ECLI:NL:RBDHA:2026:22094
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/703735 / KG ZA 26-419 Vonnis in kort geding van 3 juni 2026 in de zaak van [eiser] gedetineerd in de PI [plaats] , eiser, advocaten mrs. M. Rafik en D.N. Ebinum te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.I. Hazelhorst te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 mei 2026 met producties 1 tot en met 24; - de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1 tot en met 32; - de op 15 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling (waar [eiser] zelf niet bij aanwezig is geweest), waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd; - de op 28 mei 2026 van de zijde van de Staat ingediende akte houdende overlegging producties met daarbij productie 33; en - de op 28 mei 2026 van de zijde van [eiser] overgelegde akte overlegging productie met daarbij productie 25. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. Aan het slot van de zitting is verder afgesproken dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het vonnis in de door de Staat aanhangig gemaakte verzetprocedure naar aanleiding van de faillietverklaring van [eiser] door de rechtbank Limburg. Het vonnis in de verzetzaak is op 26 mei 2026 gewezen. Partijen hebben elk bij akte van 28 mei 2026 het vonnis overgelegd, voorzien van een toelichting. 2 De feiten Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 juli 2020 veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf van twaalf maanden en een taakstraf van 200 uur vanwege, kort weergegeven, betrokkenheid bij de exploitatie van een hennepkwekerij. Ook is aan [eiser] de verplichting opgelegd tot betaling van € 145.720,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op drie jaren. 2.2. Het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), dat belast is met de invordering, heeft [eiser] verzocht de ontnemingsmaatregel uiterlijk op 15 oktober 2020 te voldoen. Daarop heeft [eiser] een betaling van € 100,- gedaan. De advocaat van [eiser] heeft het CJIB niet veel later een betalingsvoorstel gedaan inhoudende dat [eiser] een bedrag van € 100,- per maand zou betalen. Het CJIB heeft [eiser] verzocht om financiële stukken toe te sturen ter onderbouwing van zijn voorstel. Daarop heeft [eiser] alleen een uitkeringsspecificatie toegestuurd. Pas later, nadat [eiser] weer een bedrag van € 100,- had overgemaakt, heeft het CJIB aanvullende financiële informatie van [eiser] ontvangen. Het CJIB heeft [eiser] bij brief van 25 november 2020 laten weten dat hij minimaal een bedrag van € 780,- per maand moet betalen om de gehele vordering binnen de verjaringstermijn te voldoen. Omdat [eiser] had aangegeven dit bedrag niet te kunnen betalen, heeft het CJIB aangekondigd de incassoprocedure voort te zetten. Het CJIB heeft voor de incasso een deurwaarderskantoor ingeschakeld, maar het deurwaardersdossier is na ongeveer een jaar gesloten omdat de opbrengst zeer gering was. De deurwaarder heeft in totaal een bedrag van € 1.434,58 geïnd. 2.3. Op 3 januari 2022 heeft het CJIB [eiser] nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om het openstaande bedrag te voldoen (uiterlijk op 11 februari 2022). Daarbij is te kennen gegeven dat als tijdige en volledige betaling uitbleef, de officier van justitie (ovj) een machtiging tot het toepassen van gijzeling zou vorderen. [eiser] heeft daar niet op gereageerd. 2.4. Daarna is toch weer gesproken over een mogelijke betalingsregeling. Het CJIB heeft [eiser] bericht dat een substantieel deel van de ontnemingsmaatregel ineens moet worden voldaan, omdat het CJIB er op basis van informatie van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) van uitgaat dat [eiser] de beschikking heeft (gehad) over een bedrag van € 45.073,00. In een proces-verbaal van bevindingen van het CJIB van 11 januari 2021 staat onder meer vermeld dat [eiser] op 20 juli 2018 een bedrag van € 40.000,- ontvangen heeft van Interbank en dat hij in de periode tussen 30 augustus 2018 en 29 november 2018 bedragen van € 4.473,95 en € 1.200,- heeft ontvangen. [eiser] heeft een bedrag van – in totaal - € 1.935,81 contant opgenomen in een drietal plaatsen in Turkije. Ook staat in het proces-verbaal dat [eiser] in de periode 23 juli 2018 tot en met 29 juli 2018 in 42 transacties € 37.600,- contant heeft opgenomen. Er is geen betalingsregeling getroffen. 