Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:20338
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/181 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen [bedrijf] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Boes), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vergroten van het woongebouw aan de [straat] in Den Haag door het maken met een extra bouwlaag met daarin twee appartementen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 1 maart 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van het woongebouw aan de [straat] in Den Haag door het maken van een extra woonlaag met daarin twee appartementen (aanvraag I). 2.1. Met het besluit van 13 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen. 2.2. Met het besluit van 29 november 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.5. Eiseres heeft nadere stukken overgelegd. 2.6. Het college heeft schriftelijk gereageerd op de nadere stukken van eiseres. 2.7. De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Juridisch kader 3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse gold het bestemmingsplan ‘Transvaal.’ Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag (hierna: omgevingsplan). 3.1. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming ‘Wonen’ met de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – dakopbouw.’ De maximale bouwhoogte ter plaatse bedraagt 12 meter. 3.2. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. 3.3. Ingevolge artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geldt dat: Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 3.4. Ingevolge artikel 1.27 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt een bouwlaag gedefinieerd als een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van een onderbouw, kap of kapverdieping. 3.5. Ingevolge artikel 1.38 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt een dakopbouw gedefinieerd als een bouwlaag, welke e Hiertoe voert zij aan dat het college de overschrijding van de maximale bouwhoogte als doorslaggevend heeft beschouwd, terwijl dezelfde bouwhoogte bij de aanvraag van eiseres van 25 september 2024 voor het vergroten van de woning aan de [adres] (aanvraag II) wel is vergund. Verder wijst eiseres erop dat artikel 21.3, onder e en h, van de planregels de mogelijkheid biedt om af te wijken van de maximale maatvoering. In zoverre is een verspringing in de bouwhoogte volgens haar geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Verder voert eiseres aan dat de maatschappelijke voordelen van het realiseren van extra woonruimte zwaarder wegen dan het belang van het college om de omgevingsvergunning te weigeren, omdat de planregeling niet uitsluitend is gericht op uitbreiding van bestaande woningen, maar ook op het optimaliseren van ruimte voor nieuwe woningen. 5.1. Het college is niet bereid gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 21.3, onder e en h, van de planregels. Het college stelt zich hiertoe op het standpunt dat het toevoegen van een extra bouwlaag op het perceel leidt tot een verspringing in de bouwhoogte op de kop van het bouwblok, waardoor de samenhang in bouwhoogten met de omliggende bouwblokken wordt aangetast. Daarbij wordt met het bouwplan het gehele dakvlak bebouwd, terwijl op grond van de planregels een maximaal bebouwingspercentage van 70% geldt. De combinatie van de aangevraagde bouwhoogte en het aangevraagde bebouwde oppervlak resulteert volgens het college in een te groot bouwvolume, hetgeen stedenbouwkundig onwenselijk wordt geacht. Oordeel van de rechtbank 5.2. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem in het tijdelijke deel van het omgevingsplan toegekende binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. Ook in het geval van een dergelijke binnenplanse omgevingsplanactiviteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 5.3. De rechtbank overweegt dat het weliswaar mogelijk is om met toepassing van artikel 21.3, onder e en h, van de planregels af te wijken van de voorgeschreven bouwhoogte en bebouwde oppervlakte en een extra bouwlaag toe te staan, maar dat daarvoor wel is vereist dat de stedenbouwkundige situatie een meer intensieve bebouwing toelaat en het resultaat in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aangevraagde bouwplan, waarmee het gehele dakvlak wordt volgebouwd met bovendien een hogere bouwhoogte dan het bestemmingsplan toestaat, leidt tot een te massaal bebouwingsvolume, dat niet in verhouding staat tot de omliggende bebouwing. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college onweersproken heeft gesteld dat, hoewel de [straat] bestaat uit een mix van verschillende architectonische eenheden, de bouwhoogte nergens hoger is dan de maximale bouwhoogte van 12 meter. Gelet hierop acht de rechtbank het dan ook navolgbaar dat het college het bouwplan vanwege de combinatie van een overschrijding van de maximale bouwhoogte en de maximale bebouwde oppervlakte stedenbouwkundig onwenselijk heeft geacht. 5.4. Voor zover eiseres betoogt dat dezelfde bouwhoogte bij aanvraag II wel is vergund en daarom ook bij aanvraag I moet worden toegestaan, ove