Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:21650
Vordering tot afgifte stukken afgewezen wegens strijd met art. 111 en 21 Rv. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/698844 / HA ZA 26-136 Vonnis van 29 juli 2026 in de zaak van [de vader] te [woonplaats 1] , eiser, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. A.Ch. Osté, tegen [de dochter] te [woonplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: de dochter, advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 30 januari 2026, met producties 1 tot en met 5; de conclusie van antwoord. 1.2. Op 17 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 2 De feiten 2.1. De vader is in Marokko gehuwd en is nadien met zijn vrouw naar Nederland verhuisd. Uit het huwelijk zijn twee dochters geboren, de eerste in 1997 (‘de dochter’ in deze procedure) en de tweede in 1998. 2.2. Bij beschikking van [dag] 2001 van de rechtbank Breda is de echtscheiding van de vader en zijn vrouw uitgesproken. 2.3. De Rechtbank van Eerste Aanleg te [plaats] (Marokko) heeft bij vonnis van 6 december 2007 de vader veroordeeld tot het betalen van kinderalimentatie voor beide dochters. 2.4. Bij brief van 22 juli 2024 verzocht de vader aan de dochter om een verklaring te ondertekenen waarin zij aangeeft geen aanspraak meer te maken op kinderalimentatie. De dochter ondertekende deze verklaring niet. 3. Het geschil 3.1. De vader vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de dochter op straffe van een dwangsom veroordeelt om de definitieve belastingaanslagen en -aangiftes over de jaren 2020 tot en met 2024 te overleggen, met veroordeling van de dochter in de proceskosten. 3.2. De vader legt bij dagvaarding aan de vordering ten grondslag dat de verplichting tot betaling van kinderalimentatie naar Marokkaans recht onder meer eindigt als de dochter beschikt over voldoende eigen inkomen. Om aan te kunnen tonen dat aan die voorwaarde is voldaan, vordert de vader op grond van artikel 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgifte van de genoemde stukken. 3.3. De dochter voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Uitgangspunt voor de beoordeling van elk civiel geschil is dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van wat partijen aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd. Daartoe dient de eisende partij (in dit geval de vader) op grond van artikel 111, tweede lid, aanhef en onder d, Rv in de dagvaarding zijn eis en de gronden daarvan te vermelden. De vader is daarbij op grond van artikel 21 Rv verplicht de aan zijn vordering ten grondslag gelegde en voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze verplichting strekt niet alleen ertoe de rechter in staat te stellen op het door partijen ter beoordeling voorgelegde geschil te beslissen, maar dient ook ertoe de wederpartij (in dit geval de dochter) in staat te stellen zich adequaat te verdedigen. De rechter en de wederpartij mogen niet op het verkeerde been worden gezet doordat feitelijk onjuiste en/of onvolledige stellingen worden betrokken. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan volgt uit artikel 21 Rv dat de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. 4.2. De rechtbank stelt vast dat de vader bij dagvaarding aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat hij een procedure in Marokko is begonnen om de betaling van de alimentatie aan de dochter stop te zetten en dat hij daarvoor de stukken nodig heeft. Tijdens de mondelinge behandeling stelde de vader dat deze procedure al was beëindigd en dat zijn verzoek tot stopzetting van de alimentatieverplichting was afgewezen. Blijkens zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling is de vader van plan om een nieuwe procedure te starten en heeft hij daarom de vordering ingediend. Hij heeft daarvoor nog geen concrete stappen gezet of informatie ingewonnen. Verder is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat het de vader vooral gaat om de huur die hij in Marokko zou moeten betalen en dat hij daarom een procedure in Marokko wil beginnen. De vader heeft daarbij niet concreet toegelicht of onderbouwd dat deze huurkosten deel uitmaken van de alimentatie die de vader aan de dochter zou moeten betalen. 4.3. Bij deze stand van zaken is het de rechtbank onduidelijk wat de vader precies aan zijn vordering ten grondslag legt en waarom hij deze vordering heeft ingediend. Hij is inconsistent en onvolledig in zijn stellingen en bij doorvragen komt er telkens (mogelijk) nieuwe relevante informatie naar boven. Dit is echter niet hoe het werkt. Het is aan de vader om al bij dagvaarding een volledig beeld van de volgens hem relevante feiten te stellen en, nu hij een verzoek indient op grond van artikel 194 Rv, de rechtsverhouding te duiden op grond waarvan hij afgifte van de stukken vordert. Door dit niet te doen heeft de vader in strijd gehandeld met de verplichtingen zoals die volgen uit de artikelen 111, tweede lid, aanhef en onder d, en 21 Rv. De rechtbank zal hieraan op grond van artikel 21 Rv de gevolgtrekking verbinden die zij geraden acht, wat in dit geval inhoudt dat de vorderingen worden afgewezen. 4.4. De vader is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de dochter heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de vader niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van de dochter worden begroot op: - griffierecht € 93 - salaris advocaat € 1.306 (2 punten × tarief II van € 653) - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.588 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vorderingen van de vader af; 5.2. veroordeelt de vader in de proceskosten van € 1.588, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 als de vader niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. 3425