2.5. De ovj heeft een vordering die strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen ingediend bij de rechtbank Limburg. De rechtbank heeft de vordering op 27 maart 2023 toegewezen (gijzelingsbeslissing). De rechtbank heeft onder meer als volgt overwogen: “De veroordeelde heeft – bij monde van zijn destijds ingeschakelde advocaat – tegenover het CJIB voorgesteld om € 100,- per maand te betalen, maar dit is niet geaccepteerd. Uit de stukken blijkt dat de veroordeelde in de afgelopen jaren kennelijk de beschikking heeft gehad over aanzienlijke geldbedragen die hij voor andere doeleinden heeft aangewend dan ter afbetaling van de ontnemingsmaatregel. Zo is er in 2018 een melding FIU-Nederland bij het CJIB ontvangen dat de verdachte de beschikking heeft gehad over een bedrag van € 45.720,88, waarbij deels sprake lijkt te zijn geweest van een geleend bedrag maar ook overboekingen zijn gedaan die vragen oproepen. De veroordeelde heeft geen verklaring gegeven wat er met dit geld is gebeurd en heeft dus ook niet uitgelegd waarom die geld niet besteed had kunnen worden aan het (deels) voldoen aan zijn betalingsverplichtingen in het kader van de onderhavige ontneming. In 2018 wist de veroordeelde dat een ontnemingsmaatregel zou kunnen worden opgelegd. Ondanks verzoeken om in contact te reden om de transacties uit 2018 te bespreken en daarvoor een verklaring te geven, is de veroordeelde onbereikbaar gebleven en is geen redelijke uitleg gegeven, ook niet in deze procedure.” 2.6. [eiser] heeft na de beslissing van de rechtbank geen betaling gedaan. Hij is in het opsporingsregister opgenomen en daarna begin 2025 in Spanje aangehouden en overgeleverd aan Nederland. Hij verblijft sinds 18 februari 2025 in detentie. Op zijn detentiekaart staat 28 juli 2026 als einddatum van de detentie vermeld. Na aanvang van de detentie is de communicatie over het treffen van een betalingsregeling hervat, maar er zijn geen afspraken gemaakt. Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat het door [eiser] gedane voorstel in geen enkele verhouding staat tot het door hem verkregen financiële voordeel, en dat het voorstel niet is onderbouwd met schriftelijke bewijsstukken. 2.7. Op 30 januari 2026 heeft [eiser] bij het CJIB een verzoek tot beëindiging van de gijzeling gedaan. Hij heeft aangevoerd dat hij betalingsonmachtig is. Het CJIB heeft dit verzoek afgewezen omdat hij meent dat [eiser] de gestelde betalingsonmacht onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook nadat [eiser] de conceptdagvaarding van een kortgedingprocedure aan het CJIB heeft gezonden, hebben [eiser] en het CJIB over een betalingsregeling gesproken, waarbij het CJIB te kennen heeft gegeven dat [eiser] , in geval van een regeling, een substantieel deel van de vordering moet betalen. Het CJIB heeft inzicht gevraagd in het vermogen van [eiser] (bijvoorbeeld bankafschriften, belastingaangiften of – aanslagen). [eiser] heeft daarop jaaropgaven, bankafschriften en belastingaanslagen overgelegd waaruit de door hem gestelde betalingsonmacht zou blijken. 