle terugkeer gewenst is naar het land waarvan verzoeker de taal spreekt; - Een snelle terugkeer gewenst is naar het land waar hij is opgegroeid en het grootste gedeelte van zijn leven naar school is geweest; - Gelet op het korte verblijf van verzoeker in Nederland en/of zijn (jonge) leeftijd er nog geen wezenlijke banden met Nederland zijn opgebouwd. Verzoeker verblijft nu bijna 36 maanden in Nederland; -Er niet is gebleken van bijzondere kwetsbaarheid dan wel ernstige fysieke of mentale problemen. - Er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker zijn opleiding niet in Jemen of Egypte kan voortzetten. Dat de kwaliteit van het onderwijs in Jemen en Egypte niet van hetzelfde niveau is als in Nederland, is niet doorslaggevend nu dit voor alle kinderen in Jemen en Egypte geldt. - Het in het belang van verzoeker is om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de vraag of hij in Nederland mag opgroeien of in Jemen of Egypte. De IND probeert daarom zonder onnodige vertraging te beslissen op de aanvraag. Verweerder vindt gelet op deze motivering dat de terugkeer naar Jemen en Egypte in het belang van verzoeker is en daarmee in het belang van het kind zoals verwoord in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Verweerder heeft in het besluit van 6 maart 2025 verwezen naar deze motivering in het voornemen. 19. Verzoeker vindt dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake is van adequate opvang omdat het er niet om gaat of de ouders van verzoeker voor hem willen zorgen, maar dat zij dat niet kunnen gelet op de omstandigheden waarin zij verkeren. Volgens verzoeker focust verweerder op de zorgplicht van de ouders, maar sluit verweerder de ogen voor de moeilijkheden die zij hierbij ondervinden. Vader krijgt zijn pensioenuitkering niet en in Jemen is sprake van een onveilige situatie. Moeder heeft erbarmelijke huisvesting, heeft gebrek aan middelen en heeft medische problematiek. Verweerder had moeten beoordelen wat deze omstandigheden voor verzoeker betekenen als hij moet terugkeren. 20. De rechtbank heeft verzoeker tijdens de behandeling van het beroep nadere vragen gesteld over de verklaringen die hij heeft afgelegd toen hij werd gehoord door verweerder. Verzoeker heeft over zijn persoonlijke omstandigheden onder meer verklaard dat hij 13 jaar oud was toen hij stopte met school. Zijn vader was pensioengerechtigd, maar dit pensioen werd op een gegeven moment niet meer betaald omdat er in Jemen niets wordt uitbetaald. Zijn vader kreeg af en toe geld als hij op televisie kwam en zijn vader kreeg af en toe geld van zijn vrienden om van te leven. Verzoeker heeft ongeveer, samen met zijn moeder, een maand in Egypte verbleven omdat zij uit Jemen waren gevlucht voor de oorlog. Sinds verzoeker is vertrokken verblijft zijn moeder alleen in Egypte. De moeder van verzoeker kan in Egypte in haar levensonderhoud voorzien doordat verzoeker haar, vanuit Nederland, helpt door het leefgeld waar verzoeker aanspraak op maakt naar haar toe te sturen. Verzoeker helpt op deze wijze ook zijn vader. Verzoeker heeft geen contact met zijn andere volwassen familieleden in Egypte. Verzoeker en zijn moeder mochten een woning van zijn oom die verhuisde gebruiken, maar die woning stortte bijna in en lekte als het ging regenen en in de woning waren ratten. Verzoeker verstaat de Egyptisch Arabische taal en spreekt de taal een beetje. De moeder van verzoeker is in die woning blijven wonen. Verzoeker heeft ook verklaard dat zijn moeder kort voor zijn vertrek ziek is geworden en naar het ziekenhuis moest, maar dat zijn vader en moeder daar geen geld voor hadden. Zijn oom wilde niet betalen. Zijn moeder is alleen in Egypte en redt het niet om alleen naar het ziekenhuis te gaan en redt het ook niet om te koken. Verzoeker heeft op de vraag of zijn moeder voor hem zou kunnen zorgen als hij zou terugkeren verklaard dat dat zou kunnen, maar dat zijn moeder ziek is en hij voor haar moet zorgen. De rechtbank merkt op dat verzoeker ter zitting heeft verduidelijkt dat hij niet heeft gezegd dat zijn moeder voor hem zou kunnen zorgen, maar dat hij heeft gezegd dat hij zich zorgen maakt over haar en hij voor haar moet zorgen omdat ze ziek is. Verzoeker heeft in het gehoor dat verweerder met hem heeft gehouden verklaard dat hij toen hij naar Egypte ging, heel even dacht dat hij daar veilig kon zijn, maar dat hij er achter kwam dat de situatie daar heel moeilijk is en dat hij niet naar school kon in Egypte en dat die woning waarin hij met zijn moeder woonde zo slecht was dat de woning op elk moment in kon storten. Elke keer als het ging regenen moest hij boven in de woning snel het water weghalen, anders bleef het lekken. Het geld dat hij naar zijn vader in Jemen en naar zijn moeder in Egypte stuurde, was geld dat hij verdiende door na school in een restaurant te werken. Tevens heeft hij het leefgeld dat hij als materiële opvangvoorziening krijgt en het geld dat aan hem is uitgekeerd door verweerder vanwege het niet binnen de termijn beslissen op zijn verzoek, aan zijn ouders overgemaakt. 21. Verzoeker heeft na de behandeling van het beroep ter zitting stukken overlegd die zijn verklaringen dat hij geld overmaakt naar zijn beide ouders ondersteunen. Uit deze stukken blijkt onder meer dat eiser geld naar zijn moeder stuurde op het moment dat hij minderjarig was. In een medisch rapport van 21 juli 2026 hebben de behandelend arts en medisch directeur van de Andalusia Roushdy Klinieken in Alexandrië vermeld dat de moeder van verzoeker lijdt aan schizofrenie, psychose, hallucinaties en waanideeën en dat dit rapport is opgesteld op verzoek van de patiënte om het voor te leggen aan wie het aangaat. 22. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het onderzoek dat verweerder heeft verricht volstaat om aan te nemen dat sprake is van adequate opvang in Egypte. Verweerder heeft in zijn beleid bepaald dat onder adequate opvang in het land van herkomst iedere opvang, ongeacht de vorm, waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden wordt verstaan . Tevens is in dit beleid bepaald dat bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een niet-begeleide minderjarige als adequaat mag worden beschouwd, primair zal worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen en dat opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat. 23. Het Hof heeft in haar arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ gepreciseerd welke verplichtingen de autoriteiten hebben als een niet-begeleide minderjarige door de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt. Het Hof heeft in dit arrest onder meer verduidelijkt dat alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige het mogelijk maakt om te bepalen wat het „belang van het kind” is, en om een besluit te nemen dat aan de vereisten van richtlijn 2008/115 voldoet. Het Hof heeft tevens uitgelegd dat de lidstaat bij de beslissing omtrent de uitvaardiging van een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige terdege rekening houden met meerdere aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige. Het Hof heeft overwogen dat het opleggen van een terugkeerbesluit zonder eerst na te gaan of sprake is van adequate opvang, kan leiden tot de situatie dat de verwijdering niet kan plaatsvinden vanwege het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden. De betrokken niet-begeleide minderjarige zou dan in grote onzekerheid komen te verkeren met betrekking tot zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding, zijn band met een pleeggezin of de mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven. Het Hof heeft uitgelegd dat een dergelijke situatie onverenigbaar is met het vereiste overeenkomstig artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 en artikel 24, lid 2, van het Handvest om het belang van het kind in alle fasen van de procedure te beschermen. 24. De rechtbank overweegt dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest TQ, de niet-begeleide minderjarige in Guinee was geboren, maar op zeer jonge leeftijd met zijn tante in Sierra Leone is gaan wonen en na haar overlijden naar Europa was gebracht en slachtoffer van mensenhandel is geworden. Die niet-begeleide minderjarige wist niet waar zijn ouders waren en hij zou ze ook niet herkennen. In die procedure had verweerder geen onderzoek naar adequate opvang verricht omdat verweerder toen in zijn beleid een louter op leeftijd gebaseerd onderscheid maakte en bij minderjarigen die ouder waren dan 15 jaar in het geheel geen onderzoek naar adequate opvang verrichte maar de verwijdering uitstelde totdat de niet-begeleide minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikte . In het hoofdgeding heeft verzoeker wel contact met zijn vader en zijn moeder, die in verschillende landen wonen en heeft verweerder wel beoordeeld of sprake is van adequate opvang in het land van terugkeer. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of de uitlegging in het arrest TQ van overeenkomstige toepassing is op de situatie als in het hoofdgeding. 25. De rechtbank meent dat er een verschil moet worden gemaakt tussen de verplichting die de autoriteiten ingevolge artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 hebben en de verplichting die er in bestaat om het belang van het kind bij alle handelingen een essentiële overweging te laten zijn. 26. Het grondrecht dat is verankerd in artikel 24, lid, 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is geen absoluut grondrecht . Artikel 10 lid 2, van richtlijn 2008/115 kan evenwel gelet op de bewoordingen en indachtig de verduidelijking die het Hof in het arrest TQ heeft gegeven over deze verplichting, niet anders worden begrepen als een absoluut verbod om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige indien er voor deze niet-begeleide minderjarige in het land van terugkeer geen adequate opvang toegankelijk en beschikbaar is en als een absoluut verbod om een niet-begeleide minderjarige te verwijderen indien er voor deze niet-begeleide minderjarige in het land van terugkeer geen adequate opvang toegankelijk en beschikbaar is. Indien er geen adequate opvangvoorzieningen zijn, komt aan het belang van het kind geen verdere betekenis toe in de terugkeerprocedure. Dit belang kan er immers niet alsnog toe leiden dat er een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, dan wel tot verwijdering wordt overgegaan. 27. Naar het oordeel van de rechtbank dient dan ook uitsluitend in het geval er wel sprake is van een situatie dat de niet-begeleide minderjarige in beginsel kan worden teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer, aanvullend te worden beoordeeld of het ook in het belang van dit kind is om dit terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het vaststellen en wegen van het belang van het kind behelst een meeromvattend onderzoek en komt pas aan de orde als er in beginsel sprake is opvangvoorzieningen die voor de betreffende niet-begeleide minderjarige als adequaat kunnen worden beschouwd en deze opvangvoorzieningen na terugkeer ook toegankelijk zullen zijn. 28. Artikel 5 van richtlijn 2008/115 vormt een algemene regel die de autoriteiten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dus onder meer bij het vaststellen van een terugkeerbesluit, moeten de autoriteiten rekening houden met het belang van het kind. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of de verplichtingen die de autoriteiten op grond van artikel 10, lid 2 van deze richtlijn hebben een uitwerking van artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 is en in de situatie dat het kind in de procedure een niet-begeleide minderjarige is, een absoluut verbod inhoudt om een terugkeerbesluit op te leggen en uit te voeren indien er voor deze niet-begeleide minderjarige in het land van terugkeer geen adequate opvang toegankelijk en beschikbaar is waar een verdere belangenafweging niet noodzakelijk is. 29. Indien het artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 moet worden beschouwd als een absoluut verbod om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige en als een absoluut verbod om een niet-begeleide minderjarige te verwijderen indien er voor deze niet-begeleide minderjarige in het land van terugkeer geen adequate opvang toegankelijk en beschikbaar is, komt de vraag op wanneer sprake is van adequate opvang. Uit artikel 10, lid 2 van richtlijn 2008/115 volgt dat de Uniewetgever een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer als adequate opvangvoorzieningen aanmerkt. 30. Verweerder stelt in wezen dat de aanwezigheid van een ouder in het land van terugkeer met wie enige vorm van contact is en die traceerbaar is, in beginsel volstaat om de aanwezigheid van adequate opvang aan te nemen en dit volgt ook uit het Nederlandse beleid. De rechtbank vraag zich af of met deze vaststelling en dit beperkte onderzoek kan worden volstaan. 31. Het Hof heeft in het arrest TQ onder meer het navolgende voor recht verklaard: 1)Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG (…), gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de betrokken lidstaat, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind. In dat kader dient die lidstaat zich ervan te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. 2)Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en in het licht van artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, geen louter op leeftijd gebaseerd onderscheid mag maken tussen niet-begeleide minderjarigen.” 32. De rechtbank overweegt dat indien verweerder de situatie van verzoeker algemeen en grondig moet onderzoeken bij de beoordeling of in Egypte sprake is van adequate opvang, de rechtbank tot de conclusie zal komen dat het onderzoek dat verweerder heeft verricht niet zorgvuldig en volledig is geweest en het terugkeerbesluit, voor zover de terugkeerverplichting betrekking heeft op Egypte, moet worden vernietigd. Verzoeker heeft in dat geval terecht aangevoerd dat niet alleen moet worden nagegaan of de moeder van verzoeker voor verzoeker wilde zorgen, maar ook of zij daartoe in staat kon worden geacht. 33. De rechtbank meent dat een onderzoek naar adequate opvang niet vanzelfsprekend een onderzoek naar pedagogische vaardigheden van de betreffende ouder(s) inhoudt. Tegelijkertijd is het verwijzen naar de zorgplicht die iedere ouder voor zijn kind heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om een ouder reeds daarom als adequate opvang aan te merken. De Uniewetgever heeft niet-begeleide minderjarigen in artikel 3, lid 9, van richtlijn 2008/115 uitdrukkelijk benoemd als ‘kwetsbare personen’. Ook heeft te gelden dat een minderjarige een zelfstandig drager van rechten is. Voor het kunnen effectueren van een aantal rechten is een minderjarige weliswaar afhankelijk van meerderjarigen en doorgaans van zijn ouders. Uitgangspunt bij de beoordeling of deze volwassen ouder als adequate opvang zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 kan worden aangemerkt, moet naar het oordeel van de rechtbank echter de rechten en meer in het bijzonder de zorgbehoefte van de niet-begeleide minderjarige en niet de zorgverplichting van de ouder zijn. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of verweerder, voor zover moeder de plicht en het recht had om haar minderjarige zoon te verzorgen en op te voeden, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen had moeten beoordelen of moeder kon voldoen aan de zorgbehoefte die inherent is aan de minderjarigheid van verzoeker. De rechtbank merkt in dit verband op dat het aan verzoeker vragen of hij denkt dat zijn moeder na terugkeer voor hem zou kunnen zorgen, terwijl hij ten tijde van dat gehoor minderjarig is, in wezen een ongepaste vraag is. Daargelaten dat een gehoor kindvriendelijk moet plaatsvinden met betrekking tot de inrichting van dat gehoor, dienen de vragen te worden verduidelijkt zodat een minderjarige de vraag en de strekking hiervan kan begrijpen en kan overzien wat de mogelijke gevolgen zijn van de antwoorden die worden gegeven. Dat is evident niet het geval als de beslisautoriteiten deze vraag aan een niet-begeleide minderjarige stellen met het oogmerk om deze ouder als adequate opvang te kunnen aanmerken. Verweerder had zich er daarenboven rekenschap van moeten geven dat het stellen van deze vraag aan een kind een loyaliteitsconflict kan opleveren omdat verzoeker moet verklaren of zijn moeder voor hem, als kind, wil en kan zorgen. Deze directe vraag is ook niet nodig om verweerder in staat te stellen om te beoordelen of verzoeker naar zijn moeder in Egypte kan worden terugkeren. Verzoeker heeft namelijk ook verklaard dat zijn moeder ziek is, zij in haar levensonderhoud voorziet doordat verzoeker als minderjarige haar financieel ondersteunt en in een woning verblijft die lekt en zij niet in staat is om zelfstandig naar het ziekenhuis te gaan of te koken. Daargelaten dat verzoeker ter zitting op 14 juli 2026 ten overstaan van de rechtbank heeft verklaard dat hij niet heeft gezegd dat hij denkt dat zijn moeder voor hem kan zorgen, blijkt uit al deze verklaringen reeds dat verweerder zelf moet beoordelen of moeder als adequate opvang kan worden aangemerkt en niet kan volstaan met het uitgangspunt dat ouders in beginsel als adequate opvang kunnen worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu verzoeker heeft bewezen dat hij zijn beide ouders financieel heeft ondersteund vanuit Nederland met gelden die hem toekomen. Verzoeker kon wellicht ook in Egypte, als minderjarige, werken en zijn inkomsten aan zijn moeder geven. Dit is echter niet relevant voor de vraag of een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd. Verweerder had dus moeten constateren dat verzoeker zijn moeder als het ware onderhoudt en had deze constatering moeten betrekken bij de vraag of moeder voor verzoeker als adequate opvang kan gelden en niet of verzoeker in Egypte samen met zijn moeder zou weten te overleven. 34. De vraag of sprake is van adequate opvang zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115, moet verweerder onderzoeken en beoordelen alvorens een terugkeerbesluit te vaardigen omdat de verplichtingen die uit richtlijn 2008/115 voortvloeien -uitsluitend- op de autoriteiten rusten. Verweerder kan zich, zo meent de rechtbank, niet aan deze verplichtingen onttrekken door te verwijzen naar de verklaring die verzoeker, terwijl hij minderjarig is, zelf over zijn moeder en haar vaardigheden en bereidheid om voor hem te zorgen aflegt. Voor zover verweerder heeft onderzocht of verzoeker contact heeft met zijn ouders en verzoeker weet wat de concrete verblijfsplaats van hen is, vermag de rechtbank niet in te zien waarom dit relevant is voor de beoordeling of deze ouders als adequate opvang als bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 kunnen worden aangemerkt. Het komt de rechtbank veeleer voor dat dit onderzoek wordt verricht om het terugkeerbesluit uit te kunnen voeren en de niet-begeleide minderjarige feitelijk en onder begeleiding van de autoriteiten te verwijderen naar het land waar de terugkeerverplichting op ziet om verzoeker feitelijk te herenigen met zijn ouder(s). Deze fase van de vertrekprocedure kan echter pas aan de orde komen als eerst is vastgesteld dat deze ouder(s) daadwerkelijk als adequate opvang kunnen worden gekwalificeerd. 35. Verweerder heeft de moeder van verzoeker die in Egypte verblijft aangemerkt als adequate opvang. De rechtbank verzoekt het Hof te verduidelijken of verweerder bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich in wezen kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor deze niet-begeleide minderjarige. Indien het Hof verduidelijkt dat het algemene en grondige onderzoek dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a), van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereist alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen, ook specifiek betrekking heeft op de beoordeling of sprake is van adequate opvang, zal de rechtbank vaststellen dat verweerder niet is ingegaan op de verklaringen van verzoeker over de omstandigheden waarin zijn moeder verkeert en haar medische problematiek. In het beleid dat verweerder voert is opgenomen dat iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden, wordt aangemerkt als adequate opvang. Dit uitgangspunt komt de rechtbank niet onredelijk voor. Verweerder heeft zich er echter geen rekenschap van gegeven dat verzoeker, als minderjarige, zijn beide ouders financieel heeft onderhouden terwijl het onderzoek naar adequate opvang er op gericht moet zijn of de ouders voor verzoeker konden zorgen toen hij minderjarig was. 36. De tweede prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de wijze waarop het belang van het kind moet worden vastgesteld en meer in het bijzonder of dit vereist dat dit niet op algemene aannames over minderjarigen berust, maar daadwerkelijk wordt onderzocht door ter zake deskundigen die hierbij onder meer rekening houden met de basale veiligheid, het welbevinden, de sociale ontwikkeling, waaronder zijn gezondheid, de mogelijkheid tot educatie en perspectief op zekerheid omtrent zijn toekomst van de (niet-begeleide) minderjarige. 37. De rechtbank overweegt dat voor zover zou moeten worden geconcludeerd dat Egypte in beginsel als land van terugkeer kan worden aangemerkt, het belang van het kind bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit een essentiële overweging moet zijn. 38. Het Hof heeft in haar arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L. onder meer voor recht verklaard dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale autoriteit op een door een minderjarige ingediend verzoek om internationale bescherming beslist zonder het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet te hebben vastgesteld . 39. De rechtbank leidt uit de verduidelijk die het Hof in dat arrest heeft gegeven af dat artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in elke procedure waarin een minderjarige de verzoeker in een procedure is, dan wel gevolgen ondervindt van het handelen en/of nalaten in procedures door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vereist dat het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet wordt vastgesteld. 40. In de procedure die heeft geleid tot het arrest K.L. is het Hof de vraag voorgelegd of lidstaten – om te kunnen voldoen aan de Unierechtelijke verplichting om het belang van het kind een essentiële overweging te laten zijn zoals uiteengezet in het arrest TQ -– verplicht zijn in alle vreemdelingrechtelijke procedures waarin een minderjarige is betrokken, ook als het geen niet-begeleide minderjarige is, eerst het belang van het individuele kind in de concrete procedure vast te stellen, zo nodig met behulp van een deskundige . Het Hof heeft in het arrest K.L. verduidelijkt dat bij gebreke aan (meer) gedetailleerde bepalingen in richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32, het aan de lidstaat staat om de nadere regels vast te stellen voor de beoordeling van het belang van het kind in het kader van een procedure voor internationale bescherming, waaronder het tijdstip of de tijdstippen waarop die beoordeling moet worden verricht en in welke vorm, mits daarbij artikel 24 van het Handvest en de in de punten 75 tot en met 79 van dat arrest genoemde bepalingen worden geëerbiedigd. 41. Deze uitlegging in het arrest K.L. had evenwel betrekking op richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie minder ruimte laat aan de lidstaten in het kader van hun procedurele autonomie bij het -verplicht- in aanmerking nemen van het belang van het kind bij het tenuitvoerleggen van richtlijn 2008/115, gelet op concrete en gedetailleerde bepalingen in deze richtlijn over de tijdstippen waarop die beoordeling moet worden verricht en het absolute verbod om een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een niet-begeleide minderjarige zonder eerst de situatie van die minderjarige algemeen en grondig te toetsen en de verplichting voor de autoriteiten om zich in dat kader ervan te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. De rechtbank wijst in dit verband op de nadere verduidelijking die het Hof in het arrest van 4 september 2025 in het arrest Adrar heeft gegeven over de -concrete- verplichting voor de bewaringsrechter om onder meer, zo nodig ambtshalve, na te gaan of het belang van het kind zich tegen de verwijdering, en dus de uitvoering van het terugkeerbesluit verzet . 42. De rechtbank meent dat om het belang van het kind daadwerkelijk te kunnen onderzoeken en vast te kunnen stellen, een zekere deskundigheid is vereist op het gebied van -onder meer, maar niet uitputtend- de sociale, geestelijke en fysieke ontwikkeling van kinderen, de behoefte van kinderen om begeleid te worden door volwassenen vanwege de aan hun leeftijd inherente kwetsbaarheid, educatieve vaardigheden en opleidingsmogelijkheden en de ontplooiing van hun persoonlijkheid en talenten. Tevens meent de rechtbank dat de vaststelling van het belang van het kind onafhankelijk dient te geschieden. De beoordeling van de vraag welk gewicht in een vreemdelingrechtelijke procedure moet worden toegekend aan het belang van het kind, kan door de administratieve autoriteiten geschieden die zijn belast zijn met de verlening van verblijfsvergunningen. Naar het oordeel van de rechtbank, bestaat echter de kans dat het belang van het kind niet ten volle wordt onderzocht indien de autoriteiten die beslissen over de verlening van een verblijfsrecht en verblijfsvergunning, dezelfde autoriteiten zijn die zelfstandig het belang van het kind dat moet worden betrokken bij de beoordeling van die verlening, vaststellen. In het hoofdgeding lijkt dit het geval te zijn geweest. 43. Indien het tot de procedurele autonomie van de lidstaten behoort om nadere regels vast te stellen voor de beoordeling van het belang van het kind in het kader van een terugkeerprocedure, waaronder het tijdstip of de tijdstippen waarop die beoordeling moet worden verricht en in welke vorm, mits daarbij artikel 24 van het Handvest wordt geëerbiedigd, is het, naar het oordeel van de rechtbank, bovendien onvermijdelijk dat de lidstaten dit niet op eenduidige wijze zullen doen. Dat zou betekenen dat het uitmaakt in welke lidstaat een niet-begeleide minderjarige een verzoek om internationale bescherming indient. Naar gelang de procedure die in de betreffende lidstaat wordt gevolgd, komt aan het grondrecht dat zijn belang als kind een essentiële overweging in de terugkeerprocedure vormt, meer of minder gewicht toe. 44. In de onderhavige procedure heeft verweerder het belang van het kind met name bepaald aan de hand van aannames die verweerder in het algemeen hanteert om ‘het belang van kind’ in de procedure te betrekken. Verweerder heeft zich ook beperkt tot het benoemen van argumenten die een terugkeerverplichting ondersteunen, zonder daarbij te onderzoeken of het wellicht in het belang van verzoeker is om niet naar Jemen of Egypte terug te keren en het in het belang van verzoeker zou kunnen zijn om een duurzaam verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen . Weliswaar dient het belang van een kind een essentiële overweging te zijn en hoeft aan het belang van het kind niet altijd een doorslaggevend belang te worden toegekend. Een belangenafweging veronderstelt echter dat er meerdere mogelijkheden worden onderzocht en dat dit onderzoek naar het belang van het kind dus ook kan leiden tot meerdere uitkomsten in de procedure. Verweerder heeft alleen benoemd welke feiten en omstandigheden zijn voornemen om een terugkeerbesluit uit te vaardigen ondersteunen en is voorbij gegaan aan feiten en omstandigheden die er op wijzen dat het nu juist niet in het belang van verzoeker is om terug te keren naar Egypte en Jemen. Verweerder heeft zijn onderzoek uitsluitend gebaseerd op de verklaringen die verzoeker, terwijl hij minderjarig was, zelf heeft afgelegd. Er heeft geen verderstrekkend onderzoek plaatsgevonden naar de omstandigheden in Jemen en Egypte waarin verzoeker na terugkeer zou komen te verkeren en naar bijvoorbeeld de kwetsbaarheid van verzoeker. Verweerder heeft ook geen advies gevraagd aan deskundigen en heeft geen ‘best interest of the child-assessment’ laten verrichten om te onderzoeken wat het belang van verzoeker in de terugkeerprocedure is. 45. Daargelaten dat op deze wijze het belang van het kind alleen is onderzocht om de terugkeermogelijkheden te onderzoeken, lijkt het hanteren van algemene uitgangspunten en aannames nu juist geen toepassing te zijn van de verklaring voor recht die het Hof in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L. heeft gegeven. Het Hof heeft verduidelijkt dat het belang van de minderjarige in het kader van een individuele beoordeling concreet moet worden vastgesteld. Verweerder gaat er in zijn beleid onder meer van uit dat een snelle terugkeer naar het land waar de niet-begeleide minderjarige is opgegroeid en het grootste gedeelte van zijn leven naar school is geweest wenselijk is. De rechtbank overweegt dat dit in het algemeen zo moge zijn, maar dat het evident is dat dit geen betrekking heeft op het belang van verzoeker in relatie tot terugkeer naar Egypte. Verzoeker heeft namelijk verklaard opgegroeid te zijn in Jemen, daar tot zijn 13e jaar naar school te zijn geweest, vervolgens uit Jemen te zijn gevlucht en daar ongeveer een maand gebleven te zijn voordat hij naar Nederland is gekomen. Dat geldt ook voor het argument van verweerder dat verzoeker vanwege zijn korte verblijf in Nederland en zijn jonge leeftijd nog geen wezenlijke banden met Nederland heeft opgebouwd. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat verzoeker op dat moment bijna 36 maanden in Nederland is. Ook dit argument is een algemeen argument dat verweerder in vergelijkbare zaken steeds benoemt. In het geval van verzoeker heeft te gelden dat op het moment van het nemen van dit voornemen, 3 maart 2025, verzoeker 36 maanden in Nederland verbleef. Daargelaten dat dit een relatief lange periode is voor een niet-begeleide minderjarige in een bovendien vormende levensfase, rijst de vraag waarom het dan in het belang van verzoeker is om naar Egypte te gaan, waar hij slechts 1 maand heeft verbleven. Verzoeker zal in 1 maand geen wezenlijke banden met Egypte hebben opgebouwd, althans dit blijkt in het geheel niet uit de verklaringen van verzoeker. Verweerder heeft bij zijn vaststelling van het belang van het kind benoemd dat er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker zijn opleiding niet kan voortzetten in Jemen of Egypte. Verweerder heeft evenwel geen enkel onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van verzoeker om in Egypte naar school te gaan. Verzoeker heeft daarentegen uitdrukkelijk verklaard dat hij niet naar school kon in Egypte. Wat de kwaliteit van het onderwijs is, is niet relevant als verzoeker geen toegang heeft tot dat onderwijs. Verweerder had dit dus moeten onderzoeken en bij zijn beoordeling van het belang van het kind moeten betrekken dat verzoeker in Nederland wel naar school ging op het moment dat het voornemen tot het uitvaardigen van het terugkeerbesluit werd genomen. Tot slot heeft verweerder overwogen dat het in het belang van verzoeker is om snel duidelijkheid te krijgen of verzoeker in Nederland mag opgroeien, dan wel in Jemen of Egypte en dat de IND daarom probeert zonder onnodige vertraging te beslissen op de aanvraag. De rechtbank overweegt dat het zonder meer in het belang van elke verzoeker en dus ook van een niet-begeleide minderjarige zal zijn om snel duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of hij een terugkeerverplichting krijgt. Ook dit is echter een algemeen uitgangspunt en verklaart in het geval van verzoeker niet waarom het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in zijn belang is. Daargelaten dat het verzoek om internationale bescherming is ingediend op 21 mei 2023 en het mededelen op 3 maart 2025 dat de IND probeert zonder onnodige vertraging te beslissen op dat verzoek, elke overtuigingskracht ontbeert, valt niet in te zien waarom het verschaffen van deze duidelijkheid zou betekenen dat het in het belang van verzoeker is om terug te keren naar Egypte. Verweerder zou immers ook duidelijkheid kunnen verschaffen door te beslissen dat het niet in het belang is van verzoeker om terug te keren en daarom geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. Een dergelijke beslissing neemt net zoveel tijd in beslag en verzoeker is gebaat bij duidelijkheid over zijn toekomst, maar dat dit betekent dat het daarom ook in zijn belang is om terug te keren naar Egypte, volgt hier niet uit. Verweerder