Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2026:17185
RECHTBANK Den Haag Team handel zaak- / rolnummer: [zaaknummer] / [rolnummer] Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van 13 EISENDE PARTIJEN, advocaat: mr. A, tegen 1 DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, advocaat: mr. B, 2. DE POLITIE te Den Haag, advocaat: mr. C, gedaagde partijen. Op verzoek van eisende partijen en met instemming van gedaagde partijen worden de namen en woonplaatsen van eisende partijen niet genoemd in de processtukken. Ook de namen van de advocaten worden hier niet vermeld. Partijen worden aangeduid met eisers, de Staat en de Politie. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Eisers zijn de directe familieleden van [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] is kroongetuige in het [proces] . In dit proces worden leden van het criminele samenwerkingsverband (hierna: CSV) onder leiding van [naam 2] vervolgd voor betrokkenheid bij verschillende moorden, pogingen tot moord, het voorbereiden van liquidaties en deelname aan een criminele organisatie. 1.2. Eisers lopen gevaar door dreiging vanuit het CSV en moeten worden beveiligd. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedaagden, gelet op de belangen van eisers, nooit de kroongetuigendeal met [naam 1] hadden mogen sluiten. Mocht de rechtbank hierin niet meegaan en tot het oordeel komen dat de kroongetuigendeal wel rechtmatig is, dan stellen eisers dat onrechtmatig jegens hen is gehandeld omdat onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen om eisers te beschermen en zij onvoldoende zijn gecompenseerd voor het onevenredige nadeel dat zij lijden door de kroongetuigendeal. 1.3. In dit vonnis komt de rechtbank tot de conclusie dat het in gesprek gaan over en het sluiten van de kroongetuigendeal met [naam 1] niet onrechtmatig was jegens eisers, maar dat de Staat zich in de periode rond het bekendmaken van de kroongetuigendeal onvoldoende heeft ingespannen om eisers adequaat te beschermen. Hij heeft hierdoor artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) geschonden. Dat wordt voor recht verklaard. Eisers hebben echter onvoldoende aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij door dit handelen schade hebben geleden die nog niet door de Staat is vergoed. De overige vorderingen ten aanzien van de Staat worden afgewezen, evenals alle vorderingen jegens de Politie. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 7 november 2024 met producties 1 tot en met 99; de conclusie van antwoord van de Staat van 14 mei 2025 met producties 1 tot en met 22; de conclusie van antwoord van de Politie van 14 mei 2025; aktes van depot door eisers van usb-sticks met geluidsopnames; het tussenvonnis van 28 mei 2025 waarin een mondelinge behandeling is bevolen; de akte van eisers met producties 100-129 en een eiswijziging, tevoren toegezonden en in het geding gebracht tijdens de mondelinge behandeling; de spreekaantekeningen die zijn voorgedragen en overgelegd door de advocaten tijdens de mondelinge behandeling; de conclusie na mondelinge behandeling van eisers van 22 oktober 2025; de antwoordconclusie van de Staat van 19 november 2025 en de antwoordconclusie van de Politie van 19 november 2025. 2.2. Nadat de antwoordconclusies van de Staat en de Politie waren ingediend is de zaak verwezen naar de rolzitting van 14 januari 2026 voor het wijzen van vonnis. 3 De feiten Inleiding 3.1. In deze zaak speelt het stelsel van bewaken en beveiligen in Nederland een belangrijke rol. Daarom volgt hieronder een korte uitleg over dit stelsel voordat op de feiten zal worden ingegaan. Bewaken en beveiligen 3.2. De minister van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor het bewaken en beveiligen in Nederland. Deze taak is gemandateerd aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV). Om te voldoen aan het doel van bewaken en beveiligen is het stelsel Bewaken en Beveiligen (hierna: het stelsel B&B) ingericht, met als doel het voorkomen van aanslagen op personen, objecten en diensten. In het stelsel i Op 5 september 2017 werd [naam 1] in voorlopige hechtenis genomen voor de vergismoord op [naam 3] en de poging tot moord op [naam 4] . 3.13. Op 17 november 2017 tekende [naam 1] de kroongetuigendeal. Na vaststelling van de kroongetuigendeal werd de hoofdofficier van justitie van Midden-Nederland het eerste contact voor eisers. Vanaf dat moment coördineerde BB&C Midden-Nederland de beoordeling en uitvoering van beveiligingsmaatregelen voor eisers. 3.14. Op 18 december 2017 werd [naam 6] na een schietpartij aangehouden voor betrokkenheid bij de vergismoord op [naam 3] en de poging tot moord op [naam 4] . 3.15. Op 20 december 2017 heeft het College voor Procureurs-Generaal ingestemd met de kroongetuigendeal met [naam 1] . Voorafgaand aan deze beslissing heeft het College voor Procureurs-Generaal advies gevraagd aan de CTC. De CTC adviseerde positief over de deal. 3.16. Op 27 december 2017 heeft de rechter-commissaris de kluisverklaringen als rechtmatig beoordeeld. 3.17. In januari 2018 werd duidelijk dat [naam 2] waarschijnlijk de afzender was van het volgende bericht: “Hy weet iedereen gaat slapen als die my naam heeft genoemt”. Het bericht zou in januari 2017 gestuurd zijn en betrekking hebben op [naam 1] (‘Hy’). 3.18. Op 23 januari 2018 vond een overleg plaats tussen BB&C Midden-Nederland en één van de advocaten van [naam 1] . Tijdens dit overleg kreeg BB&C Midden-Nederland een brief van eisers met een aantal wensen voor één van hen. Ook gaf de advocaat aan [veiligheidsmaatregel]. 3.19. Op 26 januari 2018 werden BB&C en RCCB Midden-Nederland door de rechercheofficier van het beleidsteam [proces] geïnformeerd dat de kluisverklaringen op 23 maart 2018 zouden worden ingebracht in de rechtszaak tegen [naam 6] Dat was de datum van de eerste pro forma-zitting in die zaak. 3.20. Het beleidsteam [proces] gaf vervolgens de politie opdracht om te onderzoeken welke personen als gevolg van die verklaringen risico zouden lopen en welke beveiligingsmaatregelen voor hen genomen moesten worden. Op basis van dit onderzoek werd een lijst opgesteld van 40 personen die risico zouden lopen en waarvoor maatregelen nodig zouden zijn. Met betrekking tot eisers kwam hieruit naar voren dat het CSV zou proberen om druk uit te oefenen op [naam 1] om zijn verklaringen in te trekken of anders over zou gaan tot vergeldingsacties. Als vervolg werd er geadviseerd om het TGB contact te laten opnemen met eisers om hen in kennis te stellen van het risico en de beveiliging te regelen. 3.21. Op 28 januari 2018 heeft de advocaat van [naam 6] verzocht om de (voor hem en zijn cliënt afgeschermde) ‘ontbrekende stukken’ in de zaken tegen zijn cliënt. Deze stukken betroffen onder meer de kluisverklaringen van [naam 1] die gingen over de moord op [naam 3] en de poging tot moord op [naam 4] . De rechter-commissaris heeft op dat verzoek beslist en bepaald dat deze stukken uiterlijk 16 maart 2018 in deze procedure ingebracht moesten worden. 3.22. Op 30 januari 2018 vond een gesprek plaats tussen alle broers van [naam 1] en het OM. Tijdens dit gesprek is aan de broers verteld dat [naam 1] de kroongetuigendeal had gesloten. 3.23. In februari 2018 kregen [aantal] van de dertien eisers een [veiligheidsmaatregel]. [- 1] . 3.24. Begin februari 2018 kregen de advocaten van [naam 1] te horen dat de kroongetuigendeal op 16 maart 2018 bekend zou worden. 3.25. Begin februari 2018 vond een gesprek plaats tussen één van eisers en BB&C Midden-Nederland. Er werd afgesproken dat BB&C Midden-Nederland [veiligheidsmaatregel]. 3.26. Op [datum] vond een gesprek plaats tussen één van de andere eisers en BB&C Midden-Nederland [veiligheidsmaatregel]. 3.27. Op [datum] vond een gesprek plaats tussen BB&C Midden-Nederland en drie eisers. Dit gesprek ging over [veiligheidsmaatregel]. 3.28. Eind [datum] hoorden eisers van de advocaten van [naam 1] dat de kroongetuigendeal vóór 17 maart 2018 bekend zou worden. 3.29. Op [datum] maart 2018 ging het OM akkoord met [veiligheidsmaatregel]. 3.30. Op [datum] In deze brieven gaf het OM per familielid aan welke beveiligingsmaatregelen de Staat kon treffen onder welke voorwaarden en wat de (werkgevers van de) familie zelf konden doen om hun veiligheid te waarborgen. Het primaire advies van de Staat was steeds om [veiligheidsmaatregel]. Als minder veilig alternatief werd– [- 2] – [veiligheidsmaatregel]. Aan enkele eisers is vanwege hun specifieke wensen nog de optie aangeboden om [veiligheidsmaatregel]. 3.50. Op [datum] ontvingen enkele eisers hun tweede maatregelenbrief omdat hun situatie was veranderd. [- 3] . In deze maatregelenbrieven werden ook de financiële toelagen voor deze eisers geïntroduceerd. 3.51. In 2018 begon één van eisers een kort geding tegen de Staat waarin deze eiser financiële en praktische ondersteuning door de Staat vorderde voor een asielaanvraag. Deze vordering is bij vonnis van 9 oktober 2018 afgewezen. 3.52. Op [datum] ontvingen vier eisers een derde maatregelenbrief omdat zij waren verhuisd naar een voor het OM onbekende locatie in [land]. Vanaf de eerste maatregelenbrief van 7 mei 2018 vond veelvuldig contact plaats tussen deze eisers en het OM. 3.53. Op [datum 1] 2019 werd [naam 5] vermoord. 3.54. In januari 2020 legden de toenmalige advocaten van eisers hun werk uit veiligheidsoverwegingen neer. 3.55. Per brief van [datum] werd vanuit het College voor Procureurs-Generaal aan eisers medegedeeld dat er twee manieren zijn om op termijn een stabiele en veilige situatie voor eisers te creëren: (i) [veiligheidsmaatregel] of (ii) [veiligheidsmaatregel]. 3.56. Op [datum] ontvingen de onder 3.52 genoemde eisers een vierde maatregelbrief. Doordat zij geen inzicht wilden geven in waar zij verbleven, kon het OM slechts in algemene zin veiligheidsadviezen geven. 3.57. In 2021 zijn twee eisers een kort geding gestart tegen de Staat. In deze procedure vorderden zij dat de Staat voor hen in Nederland een huis zou zoeken. Uiteindelijk is dit kort geding door hen ingetrokken. 3.58. Op 9 maart 2021 stelden de onder 3.52 genoemde eisers de Staat aansprakelijk voor schending van zijn zorgplicht, gevaarzettend handelen en op basis van het gelijkheidsbeginsel. 3.59. Op [datum 2] 2021 werd [naam 8] , op dat moment vertrouwenspersoon van eisers, vermoord. 3.60. Op 16 juli 2021 legden de toenmalige (nieuwe) advocaten van eisers hun werk neer. 3.61. Per brieven van 11 november 2021 en 13 januari 2022 hebben de overige eisers zich aangesloten bij de aansprakelijkstelling door de andere eisers van de Staat. 3.62. Op 1 maart 2023 is het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (hierna: de OVV) gepubliceerd over het onderzoek naar de aanslagen op [naam 7] , [naam 5] en [naam 8] . De OVV concludeert in dit rapport dat meerdere lessen te trekken zijn voor toekomstige beveiligingssituaties. Naar aanleiding van dit rapport heeft de minister van Justitie en Veiligheid excuses aangeboden aan eisers. Ook is opdracht gegeven om met eisers te praten over (financiële) compensatie. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden en hebben geleid tot uitkering van bepaalde bedragen aan eisers, evenals vergoeding van advocaat- en deskundigenkosten. 4 Het geschil 4.1. Eisers vorderen, na wijziging eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a) voor recht verklaart dat gedaagden, door zich te gedragen zoals in de dagvaarding bedoeld, in hun relatie tot (ieder van) eisers het egalité-beginsel hebben geschonden, alsmede zich jegens (ieder van) eisers onrechtmatig gedragen en hebben gedragen in de periode vanaf 14 januari 2017; b) gedaagden veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 januari 2017 en gedaagden veroordeelt in de proceskosten. 4.2. Gedaagden voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en veroordeling van eisers in de proceskosten. 4.3. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. Eisers st Zoals blijkt uit meerdere stukken, waaronder de verklaring van de collega-advocaat van [naam 5] (productie 6 bij dagvaarding), zag [naam 1] op dat moment geen andere optie dan zich te melden bij de politie, omdat hij anders zou worden geliquideerd. Als hij toen uit angst voor liquidatie zou vluchten, zouden zijn naasten gevaar lopen. 5.10. Aan het afleggen van verklaringen over het CSV zijn – voorzienbaar – ook risico’s verbonden, in de eerste plaats voor de getuige zelf. Het CSV zal trachten te zorgen dat de getuige zijn verklaringen intrekt en/of uit zijn op vergelding, ook om potentiële getuigen angst aan te jagen. Ook voor naasten bestaan er in dat verband risico’s, als aannemelijk is dat zij zullen worden benaderd of het doelwit worden omdat de getuige zelf onbereikbaar is. Het OM moet de veiligheidsbelangen van die naasten meewegen bij het nemen van een beslissing over een kroongetuigendeal. Dat is ook gebeurd (vgl. 3.7). 5.11. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat vanwege hun (veiligheids)belangen destijds had moeten worden besloten om niet met [naam 1] in gesprek te gaan over een kroongetuigendeal. In de stellingen van eisers in dit verband ligt besloten dat destijds duidelijk was of had moeten worden voorzien dat de familie van [naam 1] niet voldoende zou kunnen worden beschermd en/of dat de nadelen voor hen te groot zouden zijn. Daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen. De beslissing van het OM om met [naam 1] in gesprek te gaan, was in redelijkheid navolgbaar en jegens eisers niet onrechtmatig. 5.12. Ook het verder voeren van gesprekken met [naam 1] en het uiteindelijk sluiten van de kroongetuigendeal was naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig jegens eisers. Eisers hebben daartoe aangevoerd dat de CTC weliswaar eind 2017 positief adviseerde over de deal, maar dat zij daarbij aannam dat beveiligingsmaatregelen waren genomen voor eisers terwijl dat niet zo was. Daaruit kan echter, anders dan eisers betogen, niet worden afgeleid dat de deal niet had mogen worden gesloten vanwege de belangen van eisers. Het is immers niet zonder meer duidelijk dat de CTC anders zou hebben geadviseerd als zij destijds had geweten dat nog geen maatregelen voor eisers waren getroffen. Het ligt veeleer in de rede dat dan was geadviseerd om de nodige maatregelen te nemen en niet, zoals nu is geadviseerd, om die voort te zetten. Het OM wist dat maatregelen moesten worden getroffen voor de veiligheid van eisers en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het OM niet van plan was om die te treffen en/of dat dat niet tijdig meer kon worden gerealiseerd. 5.13. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het OM de procedure zoals die in de kroongetuigenregeling is opgenomen heeft gevolgd en een weloverwogen afweging heeft gemaakt tussen de belangen van opsporing en vervolging, het belang van [naam 1] en de belangen van eisers. Bij die afweging speelde een grote rol dat de verklaringen van [naam 1] het OM een unieke kans boden om een ontwrichtend en zeer gewelddadig CSV strafrechtelijk aan te pakken. Uit de stukken en adviezen volgt echter dat ook acht is geslagen op de risico’s voor [naam 1] en zijn gezin, en op de risico’s voor eisers, waaronder het risico van doelwitsubstitutie. De rechtbank ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat destijds de veiligheidsbelangen van eisers evident zwaarder hadden moeten wegen dan het belang van het OM bij de verklaringen van [naam 1] . Ook ten tijde van het sluiten van de kroongetuigendeal was immers niet duidelijk dat niet tijdig afdoende veiligheidsmaatregelen voor eisers zouden kunnen worden genomen. 5.14. Eisers hebben terecht aangevoerd dat uit de adviezen van de CTC van begin 2017 en van het TGB van zomer 2017 volgt dat beveiligingsmaatregelen voor eisers op dat moment noodzakelijk werden geacht en dat het TGB meende dat die al getroffen waren. Vast staat ook dat op dat moment nog niets was geregeld en dat het vervolgens ook niet snel is opgepakt. Dat is een fout van het OM. Die Dat sprake was van een reële dreiging richting eisers volgt ook uit het advies van het TGB van augustus 2017, waarin stond dat op dat moment de waarschijnlijkheid van de dreiging voor eisers werd ingeschat als ‘hoog’ en de ernst van de dreiging als ‘ernstig’, en werd aangenomen dat al veiligheidsmaatregelen voor eisers waren getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst dat erop dat sprake was van een reëel en onmiddellijk risico voor eisers waarvan het OM wist. Op grond daarvan had de Staat dus zeker vanaf dat moment, augustus 2017, passende maatregelen moeten treffen. 5.23. Het voorgaande geldt nog sterker voor de periode nadat in januari 2018 duidelijk werd dat [naam 2] waarschijnlijk de afzender was van een bericht uit januari 2017 over [naam 1] : “Hy weet iedereen gaat slapen als die my naam heeft genoemt”. In het advies van de Politie aan het beleidsteam [proces] van januari 2018 staat dat werd verwacht dat het CSV zou proberen om op eisers druk uit te oefenen zodat [naam 1] zijn verklaringen zou intrekken of anders over zou gaan tot vergeldingsacties. Ten slotte verstrekte het DRIO Midden-Nederland op 12 maart 2018 een stuk aan BB&C Midden-Nederland over de werkwijze en dreiging van het CSV en de risico’s daarvan voor [naam 1] en zijn omgeving. Passende maatregelen? 5.24. Bij de beoordeling van de vraag of de Staat passende maatregelen heeft getroffen en heeft voldaan aan zijn positieve verplichtingen jegens eisers in dat verband, stelt de rechtbank voorop dat het daarbij gaat om een inspanningsverplichting vanuit de Staat, niet om een resultaatsverplichting. De vraag is dus of de Staat zich voldoende heeft ingespannen om adequate veiligheidsmaatregelen voor eisers te nemen. 5.25. De rechtbank stelt vast dat het OM vanaf het begin van de gesprekken met [naam 1] steken heeft laten vallen. Al vanaf het begin van het traject in januari 2017 werd door de CTC vastgesteld dat de deal risico’s zou opleveren voor eisers en dat het OM met hen in gesprek moest gaan over de te nemen veiligheidsmaatregelen. Dit is toen nog niet gebeurd. Vervolgens is door het TGB in augustus 2017 geadviseerd om de ‘bestaande veiligheidsmaatregelen te laten voortduren’. Op dat moment waren er echter nog geen veiligheidsmaatregelen voor eisers genomen en dat is vervolgens ook niet direct door het OM opgepakt. Ook het advies van de politie aan het beleidsteam [proces] in januari 2018 om het TGB contact te laten opnemen met eisers om hen in kennis te stellen van het risico en de beveiliging te regelen is niet opgevolgd, terwijl uit dit advies duidelijk naar voren kwam dat er rekening mee moest worden gehouden dat het CSV zou proberen om via eisers druk uit te oefenen op [naam 1] om zijn verklaringen in te trekken of anders over zou gaan tot vergeldingsacties. Ook het stuk van het DRIO Midden-Nederland van 12 maart 2018 heeft niet tot (versnelde) actie geleid. 5.26. Na twee bijeenkomsten met (enkele) eisers in januari en februari 2017 is pas in januari 2018 weer contact opgenomen met eisers om met hen de veiligheidsmaatregelen te bespreken. Dit werd ingegeven doordat toen duidelijk was dat uiterlijk op 16 maart 2018 bekend zou worden dat [naam 1] een kroongetuige was. Vervolgens verliep de communicatie met eisers stroef. Het OM wist op dat moment dat zij nog enkele weken de tijd had om voor eisers afdoende veiligheidsmaatregelen te nemen tot aan het voegen van de stukken op 16 maart 2018. Zoals blijkt uit de hiervoor onder 3.34 genoemde samenvatting was er op 16 maart 2018 echter voor slechts enkele eisers iets geregeld, [- 4] . Voor [aantal] eisers waren nog geen veiligheidsmaatregelen genomen en voor [naam 7] alleen een AOL op zijn woning en kantoor. Ten tijde van de bekendmaking van de kroongetuigendeal op de pro forma zitting in [proces] was deze situatie ongewijzigd. 