2.8. Het CJIB heeft na kennisneming van de stukken in deze procedure (de advocaat van) [eiser] op 10 april 2026 bericht dat de verstrekte stukken nog niet het vereiste inzicht bieden, zodat het betalingsvoorstel is afgewezen. Daarbij heeft het CJIB vermeld dat hem het volgende is opgevallen: “Op de bankrekening waarvan afschriften zijn ontvangen wordt een uitkering ontvangen, maar er is vervolgens geen sprake van een normaal uitgavenpatroon (aan boodschappen en dergelijke). Er wordt ook geen zorgverzekering betaald. In plaats daarvan worden steeds kleine of grotere bedragen overgemaakt aan derden ( [naam 1] en [naam 2] ). Het is onduidelijk wie dat zijn. Ook worden die bedragen vaak kort na ontvangst van de uitkering overgeboekt (bijv. op 20 juni en 21 juli 2025). Dit alles duidt erop dat de uitgaven van uw cliënt via een andere weg lopen. Verder blijkt dat er geen andere rekening is op de naam van uw cliënt ( [eiser] ) waarnaar geregeld kleine en grotere bedragen worden overgeboekt, voor het laatst op 19 januari 2025. De rekening waarvan u afschriften heeft gestuurd is dus niet de enige rekening waarover uw cliënt beschikt.” 2.9. [eiser] heeft bij de rechtbank Limburg een aangifte tot faillietverklaring ingediend. De rechtbank heeft in zijn vonnis van 14 april 2026 vastgesteld dat uit hetgeen in de aangifte is gesteld, summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat [eiser] in de toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen, om welke reden [eiser] in staat van faillissement is verklaard (het faillissementsvonnis). 2.10. Bij vonnis van 26 mei 2026 van de rechtbank Limburg is het verzet van de Staat tegen het faillissementsvonnis (het verzetvonnis) gegrond verklaard en is het vonnis van de rechtbank van 14 april 2026 vernietigd. 2.11. Van de vordering van het CJIB staat per heden een bedrag van € 144.086,30 open. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen tot onmiddellijke opheffing van zijn gijzeling, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De gijzeling is onrechtmatig omdat [eiser] betalingsonmachtig is in de zin van artikel 6:6:25 lid 6 Wetboek van Strafvordering (Sv). De gijzeling wordt nodeloos toegepast en is feitelijk punitief van aard. De Staat stelt daarbij te hoge eisen aan een betalingsregeling die tot opheffing van de gijzeling zou kunnen leiden. [eiser] heeft dit de Staat ook kenbaar gemaakt, maar de Staat laat de gijzeling desondanks voortduren. De Staat dient dan ook veroordeeld te worden de gijzeling onmiddellijk op te heffen. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de zaak. Bij de beoordeling van de vordering tot het opheffen, dan wel staken van de toegepaste gijzeling stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Als een veroordeelde niet aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en (volledig) verhaal op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een machtiging verlenen tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling. Doel van de gijzeling is het afdwingen van betaling, waarbij geldt dat de betalingsverplichting door de gijzeling niet komt te vervallen. 4.2. De ovj heeft op enig moment een machtiging gijzeling jegens [eiser] gevorderd en verkregen. Tegen deze beslissing van de strafrechter staat geen hogere voorziening open. In dit kort geding moet daarom in beginsel van de rechtmatigheid van de machtiging en van de gijzeling die nu als gevolg daarvan plaatsvindt, worden uitgegaan. 4.3. Op grond van artikel 6:6:25 lid 7 Sv kan de minister van Justitie en Veiligheid (de minister) de gijzeling te allen tijde beëindigen. Daartoe kan bijvoorbeeld aanleiding zijn als alsnog een toereikende betalingsregeling is getroffen of wanneer tijdens de gijzeling blijkt dat de veroordeelde echt niet in staat is om de ontnemingsmaatregel te betalen. Daarbij gelden de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (de Regeling) en de Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen 2021 (de Beleidsregels) als uitgangspunt. Artikel 4:2 lid 3 aanhef en a van de Regeling bepaalt dat een veroordeelde in ieder geval niet in aanmerking komt voor een betalingsregeling, als de veroordeelde de voor de betalingsregeling benodigde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde redelijke termijn overlegt, dan wel verwijtbaar onjuiste gegevens overlegt. Op grond van artikel 4:22 Beleidsregels kan het CJIB van de betalingsplichtige die verzoekt om een betalingsregeling, verlangen dat hij gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit. 4.4. In artikel 4.25 van de Beleidsregels zijn de weigeringsgronden voor een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling neergelegd. In het eerste lid van dat artikel in de aanhef en onder a is bepaald dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in ieder geval wordt afgewezen als de betalingsplichtige naar het oordeel van het CJIB onvoldoende medewerking verleent aan het verstrekken van gegevens met betrekking tot zijn inkomen of vermogen ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of betalingscapaciteit. 