Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:1648
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,071 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1648 text/xml public 2026-02-06T15:19:09 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-05 23/5737 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1648 text/html public 2026-02-06T15:04:30 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1648 Rechtbank Den Haag , 05-01-2026 / 23/5737 Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en een verzoek om toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie terecht afgewezen. Eiser heeft geen directe of indirecte planschade meer omdat hij zijn verloren gegane bouwmogelijkheden heeft teruggekregen. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/5737 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigden: mr. E.G.J.M. Meijer en [naam 1]), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, (gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz). en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Eiser is het niet eens met de hoogte van de hem toegekende tegemoetkoming voor planschade en deskundigenkosten. Hij is het ook niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om nadeelcompensatie. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen en dat eiser geen directe of indirecte planschade meer heeft omdat hij zijn verloren gegane bouwmogelijkheden heeft teruggekregen. Het beroep is dus ongegrond. Procesverloop 2. Eiser heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft met het besluit van 11 november 2021 een tegemoetkoming toegekend voor directe planschade (in natura) en een vergoeding voor deskundigenkosten. Voor het overige heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld tegelijk met zaken 23/5716, 23/5719, 23/5721, 23/5724, 23/5726, 23/5727, 23/5728, 23/5731, 23/5732, 23/5734, 23/5735, 23/5736, 23/5738 en 23/5739. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigden van eiser, de gemachtigde van het college, [naam 2] namens het college en mr. [naam 3] als deskundige van het college. 2.4. Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt. Beoordeling door de rechtbank Verwijzing naar uitspraak in zaak SGR 23/5727 3. Deze zaak is tegelijk behandeld met onder meer de zaak SGR 23/5727. Die zaak gaat over een vergelijkbaar verzoek om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in die zaak. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Eiser is eigenaar van een woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser stelt dat hij schade ondervindt door het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]” en latere herzieningen daarvan. Hij heeft daarom op 24 januari 2020 bij het college een verzoek om tegemoetkoming in de planschade en nadeelcompensatie ingediend. 4.1. Het college heeft het verzoek van eiser voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). SAOZ heeft op 18 juni 2021 advies uitgebracht. SAOZ concludeert dat wel sprake is van directe planschade, omdat onder het nieuwe planologische regime een kleiner bruto vloeroppervlak gerealiseerd mag worden dan onder het oude planologische regime. Daardoor is in totaal 52 m2 bruto woonoppervlak komen te vervallen. 4.2. Een taxateur heeft het nadeel gewaardeerd. Volgens de taxatie leidt een vergroting van het hoofdgebouw met bruto vloeroppervlak van 52 m2 tot vergroting met een netto vloeroppervlak van 47 m2. Dat leidt tot een waardetoevoeging van € 129.250,-. Daar staat € 95.300,- aan stichtingskosten tegenover. De directe planschade bestaat voor eiser uit afgerond € 34.000,-. Er bestaat geen aanleiding om een aftrek vanwege normaal maatschappelijk risico toe te passen. SAOZ heeft daarom geadviseerd om een tegemoetkoming van € 34.000,- of in natura toe te kennen. 4.3. Het college heeft het advies van SAOZ overgenomen en het planschadeverzoek wat betreft directe planschade toegewezen. Het college heeft besloten een nieuw bestemmingsplan vast te stellen of het geldende bestemmingsplan deels te herzien, zodat aan eiser dezelfde bebouwingsmogelijkheden worden toegekend als onder het oude planologische regime. Als het nieuwe bestemmingsplan niet onherroepelijk zou zijn op 1 juli 2024, dan zou het college alsnog overgaan tot betaling van een tegemoetkoming van € 34.000,- vermeerderd met de wettelijke rente gerekend van de dag van ontvangst van de aanvraag om planschade. Het college heeft verder besloten een bedrag van € 1.500,- aan deskundigenkosten toe te kennen. Het verzoek om nadeelcompensatie heeft het college afgewezen. Met het bestreden besluit is het college bij het primaire besluit gebleven. De datum waarop het college zou overgaan tot betaling van de tegemoetkoming als het nieuwe bestemmingsplan nog niet onherroepelijk zou zijn, is met het bestreden besluit verschoven naar 1 januari 2025. 4.4. Het college heeft op 9 februari 2023 het bestemmingsplan “Madestein-Vroondaal 5e herziening” vastgesteld. Met dit bestemmingsplan zijn voor negen kavels – waaronder het perceel van eiser – de bouwmogelijkheden teruggebracht. Sinds 24 december 2024 is het bestemmingsplan onherroepelijk. Onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade, directe planschade en tegemoetkoming in natura, reformatio in peius, het verzoek om nadeelcompensatie en deskundigenkosten 5. In deze zaak zijn beroepsgronden aangevoerd die gelijk zijn aan de beroepsgronden die in zaak SGR 23/5727 zijn aangevoerd. Dit betreffen beroepsgronden over de onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade, directe planschade en tegemoetkoming in natura, reformatio in peius, het verzoek om nadeelcompensatie en deskundigenkosten. Voor het oordeel van de rechtbank met betrekking tot deze beroepsgronden verwijst de rechtbank naar de uitspraak in zaak SGR 23/5727, waarin is gemotiveerd waarom deze beroepsgronden niet slagen. Overschrijding redelijke termijn 6. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. 6.1. De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepstermijn, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het (pro forma) bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. 