Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:17581
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54973 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Witteman). Procesverloop Met het besluit van 28 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, e en h, van de Vw. Verder heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Neshin als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 25 februari 2026 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om documenten in het dossier te uploaden die eiser in het kader van zijn asielaanvraag aan verweerder had overgelegd. Op 26 februari 2026 heeft verweerder de gevraagde documenten geüpload. De rechtbank heeft eiser vervolgens in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 2 maart 2026 te reageren op de stukken. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en partijen in de gelegenheid gesteld te laten weten of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 15 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Het asielrelaas 2. Eiser heeft - samengevat - het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep van de Tadzjieken. Zijn vader werkte voor het leger in Panjshir en vanaf 2000 in Bala Hissar. In 2007 is eisers achterneef van moederszijde opgepakt en gevangen gezet vanwege betrokkenheid bij de Taliban. De achterneef en diens vader vroegen eisers vader te bemiddelen voor vrijlating. Dat wilde eisers vader niet. Vervolgens bedreigden de achterneef en diens familie eisers vader en diens gezin. Eisers vader was bang dat de achterneef wraak zou nemen en vond het onveilig voor eiser omdat eiser de oudste zoon is. In 2009 heeft eiser daarom Afghanistan verlaten en asiel aangevraagd in Groot-Brittannië, waar hij geen asiel heeft gekregen. In 2014 is hij teruggekeerd naar Afghanistan, waar hij ondergedoken heeft gezeten en via anderen bedreigd werd door zijn achterneef. Daarom besloot hij in 2015 om Afghanistan weer te verlaten en naar Europa te gaan. Tussen 2015 en 2023 kreeg hij nog steeds via anderen bedreigingen van zijn achterneef, die na de machtsovername door de Taliban is vrijgekomen. Eiser besloot daarom in 2023 naar Nederland te gaan om asiel aan te vragen. Eisers familie is gevlucht naar Iran, waar eisers vader is overleden. Volgens eiser heeft zijn achterneef zijn broers in 2024 in Iran neergestoken. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven: 1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; 2. De problemen met zijn achterneef. 4. Verweerder acht de identiteit van eiser en het tweede asielmotief ongeloofwaardig. Eiser heeft beide niet onderbouwd met objectieve documenten. Hij heeft onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw). Ook heeft hij geen oprechte ins Volgens eisers verklaring in het aanmeldgehoor betrof dit bovendien een verblijfsrecht voor de duur van (slechts) zes maanden. In het beroepschrift en ter zitting heeft eiser over zijn status in Italië ook geen duidelijkheid verschaft. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het in Italië aan hem verleende document dat tot 2027 geldig was, een bewijs betrof waarmee hij zich voor tien jaar in een daarin aangewezen regio op een adres kon registreren. Uit die verklaring maakt de rechtbank op dat dit document geen verblijfsvergunning betreft. Eiser heeft daarnaast op de zitting verklaard dat hij een Italiaans ID-bewijs heeft gekregen dat een geldigheidsduur van vijf jaar had. Voor zover eiser daarmee zou doelen op een Italiaanse verblijfsvergunning, is die geldigheidsduur inmiddels verstreken, nu eiser in 2015 in Italië is aangekomen en hij het document volgens zijn verklaring op de zitting na een jaar heeft gekregen. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat uit Eurodac niet blijkt dat aan eiser in Italië een verblijfsvergunning is afgegeven en dat uit eisers aanmeldgehoor volgt dat hij in Italië geen asielprocedure heeft doorlopen. Gelet op dit alles wordt eisers standpunt over het Italiaanse verblijfsdocument en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet gevolgd door de rechtbank. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser geen goede redenen heeft gegeven voor het niet overleggen van zijn Afghaanse paspoort en zijn taskera en dat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om zijn asielaanvraag (in dit kader: zijn identiteit) te staven (artikel 31, zesde lid, aanhef onder a en b, van de Vw). De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiser op de zitting heeft verklaard bezig te zijn met een nieuwe aanvraag voor een paspoort bij de Afghaanse ambassade. Dit leidt niet tot een ander oordeel nu eiser zijn paspoort al is kwijtgeraakt in 2024 en pas recent een nieuw paspoort zou hebben aangevraagd. Bovendien heeft eiser van die nieuwe aanvraag geen stukken overgelegd. Eiser heeft geen moeite gedaan om zijn asielstatus in Italië te achterhalen, heeft sinds 2015 in verschillende EU-landen verbleven alvorens hij in Nederland asiel aanvroeg en heeft pas twee à drie weken na binnenkomst in Nederland asiel aangevraagd (volgens eiser omdat hij eerst wilde kijken of de situatie hem beviel). Verweerder stelt daarom niet ten onrechte dat eiser in grote lijnen ongeloofwaardig is en niet zo spoedig als mogelijk asiel heeft aangevraagd zonder daarvoor een afdoende verklaring te geven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d en e, van de Vw). Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. Deze beroepsgrond faalt. De problemen met zijn achterneef 8. Eiser betwist dat zijn verklaringen over de problemen met zijn achterneef geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zijn verklaringen over de bedreigingen van zijn achterneef zijn niet wisselend. Hij heeft namelijk consistent verklaard dat hij ongeveer zes maanden voor het nader gehoor voor het laatst van zijn familie heeft gehoord dat hij bedreigd werd en dat zijn familieleden die bedreigingen dagelijks hoorden. Die verklaringen zijn niet in tegenspraak met elkaar. Ook heeft hij niet vaag verklaard over het familielid waarmee hij het contact heeft verbroken. Aan eiser kan ook niet worden tegengeworpen dat hij met andere familieleden, die ook bedreigingen doorgaven, het contact niet heeft verbroken. Hij heeft namelijk verklaard dat hij het vermoeden had dat het familielid waarmee hij het contact heeft verbroken ging doorgeven wat besproken werd of waar eiser was. Tevens kon eisers achterneef hem niet persoonlijk benaderen of zijn bedreigingen waarmaken doordat eiser was gevlucht uit het land. Ook is de familie van eiser vanwege de bedreigingen van zijn achterneef gevlucht uit Afghanistan. Eiser heeft ook niet wisselend verklaard over de periode waarin de dreiging van zijn achterneef plaatsvond. E Verweerder wijst er in zijn reactie op de zitting niet ten onrechte op dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard een praktiserend moslim te zijn. Daarbij heeft eiser onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd dat zijn manier van het praktiseren van zijn religie zodanig afwijkt van die van de Taliban, dat hij problemen zal ondervinden in Afghanistan dan wel zich niet meer kan aanpassen aan de normen en waarden in Afghanistan. Ook anderszins heeft hij – zoals verweerder niet ten onrechte opmerkt - geen op zijn persoon betrekking hebbende individuele feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de gestelde verwestering blijkt. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser niet onder een risicogroep valt en dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:161, en 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, niet alleen al om die reden een reëel risico lopen op ernstige schade als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat die situatie thans anders is. Het standpunt van eiser dat de situatie in Afghanistan per dag moet worden bekeken, is te algemeen. Eiser heeft niet geconcretiseerd en onderbouwd dat de veiligheidssituatie in Afghanistan zodanig is dat eiser niet vanuit de EU kan terugkeren. Ook is niet onderbouwd dat terugkeer naar Afghanistan tot depressieproblemen bij eiser dan wel agressie en bedreigingen jegens eiser zal leiden. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer zou moeten vrezen voor schending van artikel 3 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet. 13. Omdat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Terugkeerbesluit en inreisverbod 14. Volgens eiser kunnen het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet in stand blijven. Eiser heeft verklaard te vrezen voor de Taliban. Ten onrechte is dan ook bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Eiser heeft ook nog een tot in 2027 geldig verblijfsrecht in Italië. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar dit verblijfsrecht. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865. Het bestreden besluit is onzorgvuldig. Eiser verzoekt om het bestreden besluit te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar verweerder om hierover opnieuw te beslissen. 15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderzoek gedaan naar eisers status door onderzoek in het Eurodac-systeem te doen, waaruit geen verblijfstatus volgde, en eiser over zijn asielaanvraag en status in Italië te bevragen. Eiser heeft hierover echter wisselend en onduidelijk verklaard en niet aannemelijk gemaakt dat hij een verblijfstatus heeft in Italië. Ook op de zitting is eisers status in Italië niet verhelderd. Nu niet aannemelijk is dat eiser een asielstatus heeft in Italië, hoefde verweerder dan ook niet het nader onderzoek uit te voeren zoals bedoeld is in de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld. 16. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, e en h, van de Vw en mocht verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod tegen eiser uitvaardigen. Daarbij mocht verweerder bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongeg