Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:1600
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,215 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1600 text/xml public 2026-01-30T14:17:11 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-30 NL26.2958 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1600 text/html public 2026-01-30T14:16:38 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1600 Rechtbank Den Haag , 30-01-2026 / NL26.2958 Bewaring. Vervolgberoep. Marokkaanse. Voortvarend handelen. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2958 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde]). Procesverloop Verweerder heeft op 9 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 januari 2026. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 15 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. 4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De LP -aanvraag loopt inmiddels ruim vijf maanden en eiser is nog niet in persoon gepresenteerd. Ook staat nog geen afspraak gepland voor een presentatie. Nu eiser bijna zes maanden in bewaring zit, lag het op de weg van verweerder om speciale aandacht voor zijn zaak te vragen bij de Marokkaanse autoriteiten, aldus eiser. 5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 12 september 2025 een LP-aanvraag is opgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Nadien is door verweerder regelmatig gerappelleerd, laatstelijk op 8 januari 2026. Hierop is nog niet gereageerd. Verder worden er regelmatig vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Dat eiser dan ook nog niet is gepresenteerd, leidt niet tot de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder rust op eiser de verplichting medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Niet is gebleken welke concrete inspanningen hij heeft verricht om zijn terugkeer te bespoedigen. 6. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door op 30 januari 2026 mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17595, 11 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21240 en 16 december 2025, zaaknummer NL25.60429. Laissez-passer.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1600 text/xml public 2026-01-30T14:17:11 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-30 NL26.2958 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1600 text/html public 2026-01-30T14:16:38 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1600 Rechtbank Den Haag , 30-01-2026 / NL26.2958 Bewaring. Vervolgberoep. Marokkaanse. Voortvarend handelen. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2958 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde]). Procesverloop Verweerder heeft op 9 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 januari 2026. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 15 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. 4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De LP -aanvraag loopt inmiddels ruim vijf maanden en eiser is nog niet in persoon gepresenteerd. Ook staat nog geen afspraak gepland voor een presentatie. Nu eiser bijna zes maanden in bewaring zit, lag het op de weg van verweerder om speciale aandacht voor zijn zaak te vragen bij de Marokkaanse autoriteiten, aldus eiser. 5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 12 september 2025 een LP-aanvraag is opgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Nadien is door verweerder regelmatig gerappelleerd, laatstelijk op 8 januari 2026. Hierop is nog niet gereageerd. Verder worden er regelmatig vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Dat eiser dan ook nog niet is gepresenteerd, leidt niet tot de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder rust op eiser de verplichting medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Niet is gebleken welke concrete inspanningen hij heeft verricht om zijn terugkeer te bespoedigen. 6. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door op 30 januari 2026 mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17595, 11 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21240 en 16 december 2025, zaaknummer NL25.60429. Laissez-passer.