6.2. Het bezwaarschrift is op 21 december 2021 door het college ontvangen. De behandeling van de zaak heeft in totaal (afgerond) 49 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met 25 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1648 text/xml public 2026-02-06T15:19:09 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-05 23/5737 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1648 text/html public 2026-02-06T15:04:30 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1648 Rechtbank Den Haag , 05-01-2026 / 23/5737 Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en een verzoek om toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie terecht afgewezen. Eiser heeft geen directe of indirecte planschade meer omdat hij zijn verloren gegane bouwmogelijkheden heeft teruggekregen. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/5737 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigden: mr. E.G.J.M. Meijer en [naam 1]), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, (gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz). en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag voor tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Eiser is het niet eens met de hoogte van de hem toegekende tegemoetkoming voor planschade en deskundigenkosten. Hij is het ook niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om nadeelcompensatie. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen en dat eiser geen directe of indirecte planschade meer heeft omdat hij zijn verloren gegane bouwmogelijkheden heeft teruggekregen. Het beroep is dus ongegrond. Procesverloop 2. Eiser heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Het college heeft met het besluit van 11 november 2021 een tegemoetkoming toegekend voor directe planschade (in natura) en een vergoeding voor deskundigenkosten. Voor het overige heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld tegelijk met zaken 23/5716, 23/5719, 23/5721, 23/5724, 23/5726, 23/5727, 23/5728, 23/5731, 23/5732, 23/5734, 23/5735, 23/5736, 23/5738 en 23/5739. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigden van eiser, de gemachtigde van het college, [naam 2] namens het college en mr. [naam 3] als deskundige van het college. 2.4. Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt. Beoordeling door de rechtbank Verwijzing naar uitspraak in zaak SGR 23/5727 3. Deze zaak is tegelijk behandeld met onder meer de zaak SGR 23/5727. Die zaak gaat over een vergelijkbaar verzoek om tegemoetkoming in planschade en toekenning van nadeelcompensatie. Voor een uitgebreidere toelichting op de achtergrond en totstandkoming van het bestreden besluit verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in die zaak. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Eiser is eigenaar van een woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser stelt dat hij schade ondervindt door het bestemmingsplan “[bestemmingsplan 1]” en latere herzieningen daarvan. Hij heeft daarom op 24 januari 2020 bij het college een verzoek om tegemoetkoming in de planschade en nadeelcompensatie ingediend. 4.1. Het college heeft het verzoek van eiser voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). SAOZ heeft op 18 juni 2021 advies uitgebracht. SAOZ concludeert dat wel sprake is van directe planschade, omdat onder het nieuwe planologische regime een kleiner bruto vloeroppervlak gerealiseerd mag worden dan onder het oude planologische regime. Daardoor is in totaal 52 m2 bruto woonoppervlak komen te vervallen. 4.2. Een taxateur heeft het nadeel gewaardeerd. Volgens de taxatie leidt een vergroting van het hoofdgebouw met bruto vloeroppervlak van 52 m2 tot vergroting met een netto vloeroppervlak van 47 m2. Dat leidt tot een waardetoevoeging van € 129.250,-. Daar staat € 95.300,- aan stichtingskosten tegenover. De directe planschade bestaat voor eiser uit afgerond € 34.000,-. Er bestaat geen aanleiding om een aftrek vanwege normaal maatschappelijk risico toe te passen. SAOZ heeft daarom geadviseerd om een tegemoetkoming van € 34.000,- of in natura toe te kennen. 4.3. Het college heeft het advies van SAOZ overgenomen en het planschadeverzoek wat betreft directe planschade toegewezen. Het college heeft besloten een nieuw bestemmingsplan vast te stellen of het geldende bestemmingsplan deels te herzien, zodat aan eiser dezelfde bebouwingsmogelijkheden worden toegekend als onder het oude planologische regime. Als het nieuwe bestemmingsplan niet onherroepelijk zou zijn op 1 juli 2024, dan zou het college alsnog overgaan tot betaling van een tegemoetkoming van € 34.000,- vermeerderd met de wettelijke rente gerekend van de dag van ontvangst van de aanvraag om planschade. Het college heeft verder besloten een bedrag van € 1.500,- aan deskundigenkosten toe te kennen. Het verzoek om nadeelcompensatie heeft het college afgewezen. Met het bestreden besluit is het college bij het primaire besluit gebleven. De datum waarop het college zou overgaan tot betaling van de tegemoetkoming als het nieuwe bestemmingsplan nog niet onherroepelijk zou zijn, is met het bestreden besluit verschoven naar 1 januari 2025. 4.4. Het college heeft op 9 februari 2023 het bestemmingsplan “Madestein-Vroondaal 5e herziening” vastgesteld. Met dit bestemmingsplan zijn voor negen kavels – waaronder het perceel van eiser – de bouwmogelijkheden teruggebracht. Sinds 24 december 2024 is het bestemmingsplan onherroepelijk. Onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade, directe planschade en tegemoetkoming in natura, reformatio in peius, het verzoek om nadeelcompensatie en deskundigenkosten 5. In deze zaak zijn beroepsgronden aangevoerd die gelijk zijn aan de beroepsgronden die in zaak SGR 23/5727 zijn aangevoerd. Dit betreffen beroepsgronden over de onafhankelijkheid van SAOZ, indirecte planschade, directe planschade en tegemoetkoming in natura, reformatio in peius, het verzoek om nadeelcompensatie en deskundigenkosten. Voor het oordeel van de rechtbank met betrekking tot deze beroepsgronden verwijst de rechtbank naar de uitspraak in zaak SGR 23/5727, waarin is gemotiveerd waarom deze beroepsgronden niet slagen. Overschrijding redelijke termijn 6. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. 6.1. De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepstermijn, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het (pro forma) bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. 6.2. Het bezwaarschrift is op 21 december 2021 door het college ontvangen. De behandeling van de zaak heeft in totaal (afgerond) 49 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met 25 maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen.