Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:18757
Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb); 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/3662 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen Europe '92 Uitzendburo B.V., uit Rijswijk, eiseres (gemachtigde: mr. M. Bockting), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. R. van Rooijen - van Os) Inleiding 1. Eiseres heeft op 1 mei 2026 beroep ingesteld, omdat het Uwv volgens haar niet op tijd een beslissing heeft genomen op de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) van [naam] , (ex-)werknemer van eiseres. 1.1. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank Het beroep is ontvankelijk en gegrond 2. Eiseres is, als eigenrisicodrager voor de Ziektewet-uitkering en (ex-)werkgever van (ex-)werknemer, belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het niet tijdig beslissen. Een EZWb is een ambtshalve beoordeling. Dat wil zeggen dat het Uwv deze beoordeling uit eigen beweging doet en het geen beoordeling is die wordt genomen op een aanvraag of op een bezwaar. Uit de wet en rechtspraak volgt dat er door een belanghebbende ook beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing. Uit deze rechtspraak volgt ook dat het vereiste van een redelijke beslistermijn (ook) besloten ligt in het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Awb). Een EZWb-besluit moet volgens de geldende wet- en regelgeving uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werknemer worden genomen. De (ex-)werknemer van eiseres is op 13 november 2024 ziekgemeld. Het tijdvak van 52 weken is daarom op 12 november 2025 verstreken zonder dat eiseres een beslissing over de EZWb heeft ontvangen. 2.1. Na afloop van de beslistermijn heeft het Uwv de ingebrekestelling van eiseres ontvangen op 18 november 2025. De rechtbank is van oordeel dat op het moment van het indienen van de ingebrekestelling een redelijke termijn voor het nemen van een beslissing was verstreken. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat het Uwv niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond. De nadere beslistermijn 3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. 4. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv opdracht te geven binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen, daarbij in achtnemend dat artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken voorschrijft. 5. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken. 5.1. Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. 5.2. In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd. De nadere beslistermijn in deze zaak 6. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. Rechterlijke dwangsom 7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 8.1. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). 8.2. Voor zover wordt gevraagd om vergoeding van geleden schade geldt dat deze niet nader is geconcretiseerd en onderbouwd en reeds daarom niet voor toekenning in aanmerking kan komen in deze procedure. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843. Dit volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet. De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.