4.5. Naast de stelling van [eiser] dat hij betalingsonmachtig is, heeft [eiser] ter zitting aangevoerd dat er kanttekeningen geplaatst moeten worden bij het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin hem de verplichting is opgelegd tot betaling van € 145.720,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. [eiser] stelt dat de opbrengsten van alle hennepoogsten die de organisatie waarvan hij deel uitgemaakt zou hebben, ten onrechte volledig aan hem zijn toegeschreven. [eiser] stelt hij nooit (afgerond) € 145.000,- in bezit heeft gehad. De voorzieningenrechter gaat aan deze stellingen voorbij. Voor wat betreft de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [eiser] moet uitgegaan worden van de juistheid van het ontnemingsarrest. Dit arrest is onherroepelijk en gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, kan het oordeel van het gerechtshof in deze (civiele) kortgedingprocedure niet ter discussie staan. [eiser] heeft de mogelijkheid om bij de strafrechter een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel te verzoeken, zo volgt uit artikel 6:6:26 lid 1 Sv. Die mogelijkheid heeft [eiser] vooralsnog niet aangegrepen. 4.6. Uitgaande van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 145.720,88 ligt het op de weg van [eiser] om aan te tonen dat er aan zijn zijde sprake is van betalingsonmacht om dit bedrag, althans het restantbedrag van € 144.086,30, te voldoen. [eiser] heeft in aanloop naar deze procedure diverse documenten overgelegd waaruit volgens hem volgt dat hij in tot betalingsonmacht verkeert. Daarnaast heeft [eiser] diverse omstandigheden aangevoerd voor die stelling. Zo heeft [eiser] : inkomensverklaringen overgelegd waaruit zou volgen dat hij onder het minimumloon heeft verdiend; gesteld dat de activa die hij bezit zeer beperkt is en geen goederen van enige waarde omvat; jaaropgaven en bankafschriften overgelegd waaruit zou volgen dat hij geen hoog of gespaard vermogen heeft; belastingaanslagen overgelegd waaruit zou volgen dat hij geen vermogen heeft; gesteld arbeidsongeschikt te zijn zodat hij na beëindiging van zijn detentie geen capaciteit heeft om een substantieel inkomen te verwerven; gewezen op de afwezigheid van verdiencapaciteit vanwege medische omstandigheden; gewezen op een schuld van € 136.672,47 naast de schuld uit hoofde van de ontnemingsmaatregel; en gewezen op het faillissementsvonnis waaruit zijn betalingsonmacht zou blijken. 4.7. De Staat betwist dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij niet in staat is om de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel te voldoen. De Staat stelt dat de door [eiser] overgelegde stukken onvoldoende inzicht geven in zijn financiële situatie, waardoor niet kan worden vastgesteld dat [eiser] betalingsonmachtig is. De Staat voert daarbij aan dat hij de door [eiser] voorgestelde betalingsregeling van € 50 - € 100 per maand dan ook kan op juiste gronden weigert. 4.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiser] overgelegde stukken en zijn gegeven toelichting op zijn vermogenspositie onvoldoende zijn om te concluderen dat hij betalingsonmachtig is. De daarvoor relevante omstandigheden worden hierna vermeld. Vonnis faillietverklaring van 14 april 2026 vernietigd 4.9. [eiser] stelt onder meer dat zijn betalingsonmacht blijkt uit het faillissementsvonnis. Dit vonnis is echter naar aanleiding van het door de Staat ingestelde derdenverzet bij vonnis van 26 mei 2026 vernietigd. Partijen hebben zich na de zitting van 15 mei 2026 uitgelaten over de relevantie van het verzetvonnis voor dit kort geding. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de eerdere faillietverklaring van [eiser] vanwege de vernietiging hiervan niet kan dienen als onderbouwing van zijn gestelde betalingsonmacht. Dat de rechtbank in het vonnis van 14 april 2026 op basis van de eigen aangifte van [eiser] eerder heeft vastgesteld dat summierlijk is gebleken dat [eiser] in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen, is daarbij onvoldoende om de betalingsonmacht van [eiser] aan te nemen. Over de eventuele betalingsonmacht van [eiser] is in het verzetvonnis niet geoordeeld. Ook gaat [eiser] eraan voorbij dat het faillissementsvonnis is gewezen op basis van de door hem aangeleverde stukken en nadat de rechtbank een summiere toets heeft uitgevoerd. Hierna zal blijken dat de Staat terecht aanvoert dat [eiser] bij zijn aangifte tot faillietverklaring aan verschillende omstandigheden met betrekking tot zijn vermogenspositie geheel voorbij is gegaan. Deze omstandigheden zijn in het vernietigde vonnis dan ook niet getoetst en staan eraan in de weg om de betalingsonmacht van [eiser] aan te nemen. Vermoedelijke inkomstenbronnen van [eiser] of vermogen elders 4.10. Het ligt op de weg van [eiser] om voldoende aannemelijk te maken dat hij onmachtig is om de openstaande schuld uit de ontnemingsvordering af te lossen. Hiervoor heeft hij inkomensverklaringen en een overzicht van zijn hoge schulden heeft overgelegd. De Staat heeft terecht aangevoerd dat deze op zichzelf onvoldoende zijn om betalingsonmacht aan te nemen. Een op papier gering inkomen en het hebben van hoge schulden hoeft niet te betekenen dat een veroordeelde geen vermogen in Nederland of in het buitenland bezit. De stukken die [eiser] heeft overgelegd roept een aantal vragen op, welke vragen [eiser] in deze procedure niet heeft kunnen wegnemen, waarmee hij zijn betalingsonmacht onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. 4.11. Zo heeft [eiser] een groot aantal rekeningafschriften van zijn bankrekening bij ING Bank (hierna: ING) overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde betalingsonmacht. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het gebruik van deze betaalrekening niet blijkt van een normaal uitgavenpatroon en ook verder roepen deze overzichten vragen op. In dat verband is het volgende van belang. 4.11.1. Uit het rekeningoverzicht volgt dat [eiser] na ontvangst van zijn uitkering dikwijls grotere en kleinere bedragen over heeft gemaakt aan derden. Zo zijn in de periode waarop de overgelegde bankafschriften zien 914 overboekingen gedaan aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en daarnaast zijn er ook overboekingen gedaan aan [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Van de zijde van [eiser] is hierover toegelicht dat hij bedlegerig was en in slechte gezondheid verkeerde, en dat hij daarom geld overmaakte aan zijn vriend [naam 1] zodat deze boodschappen voor hem kon doen. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet te controleren valt of de betalingen inderdaad zijn gedaan om boodschappen mee te bekostigen, althans of deze betalingen zijn verricht ten behoeve van [eiser] . De stelling dat [eiser] bedlegerig is en dat zijn medische toestand eraan in de weg staat dat hij zelf buiten de deur reguliere betalingen doet, valt daarbij moeilijk te rijmen met zijn langere verblijf in Spanje, waar hij uiteindelijk ook is aangehouden. In Spanje zijn uiteindelijk maar twee betalingen gedaan vanaf de bankrekening waarvan de betalingsoverzichten zijn verstrekt. In die periode zijn wel bedragen overgemaakt aan [naam 1] , terwijl [eiser] niet heeft aangevoerd, maar verder ook niet is aangetoond, dat [naam 1] toen ook in Spanje verbleef. Bij gebreke van een inzichtelijk uitgavenpatroon voor dagelijks levensonderhoud in Nederland, maar vooral ook in Spanje, is het aannemelijk dat betalingen door [eiser] op een verborgen wijze hebben plaatsgevonden, die aan het zicht van het CJIB zijn onttrokken. 