Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:1834
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,945 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1834 text/xml public 2026-02-06T17:00:19 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-04 NL26.4367 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1834 text/html public 2026-02-04T11:53:03 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1834 Rechtbank Den Haag , 04-02-2026 / NL26.4367 Bewaring, vervolgberoep, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4367 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 11 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 30 december 2025. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 februari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 december 2025. Is het voorduren van de maatregel onrechtmatig? 3. In de beroepsgronden geeft eiser aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat een laissez-passer aanvraag is verzonden op 24 december 2025, er is gerappelleerd op 8 januari 2026 en dat een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarom ontbreekt het zicht op uitzetting niet en heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld, aldus eiser. In zoverre ziet de rechtbank geen reden om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 4. De rechtbank ziet – ambtshalve – in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25525. Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 ( Adrar ) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 ( C, B en X ).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1834 text/xml public 2026-02-06T17:00:19 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-04 NL26.4367 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1834 text/html public 2026-02-04T11:53:03 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1834 Rechtbank Den Haag , 04-02-2026 / NL26.4367 Bewaring, vervolgberoep, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4367 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 11 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 30 december 2025. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 februari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 december 2025. Is het voorduren van de maatregel onrechtmatig? 3. In de beroepsgronden geeft eiser aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat een laissez-passer aanvraag is verzonden op 24 december 2025, er is gerappelleerd op 8 januari 2026 en dat een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarom ontbreekt het zicht op uitzetting niet en heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld, aldus eiser. In zoverre ziet de rechtbank geen reden om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 4. De rechtbank ziet – ambtshalve – in de door de minister verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25525. Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 ( Adrar ) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 ( C, B en X ).