5.27. Als het handelen van de Staat wordt afgewogen tegen de inhoud van de eerder genoemde rapportages en de urgentie die daaruit naar voren komt voor het nemen van adequate bevei Bovendien gaat het in deze zaak om de vraag of de daadwerkelijk genomen beveiligingsmaatregelen voldoende waren, ongeacht vanuit welk stelsel die genomen zijn. Eisers hebben onvoldoende concreet gemaakt welke andere concrete maatregelen verwacht mochten worden en door hen ook aanvaard zouden zijn. 5.34. Eisers hebben in dit kader gewezen op het ‘life-for-life’-beginsel en voeren aan dat zij op grond daarvan recht hebben op een volwaardig (nieuw, vergelijkbaar) leven, in het buitenland of in Nederland. Dit zou hen ook zijn toegezegd door de Staat. Dat sprake zou zijn van een toezegging aan eisers op grond waarvan de Staat gehouden was om mogelijk te maken dat eisers een vergelijkbaar leven zouden kunnen (blijven) leiden als voor de kroongetuigendeal, is door de Staat betwist en door eisers onvoldoende onderbouwd. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 8 EVRM. Die bepaling strekt er in algemene zin toe dat inwoners hun privé- en gezinsleven moeten kunnen voortzetten, maar houdt geen dwingende verplichting in van de Staat om een gelijk ‘leven’ voor eisers mogelijk te maken op een nieuwe plek. Tussenconclusie 5.35. Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers door onvoldoende veiligheidsmaatregelen te nemen voordat de deal bekend werd gemaakt. Dit kan niet worden geconcludeerd voor de periode na de bekendmaking van de deal. Dan resteert de vraag of de Staat alsnog aansprakelijk is voor de gevolgen van de deal over deze periode, omdat hij eisers onvoldoende heeft gecompenseerd voor het door hen geleden (gestelde) onevenredige nadeel. Egalité-aansprakelijkheid 5.36. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de Staat op grond van het egalité-beginsel gehouden was de voor hen onredelijk bezwarende gevolgen van de kroongetuigendeal op te heffen en hen daarvoor volledig geldelijk te compenseren. De vergoeding die zij na de deal tot nu toe daarvoor van de Staat hebben ontvangen is onvoldoende geweest om dit nadeel op te heffen. De Staat had hen moeten compenseren op basis van het ‘life-for-life’-beginsel. Voor de omvang van de daadwerkelijke schade hebben eisers schadeoverzichten in het geding gebracht. Door deze werkelijke schade niet te vergoeden heeft de Staat alsnog onrechtmatig jegens hen gehandeld, aldus eisers. De Staat heeft dit betwist. 5.37. Het égalitébeginsel is in de rechtspraak en de literatuur aanvaard als grondslag voor de verplichting van de overheid om nadeel te compenseren als bepaalde individuen of groepen door een op zichzelf gerechtvaardigde overheidsmaatregel in vergelijking met anderen onevenredig worden gedupeerd. 5.38. De rechtbank stelt voorop dat de gevolgen van de kroongetuigendeal voor eisers levensontwrichtend zijn geweest. De Staat heeft dit ook op geen enkele manier ontkend. Er kan dan ook worden vastgesteld dat eisers onevenredig zijn benadeeld als een gevolg van de kroongetuigendeal. De rechtbank stelt voorts vast dat de Staat in de periode na de deal reeds hoge vergoedingen aan eisers heeft uitgekeerd om de voor hen nadelige gevolgen van de kroongetuigendeal te compenseren. Dat deze uitgekeerde vergoedingen onvoldoende compensatie zouden bieden voor het onevenredige, buiten het maatschappelijke risico vallende deel van de schade van eisers, is onvoldoende toegelicht. Uit de door eisers opgestelde schade-overzichten blijkt dat zij in dat kader bij hun berekeningen als uitgangspunt nemen dat zij elders een vergelijkbaar nieuw leven moeten kunnen leiden. Zoals hiervoor overwogen gaat de stelling van eisers dat de Staat daartoe gehouden is – hetzij op basis van een toezegging, hetzij op grond van artikel 8 EVRM – niet op. Ook in het kader van het égalité-beginsel geldt een dergelijke verplichting niet; de Staat is onder omstandigheden gehouden om onevenredig nadeel te compenseren, maar niet ieder nadeel. Dat betekent dat de Staat niet gehouden was de volledige schade zoals die is opgenomen in de schadeoverzichten aan e