heeft voorts benoemd dat een snelle terugkeer naar het land waarvan verzoeker de taal spreekt in het belang van verzoeker is. Verweerder heeft zich hierbij echter geen rekenschap gegeven dat verzoeker heeft verklaard dat “hij het Egyptisch Arabisch verstaat en een beetje spreekt omdat zijn mijn moeder Egyptisch is”. Terugkeer naar Egypte betekent voor verzoeker terugkeer naar een land waarvan hij de taal niet volledig beheerst en niet dagelijks spreekt. Dat het vanwege de taal in zijn belang zou zijn om naar Egypte terug te keren, is dan weinig begrijpelijk, temeer nu verzoeker in Nederland naar school gaat en in Nederland meerdere bijbaantjes heeft en de Nederlandse taal dus heeft moeten leren. Verzoeker heeft tijdens de zitting bij de rechtbank op 14 juli 2026, een jaar en 3 maanden nadat het terugkeerbesluit is uitgevaardigd, geen gebruik gemaakt van de tussenkomst van de in de zittingszaal aanwezige tolk om in zijn moedertaal te kunnen spreken, maar heeft in de Nederlandse taal deelgenomen aan de zitting en verklaringen afgelegd en geantwoord op vragen van de rechtbank. Het spreken en verstaan van een taal draagt onmiskenbaar bij aan de integratiemogelijkheden in een samenleving. Indien het beheersen van een taal een factor is in het vaststellen van het belang van het kind, dient dat wel betrekking te hebben op de betreffende minderjarige in plaats van gebaseerd te worden op de aanname dat de niet-begeleide minderjarige doorgaans de taal van het land waar de terugkeerverplichting ziet beheerst. 46. Verweerder neemt bij de vaststelling van het belang van het kind aan dat hereniging met de ouders in het belang van een niet-begeleide minderjarige is. Deze aanname past bij artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin ouders de eerst aangewezenen worden geacht om te voorzien in passende leiding en begeleiding aan kinderen bij het effectueren van de Verdragsrechten die zij als zelfstandig drager van rechten hebben. De rechtbank overweegt dat indien deze ouder(s) in de concrete procedure als adequate opvang kan worden aangemerkt, de beoordeling of het ook in het belang van de niet-begeleide minderjarige is om terug te keren naar die ouder(s) een verderstrekkend en daadwerkelijk onderzoek naar het concrete belang van dit kind moet inhouden. Verweerder hanteert een aantal algemene aannames en uitgangspunten, maar de argumenten die verweerder benoemt houden geen verband met de verklaringen die verzoeker over zijn moeder en zijn verblijf in Egypte heeft afgelegd en lijken daar zelfs mee in strijd. Uit de motivering blijkt ook niet dat er enig onderzoek is verricht naar onder meer de mogelijke kwetsbaarheid van verzoeker, zijn taalvaardigheid, zijn opleidingsmogelijkheden in het land van terugkeer, de omstandigheden waarin hij zou komen te verblijven en of sprake is van basisveiligheid en basale hygiënische omstandigheden in de huisvesting waar zijn moeder verblijft. De verklaringen van verzoeker geven hiertoe wel aanleiding. 47. In het hoofdgeding is het belang van het kind dus enkel onderzocht in het kader van de terugkeer, is de vaststelling gebaseerd op algemene aannames zonder dat daadwerkelijk onderzoek is verricht naar de feiten en omstandigheden waarin verzoeker na terugkeer zou komen te verkeren en zijn bovendien de concrete verklaringen die verzoeker heeft afgelegd, en waaruit mogelijk volgt dat het niet in zijn belang is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen maar daar zelfs tegen indruist, buiten beschouwing gelaten. De rechtbank overweegt dat op deze wijze de situatie van verzoeker niet algemeen en grondig lijkt te worden getoetst en daarmee ook niet verenigbaar lijkt met de verduidelijking die het Hof in het arrest TQ heeft gegeven. De rechtbank sluit niet uit dat dit inherent is aan nationale procedure waarin het belang van het kind wordt vastgesteld door de immigratiedienst in plaats van door deskundigen, die bovendien geen enkel belang hebben bij de uitkomst van de procedure en het belang van het kind onderzoeken vanuit het perspectief van het kind in plaats van in het kader van terugkeermogelijkheden. 48. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om te verduidelijken of de beoordeling of het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in het belang van het kind is, mag worden beperkt door dit belang alleen te onderzoeken in het kader van terugkeer en de beoordeling te baseren op algemene aannames in plaats van toe te spitsen op de concrete situatie van de vreemdeling, in zowel de lidstaat als in het beoogde land van terugkeer. 49. De rechtbank verzoekt het Hof tevens te verduidelijken of de lidstaten moeten waarborgen dat in hun nationale procedures de vaststelling en beoordeling van het belang van het kind op onafhankelijke en deskundige wijze plaatsvindt. Het komt de rechtbank voor dat indien de vaststelling van het belang van het kind niet op onafhankelijke en deskundige wijze geschiedt, de bescherming die artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 bieden door het gewicht dat de Uniewetgever toekent aan het belang van het kind, zodanig wordt uitgehold dat het nuttig effect van deze beschermende bepalingen deels teniet wordt gedaan. 50. De rechtbank wijst in dit verband voorts op het navolgende. 51. Het Hof heeft in het arrest van 11 juni 2024 in de zaak K.L onder meer het navolgende overwogen : (…) 73. Uit artikel 24, lid 2, van het Handvest en uit artikel 3, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar de toelichting op artikel 24 van het Handvest uitdrukkelijk naar verwijst, blijkt dat het belang van het kind niet enkel in aanmerking moet worden genomen bij de inhoudelijke beoordeling van verzoeken met betrekking tot kinderen, maar ook, middels specifieke procedurele waarborgen, van invloed moet zijn op de besluitvormingsprocedure die tot die beoordeling leidt. Zoals het Comité voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt, verwijst de uitdrukking „belangen van het kind” in dit artikel 3, lid 1, immers tegelijkertijd naar een inhoudelijk recht, een uitleggingsbeginsel en een procedureregel [zie General Comment nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind dat zijn belangen de eerste overweging vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 6]. (…) 52. Artikel 24, tweede lid, van het Handvest is een equivalent van artikel 3, tweede lid, van het Verdrag voor de Rechten van het Kind. De rechtbank wijst hierbij op het Handboek over het Europese Recht inzake Kinderrechten van de Fundamental Rights Agency waarin onder meer is opgenomen dat artikel 24 van het Handvest rechtstreeks is geïnspireerd door het Verdrag inzake de rechten van het kind en het belang van het kind als een van de beginselen van dit Verdrag hierin terugkomt. Dit Handboek licht ook toe dat de bescherming van de rechten van het kind is aan te merken als algemene doelstelling van de Europese Unie, wat uitdrukkelijk blijkt uit artikel 3, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uit de Richtsnoeren van de Europese Unie ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind . In punt 22 van de preambule bij richtlijn 2008/115 is bepaald dat overeenkomstig het Verdrag van 1989 van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn het belang van het kind voorop dienen te stellen. Minderjarigen worden blijkens artikel 3, lid 9, van richtlijn 2008/115 gedefinieerd als ‘kwetsbare personen’. Artikel 5, onder a) en artikel 10 van richtlijn 2008/115 zien uitdrukkelijk op het belang van het kind. 53. De Uniewetgever kent veel gewicht toe aan het belang van het kind. In het Unierecht is niet uiteengezet op welke wijze en meer in het bijzonder door wie, het belang van het kind moet worden vastgesteld. Het Comité voor de Rechten van het Kind, dat krachtens artikel 43 van het Verdrag inzake de rechten van het kind is ingesteld ter beoordeling van de voortgang die de Staten die partij zijn boeken bij het nakomen van de in dit Verdrag aangegane verplichtingen, heeft in General Comments wel nader uiteengezet dat en hoe het belang van het kind moet worden vastgesteld. 