Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:1953
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,016 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2026:1953 text/xml public 2026-02-05T15:39:36 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 NL26.3552 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1953 text/html public 2026-02-05T15:39:17 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1953 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / NL26.3552 Bewaring asielgrond / opheffing - het bewaringsgehoor is niet voldoende toegespitst op het onderzoeken of het noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser gedurende zijn asielprocedure in bewaring te houden, maar ziet voornamelijk op de vraag of de maatregel noodzakelijk is om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit uit te kunnen voeren. Er zijn drie verschillende bewaringsmaatregelen in het dossier gevoegd die inhoudelijk niet identiek zijn en dit kan de indruk wekken dat het besluit is genomen voordat er is gehoord – degene die de maatregel heeft opgelegd is niet degene die heeft gehoord - het opleggen van de maatregel is zodanig onzorgvuldig voorbereid, dat de maatregel reeds hierdoor onrechtmatig is opgelegd. Opheffing/invrijheidstelling/SV/PKV. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.3552 Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] (V-nummer: [V-nummer]), geboren op [geboortedatum] 1971, Marokkaanse nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. D.P.J. Grommen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. L.S. Hartog). Procesverloop Verweerder heeft eiser op 19 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft op 21 januari 2026 beroep ingesteld tegen de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is op 19 januari 2026 overgenomen van de Duitse autoriteiten en aansluitend opgehouden en in bewaring gesteld. Omdat eiser na de overname van de Duitse autoriteiten een asielaanvraag heeft ingediend, heeft verweerder de maatregel -terecht- op de asielgrond gestoeld. 2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden en dat het bewaringsgehoor niet is toegespitst op de asielgrondslag terwijl dit de eerste keer is dat eiser asiel vraagt. Voorts stelt eiser dat de handtekeningen onder diverse pv’s vaag zijn en niet identiek lijken. Er zijn volgens eiser meerdere maatregelen wat het proces onzorgvuldig maakt en eiser betwist drie zware gronden, 4. Verweerder heeft ter zitting zware grond 3h en lichte grond 4b laten vallen en acht de maatregel overigens rechtmatig. 5. De rechtbank komt tot de conclusie dat het opleggen van de maatregel onzorgvuldig is voorbereid en dat de maatregel daarom onrechtmatig is. De rechtbank zal de maatregel dan ook opheffen en eiser in vrijheid stellen en motiveert dit als volgt. 6. De rechtbank overweegt allereerst dat het bewaringsgehoor niet voldoende is toegespitst op het onderzoeken of het noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser gedurende zijn asielprocedure in bewaring te houden. Het gehoor dient te zijn toegespitst op de vraag of de maatregel moet worden opgelegd om dat specifieke doel te verzekeren. Iedere bewaringsgrondslag kent namelijk specifieke rechtmatigheidsvoorwaarden. Het gehoor van eiser ziet echter voornamelijk op de vraag of de maatregel noodzakelijk is om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit uit te kunnen voeren. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1898). 7. De rechtbank overweegt voorts dat in het dossier drie bewaringsmaatregelen zijn gevoegd. Verweerder heeft in zijn aanbiedingsbrief hierover het navolgende vermeld: (…) Het is verweerder opgevallen dat er een drietal maatregelen aan uw rechtbank zijn toegezonden. Enkel de maatregel van 15:30 uur is juist. Dit is de enige maatregel die aan eiser is opgelegd en uitgereikt. De overige maatregelen zijn abusievelijk door de Marechaussee digitaal doorgezet naar de IND en vervolgens naar uw rechtbank gezonden. Verweerder kopieert hieronder omwille van de korte termijnen de schriftelijke reactie uit een mail van de oplegger van de maatregel, en zal uw rechtbank morgenvroeg een officieel proces verbaal hieromtrent toezenden. ‘Er is maar 1 originele en correcte maatregel van bewaring. Deze maatregel is opgelegd om 15:30 uur, deze maatregel heeft betrokkene ontvangen en is ook naar de advocaat gestuurd. Dat is de maatregel die digitaal door mij is ondertekend op 15:28:52 uur en aansluitend te 15:30 uur is uitgereikt. Ik begrijp wel waar jou verwarring uit voort vloeit (ik heb namelijk voor het uitreiken mijn proces twee keer aangepast. Dit was voor opleggingen en uitreiking). Hiermee heb ik de maatregel twee keer vrijgegeven in ons systeem en twee aanpassingen gedaan, aansluitend weer voorzien van later tijdstip en digitaal ondertekend. Hierdoor zie ik dat jij inderdaad in het BVV drie verschillende maatregelen ziet (ik wist niet dat dit zo zichtbaar zou zijn). Echter staat er bij mij ook bij dat de vervaldatum van de ‘’foutieve maatregels’’: 19-01-2026 is, bij de juiste staat er geen vervaldatum. Juiste, ondertekende, uitgereikt en aan advocaat gestuurde maatregel is deze van 15:29:19 in BVV (zonder vervaldatum)’. (…) 8. De rechtbank overweegt dat de drie verschillende maatregelen inhoudelijk niet identiek zijn en dat dit vragen oproept. De rechtbank overweegt verder, zoals besproken ter zitting, dat het buitengewoon opmerkelijk is dat degene die de maatregel heeft opgelegd niet degene is die eiser heeft gehoord over een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel. Er bestaat geen Unierechtelijke of nationaalrechtelijke verplichting om het horen en beslissen door dezelfde ambtenaar te laten geschieden maar de rechtbank acht deze werkwijze niet juist. Degene die beslist over het opleggen van de maatregel is niet voldoende in staat om te kunnen beoordelen of het opleggen van de maatregel evenredig is of dat moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. De rechtbank acht het daarvoor bij wijze van uitgangspunt niet alleen nodig dat de vreemdeling in persoon wordt gehoord, maar ook dat degene die hoort óók beslist of oplegging van de maatregel noodzakelijk, proportioneel én evenredig is.