Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-06-10
ECLI:NL:RBDHA:2026:19802
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/4906 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft eisers verzoek om toepassing van de zogenoemde 30%-regeling als bedoeld in artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 afgewezen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2023 de afwijzing gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. De zaak is ter zitting van 23 april 2024 op gezamenlijk verzoek van partijen aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Eiser was van 1 oktober 2016 tot 1 september 2021 in dienstbetrekking werkzaam bij PwC. 2. Met dagtekening 26 juli 2017 is aan eiser een “Beschikking 30%-regeling” (30%beschikking) gegeven voor zijn tewerkstelling bij PwC met een looptijd van 1 oktober 2016 tot en met 31 augustus 2023. 3. In de 30%-beschikking staat vermeld: “Deze beschikking is afgegeven op grond van de in het verzoek verstrekte gegevens, en is geldig onder voorbehoud van wijziging in wet- en regelgeving.” 4. In juni 2018 heeft de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%-beschikking een brief gestuurd om hen te informeren over het voornemen van het kabinet om per 1 januari 2019 de looptijd van de 30%-regeling te verkorten van acht naar vijf jaar. 5. Bij Wet van 19 december 2018 (Belastingplan 2019) is met ingang van 1 januari 2019 in de delegatiebepaling van (destijds) artikel 31a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 geregeld dat de 30%-regeling voor een werknemer gedurende ten hoogste vijf jaar kan gelden. In artikel XIV van het Belastingplan 2019 is een overgangsbepaling opgenomen die inhoudt dat voor de werknemer die uiterlijk op 31 december 2018 een vergoeding genoot waarop volgens de toen geldende wettelijke regeling de 30%-regeling van toepassing was met een maximumlooptijd van acht of tien jaar, die eerdere regeling van toepassing blijft tot en met uiterlijk 31 december 2020 (het overgangsrecht). 6. In december 2018 heeft de Belastingdienst aan belastingplichtigen met een 30%beschikking een brief gestuurd om hen te informeren dat het wetsvoorstel over de 30%-regeling is aangenomen en wat de gevolgen daarvan zijn voor de looptijd van de 30%-regeling. In die brief staat onder meer: “Wat is uw nieuwe einddatum van de 30%-regeling? De nieuwe einddatum van de 30%-regeling hangt af van de einddatum op uw beschikking. Er geldt een overgangsregeling. In het overzicht ziet u wat de nieuwe einddatum is. Einddatum op uw beschikking valt in: De nieuwe einddatum is: 2019 of 2020 de einddatum op uw beschikking 2021, 2022 of 2023 31 december 2020 2024 of later de einddatum op uw beschikking minus 3 jaar (…)” 7. Verweerder heeft geen nieuwe beschikking aan eiser gegeven waarop een gewijzigde einddatum is vermeld. 8. Per 1 september 2021 is eiser in dienstbetrekking getreden bij Deloitte. Eiser en Deloitte hebben verzocht om toepassing van de 30%-regeling per 1 september 2021 (het verzoek). 9. Met dagtekening 3 juni 2022 heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat de einddatum van de 30%-beschikking op grond van het overgangsrecht 31 december 2020 is en er dus geen resterende looptijd meer is per 1 september 2021. Geschil 10. In geschil is of het verzoek terecht is afgewezen. 11. Eiser stelt dat het verzoek ten onrechte is afgewezen en de 30%-beschikking geldig is tot en met 31 augustus 2023. De verkorting van de looptijd van de 30%-beschikking is volgens eiser onrechtmatig aangezien het beperkte overgangsrecht in strijd is met algemene rechtsbeginselen en artikel 1 van he