54. In General Comment Nr. 14 is onder meer het navolgende opgenomen: (…) “The concept of the child's best interests is complex and its content must be determined on a case-by-case basis. (…). It should be adjusted and defined on an individual basis, according to the specific situation of the child or children concerned, taking into consideration their personal context, situation and needs. For individual decisions, the child's best interests must be assessed and determined in light of the specific circumstances of the particular child . (…) Assessment and determination of the child’s best interests are two steps to be followed when required to make a decision. The “best-interests assessment” consists in evaluating and balancing all the elements necessary to make a decision in a specific situation for a specific individual child or group of children. It is carried out by the decision-maker and his or her staff – if possible, a multidisciplinary team –, and requires the participation of the child. The “best-interests determination” describes the formal process with strict procedural safeguards designed to determine the child's best interests on the basis of the best-interests assessment. (…) Assessing the child’s best interests is an unique activity that should be undertaken in each individual case, (…) Determining what is in the best interests of the child should start with an assessment of the specific circumstances that make the child unique. (…) 55. In General Comment Nr. 14 zijn voorts de factoren beschreven die onderzocht moeten worden om het belang van het kind vast te kunnen stellen. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft bovenstaande uitgangspunten herhaald in General Comment Nr. 22 . Zo is onder meer overwogen dat: (…) (…) 27.Article 3 (1) of the Convention on the Rights of the Child places an obligation on both the public and the private spheres, courts of law, administrative authorities and legislative bodies to ensure that the best interests of the child are assessed and taken as a primary consideration in all actions affecting children. (…) 31. In order to implement the best interests principle in migration-related procedures or decisions that could affect children, the Committees stress the need to conduct systematically best-interests assessments and determination procedures as part of, or to inform, migration-related and other decisions that affect migrant children. As the Committee on the Rights of the Child explains in its general comment No. 14, the child’s best interests should be assessed and determined when a decision is to be made. (…) 56. Zoals uit General Comment nr. 14 blijkt, is alleen ten aanzien van artikel 21 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat waarborgen bij adoptie garandeert, bepaald dat het belang van het kind een “paramount” belang is. Ten aanzien van alle andere kinderrechten geldt, dat artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat het belang van het kind een “primary” belang is. In General Comment Nr. 14 is voorts bepaald dat “The expression “primary consideration” means that the child’s best interests may not be considered on the same level as all other considerations.”. 57. Bij het ratificeren van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft Nederland in de Memorie van Toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag inzake de rechten van het kind aangegeven dat het belang van het kind geen absolute voorrang boven andere belangen heeft en dat dit mede komt door de diversiteit van de verdragsbepalingen, maar dat het evenwel met de doelstelling van het Verdrag in overeenstemming te achten is dat in geval van conflict van belangen, het belang van het kind als regel de doorslag hoort te krijgen. Dit uitgangspunt is evenwel niet neergelegd in regelgeving of beleid. In concrete vreemdelingrechtelijke procedures wordt het belang van kind vastgesteld op de wijze waarop dit in het hoofdgeding is geschied. 58. De rechtbank overweegt dat het Unierecht moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Verdragsrecht. Het Unierecht mag de rechten die aan het kind toekomen op grond van het Verdrag inzake de rechten van het kind niet beperken. In dit verband komt de vraag op of het verweerder vrijstaat om zelf te bepalen op welke wijze hij het belang van het kind vaststelt indien richtlijn 2008/115 ten uitvoer wordt gelegd. Het Hof heeft in het arrest K.L. verduidelijkt dat het aan de lidstaat staat om de nadere regels vast te stellen voor de beoordeling van het belang van het kind in het kader van een procedure voor internationale bescherming . Dit betreft echter de uitlegging van het Unierecht en meer in het bijzonder van richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32. 59. Het Comité voor de Rechten van het Kind is belast met de monitoring en de verduidelijking van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft uitgebreid en gedetailleerd beschreven op welke wijze een ‘best interest of the child-assessment’ moet worden verricht en welke factoren in ogenschouw moeten worden genomen bij het onderzoeken en vaststellen van het belang van een kind. Uit de General Comments volgt niet dat de beslisautoriteit deze vaststelling van het belang van het kind niet zou kunnen verrichten. Het onderzoek dat volgens het Comité voor de Rechten van het Kind echter is vereist om het belang van het kind grondig te onderzoeken en deugdelijk vast te stellen veronderstelt evenwel een uitgebreider onderzoek dat meer aspecten van de omstandigheden van het kind omvat dan het onderzoek zoals dit in het hoofdgeding heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek dient volgens het Comité voor de Rechten van het Kind ook zo mogelijk te worden verricht door een multidisciplinair team. De rechtbank vraagt het Hof dan ook om te verduidelijken of de vaststelling van het belang van het kind in een procedure waarin richtlijn 2008/115 ten uitvoer wordt gelegd volledig onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt of dat dit met inachtneming van General Comments van het VN Comité voor de rechten van het Kind op een onafhankelijke en deskundige wijze moet geschieden nu het Verdrag inzake de rechten van het kind, volgens de verduidelijking door het Comité voor de Rechten van het Kind, een specifiek en gedetailleerd omschreven ‘best interest of the child-assessment’ vereist. Indien het belang van het kind niet op juiste wijze en daardoor te beperkt en uitsluitend vanuit het perspectief van de beslisautoriteit wordt vastgesteld, doet dit afbreuk aan het gewicht dat de Verdragsluitende partijen en de Uniewetgever hebben toegekend aan het belang van het kind. Indien de lidstaten overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het belang van het kind voorop dienen te stellen, komt het de rechtbank voor dat het Unierecht de inhoud en reikwijdte van de bescherming die de internationale gemeenschap voor kinderen heeft opgenomen in het Verdrag inzake van de rechten van het kind niet kan beperken. 60. De rechtbank wijst er op dat in het Terugkeerhandboek onder meer het navolgende is opgenomen: (…) Duurzame oplossingen zijn van cruciaal belang om voor alle minderjarigen op de lange termijn normaliteit en stabiliteit te creëren. Terugkeer is een van de opties die moeten worden onderzocht bij het zoeken naar een duurzame oplossing voor niet-begeleide minderjarigen en de lidstaten moeten in hun aanpak altijd het belang van het kind centraal stellen.