4.11.2. Voor wat betreft de betalingen aan [naam 2] is van de zijde van [eiser] toegelicht dat zijn zus inkomen van hem overmaakte naar de rekening van haar zoon ( [naam 2] ). De reden daarvoor, zo is toegelicht, was dat zij het geld achter de hand wilden houden en als noodfonds wilden gebruiken voor het moment dat [eiser] vrij zou komen of als hij in de penitentiaire inrichting geld nodig had. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit inkomen in ieder geval niet is aangewend voor vaste lasten of andere uitgaven ten behoeve van [eiser] , maar ook dat dit niet aan het CJIB is betaald. Dat [eiser] dit spaarpotje in het kader van zijn aangifte tot faillietverklaring heeft vermeld, is overigens niet gebleken. 4.11.3. Uit de overgelegde bankafschriften heeft het CJIB verder afgeleid dat [eiser] ook nog over een bankrekening bij Revolut bank beschikt. Na vragen daarover van de Staat is van de zijde van [eiser] toegelicht dat het hem was ontschoten om daarvan melding te maken omdat hij de rekening zelden gebruikte. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aanvankelijk onvermeld laten hiervan, niet bijdraagt aan het vertrouwen dat [eiser] volledig inzicht in zijn financiën heeft gegeven of wil geven, te meer niet omdat de betaalrekening bij ING eerder als de enige betaalrekening van [eiser] is gepresenteerd. Ten onrechte zo is gebleken. 4.12. In de gijzelingsbeslissing is al genoemd dat [eiser] in “de afgelopen jaren” kennelijk de beschikking heeft gehad over aanzienlijke bedragen die niet zijn aangewend ter afbetaling van de ontnemingsmaatregel. Daarbij is erop gewezen dat [eiser] in 2018, toen hij wist dat hem een ontnemingsmaatregel zou kunnen worden opgelegd, de beschikking heeft gehad over een bedrag van € 45.720,88, dat deels door hem is geleend. In de procedure die tot de gijzelingsbeslissing heeft geleid, heeft [eiser] daarvoor geen verklaring gegeven. In dit kort geding is namens [eiser] aangevoerd dat hij het bedrag van € 40.000,- dat hij van Interbank heeft ontvangen aan afpersers heeft moeten betalen omdat hij in het kader van zijn strafzaak werd bedreigd. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze stelling niet kan worden gecontroleerd, maar dat in ieder geval blijkt dat [eiser] het bedrag niet heeft aangewend om te voldoen aan zijn ontnemingsmaatregel. 4.13. Ook ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen vermogen – de kern van dit kort geding – geldt dat [eiser] op geen enkele manier heeft aangetoond dat het is uitgegeven. Zonder aanwijzingen daarvan is het begrijpelijk dat het CJIB ervan uitgaat dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel minst genomen voor een deel nog aanwezig is en dus aangewend kan worden om te voldoen aan de ontnemingsmaatregel. Slotsom en proceskosten 4.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [eiser] overgelegde stukken en zijn gegeven toelichting op zijn vermogenspositie onvoldoende zijn om de door hem gestelde betalingsonmacht aan te nemen. De vragen die deze stukken oproepen, heeft [eiser] niet weg kunnen nemen. Aan de overige stellingen van [eiser] met betrekking tot zijn op papier zichtbare vermogen zoals volgt uit overzichten van de Belastingdienst, zijn gestelde arbeidsongeschiktheid, de afwezigheid van verdiencapaciteit en de hoogte van zijn overige schulden, kan dan ook geen doorslaggevend gewicht worden gehecht en deze kunnen verder onbesproken blijven. Niet gebleken is dat het CJIB onrechtmatig handelt door de gijzeling voort te zetten en een betalingsvoorstel van € 50,- tot € 100,- per maand niet te accepteren. De gevorderde voorziening wordt geweigerd. 4.15. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4.16. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. weigert de gevorderde voorziening; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.4. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026. ddg