Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:1997
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,169 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:1997 text/xml public 2026-02-06T11:33:43 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 NL23.18224 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1997 text/html public 2026-02-06T11:33:26 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1997 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / NL23.18224 Proces-verbaal uitspraak – met onbekende bestemming – beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.18224 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2023 op zitting behandeld. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van de door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen over de behandeling van asielaanvragen van personen die al internationale bescherming hebben verkregen in Griekenland. De rechtbank heeft het beroep nogmaals op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. 2. Naar aanleiding van het verweerschrift van verweerder van 30 januari 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op 2 februari 2026 meegedeeld dat het laatste daadwerkelijke contact met eiser in de eerste helft van 2025 heeft plaatsgevonden, telefonisch en op initiatief van eiser. Voorts heeft de gemachtigde van eiser op 25 november 2025 hem per e-mail geïnformeerd over de geplande zitting en hem verzocht zijn komst te bevestigen. Hier heeft eiser niet op gereageerd. Haar pogingen om eiser in januari en februari 2026 telefonisch te bereiken zijn mislukt, omdat het bekende telefoonnummer buiten gebruik bleek. 3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. 4. De rechtbank concludeert dat uit de informatie van gemachtigde van eiser niet blijkt dat er recent contact is geweest. Pogingen om dit contact te herstellen zijn zonder resultaat gebleven. Het enkele feit dat zij hem een e-mail heeft gezonden die is bezorgd maakt dit niet anders. Daarnaast blijkt uit de door verweerder overgelegde informatie dat eiser in oktober 2025 door de Franse autoriteiten in Frankrijk is aangetroffen. Er is geen informatie over de verblijfplaats van eiser of over de redenen voor eventueel verblijf buiten Nederland. Daarnaast is eiser, zonder enig bericht, niet verschenen ter zitting noch heeft hij anderszins van zich laten horen. 5. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. 6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3275.