(…) Daarnaast moet het belang van het kind altijd individueel worden beoordeeld, onder meer op basis van de bijzondere behoeften, de actuele gezinssituatie en de situatie en opvangomstandigheden in het land van terugkeer. Bij deze beoordeling moet systematisch worden nagegaan of de terugkeer naar het land van herkomst, met inbegrip van gezinshereniging, in het belang van de minderjarige is. De beoordeling moet door de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd op basis van een multidisciplinaire aanpak, waarbij de aangestelde voogd van de minderjarige en/of de bevoegde dienst kinderbescherming moeten worden betrokken. De lidstaten moeten ook periodiek het belang van het kind opnieuw beoordelen in het licht van de ontwikkelingen in het individuele geval. De lidstaten worden aangemoedigd om rekening te houden met de interpretatieve en operationele richtsnoeren die worden verstrekt in de gezamenlijke richtlijnen van de UNHCR en Unicef voor het vaststellen van het belang van het kind, Algemeen Commentaar nr. 14 van de VN-Commissie voor de rechten van het kind om het belang van het kind te laten primeren, de richtlijnen van de UNHCR voor het vaststellen van het belang van het kind en het handboek voor de toepassing van de richtlijnen van de UNHCR. (…) 61. De UNHCR heeft in haar richtlijnen voor het vaststellen van het belang van het kind geadviseerd om een multidisciplinair team te betrekken in deze procedure. EUAA heeft in de ‘Practical guide on the best interests of the child in the framework of international protection, gepubliceerd in maart 2026, een gedetailleerde beschrijving gegeven van het belang van het kind als concept en de wijze waarop het belang van het kind moet worden vastgesteld en moet worden betrokken in een internationale beschermingsprocedure . Deze gedegen analyse kan, naar het oordeel van de rechtbank, ook van toepassing worden geacht bij terugkeerprocedures. EUAA wijst onder meer op het belang van een multidisciplinaire benadering. EUAA heeft tevens een formulier ontwikkeld dat kan dienen als hulpmiddel bij het vaststellen van het belang van het kind. Dit formulier vereist het betrekken van factoren zoals indicatoren voor kwetsbaarheid, reisgegevens, huisvesting, gezondheid, welbevinden, onderwijs, sociale inclusie, alternatieven voor detentie, preventie en beheer van risico’s en advies van ouders dan wel verzorgers. Indien de beslisautoriteit gebruik zou moeten maken van dit formulier, wordt in lijn met het gewicht dat de verdragsluitende partijen in het Verdrag inzake de rechten van het kind hebben willen toekennen aan het belang van het kind, daadwerkelijk onafhankelijk en deskundig onderzocht en vastgesteld wat dit belang is in plaats van uitsluitend te onderzoeken of een terugkeerbesluit kan worden uitgevaardigd. De rechtbank wijst er op dat verweerder de beschikking heeft of kan hebben over een vergelijkbaar ‘Best Interest Child -model’ dat reeds in 2006 is gepubliceerd en welk model is gebaseerd op het Verdrag inzake rechten van het Kind en het hiervoor genoemde General Comment nr. 14 van het Comité voor de Rechten van het Kind . 62. De rechtbank wijst er tot slot op dat de Uniewetgever diverse bepalingen in het Asiel- Migratiepact heeft gewijd aan het belang van het kind. De rechtbank veronderstelt dat de Uniewetgever hiermee onder meer ook tot uitdrukking brengt dat de Unie als geheel en de lidstaten afzonderlijk gebonden zijn aan de Verdragsverplichtingen ten aanzien van kinderen en om het gewicht van het belang van het kind te benadrukken. Deze bepalingen zijn onder meer te vinden in de Screeningsverordening , de Asiel- en Migratiebeheerverordening , de Asielprocedureverordening en de Opvangrichtlijn . Ter illustratie wijst de rechtbank er op dat de Uniewetgever in artikel 25 van Verordening 2024/1348, de beslisautoriteit bij de leeftijdsbeoordeling van minderjarigen de mogelijkheid voorhoudt om een multidisciplinaire beoordeling door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars te laten verrichten. Het komt de rechtbank voor dat een onderzoek naar het belang van het kind, vergelijkbaar complex is als de beoordeling van de leeftijd van een verzoeker en dat reeds daarom ook het vaststellen van het belang van het kind een multidisciplinaire beoordeling door gekwalificeerde beroepsbeoefenaars vergt. 63. De rechtbank meent dat het gewicht dat de Uniewetgever toekent aan het belang van het kind vereist dat dit belang grondig wordt onderzocht en zorgvuldig wordt vastgesteld. Om de bescherming die minderjarigen kunnen ontlenen aan het Verdrag inzake de rechten van het kind daadwerkelijk ten volle te kunnen genieten, zullen de procedures die de lidstaten inrichten aan de hoogste kwaliteitseisen moeten voldoen. De rechtbank verzoekt het Hof te verduidelijken in hoeverre het onder de procedurele autonomie valt van de lidstaten om hun nationale procedure in te richten zonder het belang van het kind vast te stellen op de wijze die het Comité voor de Rechten van het Kind in haar General Comments uiteen heeft gezet. De lidstaten zijn weliswaar bevoegd om te bepalen op welke wijze het verdragsrecht doorwerkt in hun nationale rechtsorde. Het Unierecht is evenwel de primaire rechtsbron en het primaat van het Unierecht geeft geen ruimte om af te wijken van het Unierecht. Indien artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in bewoordingen, inhoud en strekking gelijkluidend is aan artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, dient artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zodanig te worden uitgelegd en toegepast dat het de rechten die verzoeker in het hoofdgeding kan ontlenen aan het Verdrag inzake de rechten van het kind waarborgt. Indien het belang van het kind op een grondigere wijze wordt vastgesteld als dit geschiedt op de wijze zoals het Comité voor de Rechten van het Kind heeft beschreven, komt aan verzoeker ook het recht toe dat zijn belang op die wijze wordt vastgesteld door of namens verweerder alvorens een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. 64. De rechtbank acht een nadere verduidelijking van het Unierecht noodzakelijk om in het hoofdgeding te kunnen beslissen of de wijze waarop verweerder het belang van verzoeker heeft vastgesteld verenigbaar is met het Unierecht en meer in het bijzonder met de verplichting om overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind, bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het belang van het kind voorop te stellen. 65. De rechtbank wijst er tot slot op dat indien verweerder het terugkeerbesluit waarin Egypte en/of Jemen als land van terugkeer zijn aangemerkt intrekt, het belang aan deze prejudiciële vraag niet komt te ontvallen. In Nederlandse regelgeving en beleid is voorzien in vergunningverlening aan niet-begeleide minderjarigen als er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld omdat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 hieraan in de weg staat en de niet-begeleide minderjarige voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang . Door het vaststellen en uitvoeren van dit beleid wordt toepassing gegeven aan de bevoegdheid die de lidstaten ontlenen aan artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 om op grond van nationale regelgeving om humanitaire redenen een verblijfsvergunning te verlenen. Omdat verweerder heeft aangenomen dat voor verzoeker adequate opvang in Jemen en Egypte aanwezig is en het belang van het kind zich niet verzet tegen de uitvaardiging van een terugkeerbesluit, heeft er geen verder onderzoek plaatsgevonden en heeft verzoeker geen verdere medewerking hoeven te verlenen aan dergelijk onderzoek. Indien blijkt dat verweerder ondeugdelijk en/of onzorgvuldig heeft onderzocht of hij een terugkeerbesluit kon uitvaardigen en indien hieruit volgt dat ten tijde van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming geen adequate opvang beschikbaar was, dan wel dat het belang van het kind zich verzette tegen de uitvaardiging van een terugkeerbesluit, zal aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving moeten verleend met ingang van 21 mei 2023, de datum waarop verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht. Conclusie en prejudiciële vragen 66. Verzoeker is geboren en opgegroeid in Jemen bij beide ouders. Verzoeker is samen met zijn moeder uit Jemen gevlucht en heeft een maand met zijn moeder in Egypte gewoond voordat hij alleen de Unie is ingereisd en zich in Nederland bij de autoriteiten heeft gemeld om een verzoek om internationale bescherming in te dienen. 67. De vader van verzoeker heeft de Jemenitische nationaliteit. De moeder van verzoeker heeft de Egyptische nationaliteit. Daarom heeft verzoeker zowel de Jemenitische als de Egyptische nationaliteit. De ouders van verzoeker zijn inmiddels gescheiden. De vader van verzoeker woont in Jemen en de moeder van verzoeker woont in Egypte. 