Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-07-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:18556
Einduitspraak na arrest Safi van 4 juni 2026 – De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 17 juni 2026 uiteengezet op welke wijze de rechtbank in de onderhavige procedure toepassing geeft aan het arrest Safi. Partijen hebben voldaan aan de tussenuitspraak en verweerder heeft inmiddels een inwilligend besluit genomen en de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres vastgesteld op de geboortedatum van haar Nederlandse zoon. De einduitspraak heeft uitsluitend betrekking op de hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt vast dat de aangeboden vergoeding onvolledig is omdat niet alle proceshandelingen hierbij zijn betrokken. De rechtbank kent, in afwijking van het standpunt van verweerder en zoals in elke verwijzingsprocedure, aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”. Anders dan verweerder betrekt de rechtbank de reis- en verblijfskosten die de gemachtigde van eiseres heeft gemaakt in verband met de zitting bij het Hof wel bij de proceskostenveroordeling. De rechtbank betrekt in dit verband echter alleen de kosten van de gemachtigde die eiseres in de onderhavige procedure bijstaat bij de proceskostenveroordeling en merkt hierbij op dat niet nader is aangegeven waarom vertegenwoordiging door meer dan één persoon noodzakelijk was. Anders dan de gemachtigde van eiseres wil, betrekt de rechtbank de eigen bijdrage die eiseres heeft voldaan voor deze procedure niet bij de proceskostenveroordeling. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL22.11571 Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1979 in Marokko, V-nummer [V-nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder, (gemachtigden: mr. R.J.M.F.P. Wouters en mr. S.H.J. Muijlkens). Procesverloop Eiseres heeft op 13 november 2020 een aanvraag ingediend om een EU/EER-document te verkrijgen als bewijs van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voor verblijf bij haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont. Verweerder heeft deze aanvraag op 11 november 2021 afgewezen en op 20 juni 2022 het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit van 20 juni 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank en ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL22.11572). Verweerder heeft 5 oktober 2023 een aanvullend besluit genomen. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 juni 2022 en tegen het aanvullende besluit van 5 oktober 2023 en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 februari 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft op 26 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan en twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2024:2300). De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 26 februari 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen (ECLI:NL:RBLIM:2024:850, niet gepubliceerd). Het Hof heeft op 4 juni 2026 het arrest Safi gewezen en de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord (ECLI:EU:C:2026:442). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 16 juni 2026 en op 17 juni 2026 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:16288). Gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 22 juni 2026 stukken overlegd om aan de tussenuitspraak te voldoen. Verweerder heeft bij brief van 26 juni 2026 medegedeeld op welke wijze uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak en heeft daarbij aangegeven dat op korte termijn zal worden beslist of een inwilligend besluit kan worden genomen. Bij besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder het besluit van 4 oktober 2023 (rechtbank: 5 oktober 2023, dossierstuk 35) ingetrokken en het bezwaar van 8 december 2021 gegrond verklaard. In dit besluit is tevens medegedeeld dat eiseres een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, zal krijgen en dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres is vastgesteld op 6 januari 2015. Verweerder heeft in dit besluit aangeboden om een bedrag van € 1.665,- voor de bezwaarprocedure te vergoeden. In de brief van 30 juni heeft verweerder medegedeeld dat een inwilligend besluit is genomen en dat voor de proceskosten in beroep een aanbod tot vergoeding van € 6.538,- is gedaan. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 aan eiseres gevraagd om te reageren op het inwilligende besluit en de aangeboden proceskostenvergoeding. Eiseres heeft op 2 juli 2026 medegedeeld in te stemmen met het inwilligende besluit en daarom het beroep te zullen intrekken maar zij heeft de rechtbank wel verzocht om een uitspraak over de proceskosten te doen omdat zij zich niet kan vinden in de hoogte van de aangeboden vergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 2 juli 2026. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 17 juni 2026 uiteengezet op welke wijze de rechtbank in de onderhavige procedure toepassing geeft aan het arrest Safi. Partijen hebben voldaan aan de tussenuitspraak. Verweerder heeft (uit eigen beweging) eiseres nader gehoord en verweerder heeft de liaisonambtenaar in Spanje verzocht om onderzoek te doen naar het verblijfsrecht van eiseres in Spanje en de mogelijkheden voor de Nederlandse echtgenoot van eiseres en hun Nederlandse zoon om bij eiseres in Spanje te verblijven. De onderzoeksbevindingen van de liaisonambtenaar zijn op 26 juni 2026 in het dossier gevoegd. De gemachtigde van eiseres heeft op 22 juni 2026 een brief van de huisarts van 17 juni 2026, een brief van de gemeente Sittard Geleen van 17 juni 2026, een brief van de school van de zoon van eiseres van 18 juni 2026 en een ontwikkelingsplan van de zoon van eiseres van 22 augustus 2025 overgelegd. 2. Het nader onderzoek van verweerder heeft tot de inwilliging van de aanvraag van eiseres van 13 november 2020 geleid. Partijen zijn het eens over de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres, welke ingangsdatum is vastgesteld op 6 januari 2015, de geboortedatum van de Nederlandse zoon van eiseres. De uitspraak van de rechtbank heeft daarom alleen nog betrekking op de hoogte van de proceskosten die verweerder voor de procedure in beroep moet vergoeden. De rechtbank bepaalt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht de hoogte van de proceskosten als volgt. 3. Voor vergoeding van de proceskosten in beroep komen de volgende handelingen in aanmerking: Instellen beroep 1 punt Gronden na aanvullend besluit 0,5 punt zitting rechtbank, 7 februari 2024 1 punt schriftelijke opmerkingen bij Hof 2 punten pleitzitting Hof, 25 maart 2025 2 punten nadere zitting rechtbank, 16 juni 2026 1 punt nadere hoorzitting van 23 juni 2026 0,5 punt totaal 8 punten De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in de brief van 30 juni 2026 een vergoeding voor de hoorzitting van 23 juni 2026 bij het aanbod van de kosten voor de bezwaarprocedure heeft betrokken. Dit zijn evenwel kosten die zijn gemaakt in beroep omdat de hoorzitting heeft plaatsgevonden om uitvoering te geven aan het arrest Safi. De rechtbank betrekt het bijwonen van deze hoorzitting dus bij de proceskostenveroordeling die wordt uitgesproken in de onderhavige beroepsprocedure. De rechtbank kent, in afwijking van het standpunt van verweerder en zoals in elke verwijzingsprocedure, aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1. omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3341) op het standpunt gesteld dat de reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt in verband met het verschijnen ter zitting bij het Hof niet vergoed hoeven te worden omdat deze kosten die een rechtsbijstandverlener maakt, zouden zijn verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding, die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is berekend.