68. Verzoeker heeft op 21 mei 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoeker was ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 16 jaar, 2 maanden en 9 dagen oud. 69. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 6 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Dit besluit van 6 maart 2025 omvat een terugkeerbesluit waarin Jemen en Egypte als landen van terugkeer zijn aangemerkt en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. Verzoeker was ten tijde van de afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige en was op dat moment 17 jaar, 11 maanden en 22 dagen oud. 70. Vanaf het moment van de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming is sprake van illegaal verblijf en is verweerder in beginsel verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. 71. De autoriteiten zijn ingevolge artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn onder meer rekening te houden met het belang van het kind. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt dat voordat de autoriteiten van een lidstaat een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zij zich ervan overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Het Hof heeft in het arrest van 14 januari 2021 in de zaak TQ verduidelijkt dat dit onderzoek naar adequate opvang moet plaatsvinden voorafgaand aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. 72. Het hoofdgeding spitst zich in deze fase van de procedure toe op de vraag of verweerder Egypte als land van terugkeer kon aanmerken. 73. De rechtbank meent dat er een verschil moet worden gemaakt tussen de verplichting die de autoriteiten ingevolge artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/115 hebben en de verplichting die er in bestaat om het belang van het kind bij alle handelingen een essentiële overweging te laten zijn. Het vaststellen en wegen van het belang van het kind behelst een meeromvattend onderzoek en komt pas aan de orde als er in beginsel in het land van terugkeer sprake is opvangvoorzieningen die voor de betreffende niet-begeleide minderjarige als adequaat kunnen worden beschouwd en na terugkeer ook toegankelijk zullen zijn. Indien er geen adequate opvangvoorzieningen zijn, komt aan het belang van het kind geen verdere betekenis toe in de terugkeerprocedure. Dit belang kan er immers niet alsnog toe leiden dat er een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, dan wel tot verwijdering wordt overgegaan. 74. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of verweerder bij het onderzoek of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich in wezen kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor deze niet-begeleide minderjarige. 75. De tweede prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de wijze waarop het belang van het kind moet worden vastgesteld en meer in het bijzonder of dit vereist dat dit niet op algemene aannames over minderjarigen berust, maar daadwerkelijk op onafhankelijke wijze wordt onderzocht door ter zake deskundigen. 76. Het VN Comité voor de Rechten van het Kind is belast met de monitoring en verduidelijking van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het Comité voor de Rechten van het Kind heeft uitgebreid en gedetailleerd beschreven op welke wijze een ‘best interest of the child-assessment’ moet worden verricht en welke factoren in ogenschouw moeten worden genomen bij het onderzoeken en vaststellen van het belang van een kind. 77. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken in hoeverre het onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt om hun nationale procedure in te richten zonder het belang van het kind vast te stellen op de wijze die het Comité voor de Rechten van het Kind in haar General Comments uiteen heeft gezet. 78. Indien de lidstaten overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het belang van het kind voorop dienen te stellen, komt het de rechtbank voor dat het Unierecht de inhoud en reikwijdte van de bescherming die de internationale gemeenschap aan kinderen heeft geboden in het Verdrag inzake van de rechten van het kind niet kan beperken. 79. De prejudiciële vragen van de rechtbank hebben betrekking op de wijze waarop moet worden beoordeeld of sprake is van adequate opvang in het land van terugkeer en indien adequate opvang beschikbaar en toegankelijk is voor de betreffende niet-begeleide minderjarige, op welke wijze het belang van het kind moet worden vastgesteld om vervolgens in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling of het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in het belang van het kind is. 80. De rechtbank wendt zich gelet op noodzaak van een nadere precisering van het Unierecht tot het Hof om de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen: I Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat bij het onderzoeken of er in het land van terugkeer adequate opvang aanwezig is, zich niet kan beperken tot de vaststelling dat een van de ouders verblijft in het derdeland waar de terugkeerverplichting op ziet en de niet-begeleide minderjarige contact heeft of kan krijgen met deze ouder die eerder de zorg heeft gedragen voor de niet-begeleide minderjarige? II Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 5, onder a) en 10, lid 2, van deze richtlijn en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het vereist dat de bevoegde nationale autoriteit alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een niet-begeleide minderjarige, het belang van deze niet-begeleide minderjarige in het kader van een individuele beoordeling en zoveel mogelijk in overeenstemming met de General Comments van het VN Comité voor de Rechten van het Kind op een onafhankelijke en deskundige wijze vaststelt? 81. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan. Beslissing De rechtbank: -verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 80 geformuleerde vragen; -schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 augustus 2026. Rechtsmiddel Tegen deze verwijzingsuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak. ECLI:NL:RBGEL:2024:7650. ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, ECLI:NL:RBDHA:2025:13748, ECLI:NL:RBLIM:2026:4876 (niet gepubliceerd), ECLI:NL:RBLIM:2026:4918 (niet gepubliceerd). Immigratie- en Naturalisatiedienst. Alleenstaande minderjarige vreemdeling. Deze benaming wordt in de Nederlandse rechtspraktijk gehanteerd om een niet-begeleide minderjarige te duiden. Arrest van het Hof van 14 januari 2021, TQ, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9, punt 38. Arrest van het Hof van 22 november 2022, X (medicinale cannabis), C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punten 88 en 89. Paragraaf B8/6/1 ad 5 van Vreemdelingencirculaire 2000 (B) (zoals deze luidde op 29 april 2026, ten tijde van het besluit dat voorwerp van geding is). Arrest van het Hof van 14 januari 2021, TQ, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9. In informatiebericht IB 2025/13, dat geldig is van 8 april 2025 tot en met 1 november 2026, is vermeld dat het Vreemdelingenbesluit 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 op dit punt zullen worden aangepast. Arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, C-315/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647, punt 82. Arrest van het Hof van 11 juni 2024 in de zaak K.L. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487. ECLI:NL:RBDHA:2021:11524, punt 39. Bepalingen van richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32. Arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, C-315/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647. In Nederlandse regelgeving en beleid is voorzien in vergunningverlening aan niet-begeleide minderjarigen als er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Arrest van het Hof van 11 juni 2024 in de zaak K.L. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-646/21, ECLI:EU:C:2024:487. Handboek over het Europese recht inzake de rechten van het kind, juni 2015, pagina 28. Raad van de Europese Unie (2007), Richtsnoeren van de EU inzake de rechten van het kind, Brussel, 10 december 2007. General Comment No. 14, paragraaf IV, 3. Joint general comment No.