Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:1567
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,029 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1567 text/xml public 2026-02-05T14:15:29 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 09/278637-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1567 text/html public 2026-01-30T10:24:57 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1567 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / 09/278637-25 Onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor 2 jaar, winkeldiefstal. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/278637-25 Datum uitspraak: 5 februari 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.C. Rous en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.J. de Deugd naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de DA Drogisterij (gevestigd op [straatnaam] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal voor het feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025355973, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 42). De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij volgens de inhoud ervan betrekking hebben. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: - De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026; - Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 20 oktober 2025 (p. 5-7). 3.2 De bewezenverklaring De rechtbank is oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum, dat geheel aan de DA Drogisterij (gevestigd op [straatnaam] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest moet worden opgelegd. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk strafbaar feit dat schade en overlast veroorzaakt voor de getroffen winkelbedrijven. De verdachte heeft daarmee laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen. De persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. De rechtbank vindt het zorgelijk dat deze eerdere veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 7 januari 2025, dat is opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , reclasseringswerker, en [naam 2] , unitmanager. Uit dat reclasseringsadvies blijkt het volgende. Gelet op het uittreksel justitiële documentatie (hierna: UJD) kan volgens de reclassering bij de verdachte worden gesproken van een delictpatroon ten aanzien van vermogensdelicten. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Op basis van eerder en onderhavig onderzoek kan de reclassering niet goed vaststellen waarom de verdachte herhaaldelijk tot deze vermogenscriminaliteit komt. Ten tijde van onderhavig delict zou hij werk, inkomen en huisvesting hebben gehad, die hij nu door de consequenties van zijn delictgedrag is kwijtgeraakt. Mogelijk ligt de oorzaak in zijn financiële situatie, de relatiesfeer, vaardigheidstekorten en/of pro-criminele houding. Concrete aanwijzingen voor psychosociale problemen en delictgerelateerde verslavingsproblematiek ontbreken; tijdens een eerder toezicht kon hier geen uitgebreid onderzoek naar worden gedaan middels diagnostiek/behandeling en controles, (mede) doordat hij afspraken niet nakwam. De verdachte zegt nu afspraken met de reclassering na te willen komen en hulp te zullen accepteren; de reclassering ziet hiertoe echter geen mogelijkheden meer nu hij niet over inkomen en een vaste verblijfplaats beschikt. De verdachte heeft de afgelopen jaren niets opgebouwd in Nederland waardoor hij geen recht heeft op sociale opvang en/of een uitkering als hij uit detentie komt. Een eerder toezicht kwam niet van de grond doordat de reclassering onvoldoende met de verdachte in contact kon komen vanwege zijn onbereikbaarheid en het niet nakomen van afspraken. De reclassering adviseert gelet op het voorgaande om bij veroordeling van de verdachte aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden als bedoeld artikel 38m Sr voldoet. De bewezenverklaarde diefstal is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het UJD van de verdachte van 21 oktober 2025 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het huidige feit meer dan drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. Omdat de verdachte een uitgebreide justitiële documentatie heeft en de reclassering de kans op recidive als hoog inschat, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:1567 text/xml public 2026-02-05T14:15:29 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-05 09/278637-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1567 text/html public 2026-01-30T10:24:57 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:1567 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / 09/278637-25 Onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor 2 jaar, winkeldiefstal. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/278637-25 Datum uitspraak: 5 februari 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.C. Rous en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.J. de Deugd naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de DA Drogisterij (gevestigd op [straatnaam] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Opgave van bewijsmiddelen De rechtbank zal voor het feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025355973, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 42). De bewijsmiddelen – en ook de onderdelen daarvan – worden telkens slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop zij volgens de inhoud ervan betrekking hebben. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen: - De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026; - Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 20 oktober 2025 (p. 5-7). 3.2 De bewezenverklaring De rechtbank is oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 20 oktober 2025 te Alphen aan den Rijn parfum, dat geheel aan de DA Drogisterij (gevestigd op [straatnaam] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest moet worden opgelegd. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden opgelegd. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk strafbaar feit dat schade en overlast veroorzaakt voor de getroffen winkelbedrijven. De verdachte heeft daarmee laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen. De persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. De rechtbank vindt het zorgelijk dat deze eerdere veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 7 januari 2025, dat is opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , reclasseringswerker, en [naam 2] , unitmanager. Uit dat reclasseringsadvies blijkt het volgende. Gelet op het uittreksel justitiële documentatie (hierna: UJD) kan volgens de reclassering bij de verdachte worden gesproken van een delictpatroon ten aanzien van vermogensdelicten. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Op basis van eerder en onderhavig onderzoek kan de reclassering niet goed vaststellen waarom de verdachte herhaaldelijk tot deze vermogenscriminaliteit komt. Ten tijde van onderhavig delict zou hij werk, inkomen en huisvesting hebben gehad, die hij nu door de consequenties van zijn delictgedrag is kwijtgeraakt. Mogelijk ligt de oorzaak in zijn financiële situatie, de relatiesfeer, vaardigheidstekorten en/of pro-criminele houding. Concrete aanwijzingen voor psychosociale problemen en delictgerelateerde verslavingsproblematiek ontbreken; tijdens een eerder toezicht kon hier geen uitgebreid onderzoek naar worden gedaan middels diagnostiek/behandeling en controles, (mede) doordat hij afspraken niet nakwam. De verdachte zegt nu afspraken met de reclassering na te willen komen en hulp te zullen accepteren; de reclassering ziet hiertoe echter geen mogelijkheden meer nu hij niet over inkomen en een vaste verblijfplaats beschikt. De verdachte heeft de afgelopen jaren niets opgebouwd in Nederland waardoor hij geen recht heeft op sociale opvang en/of een uitkering als hij uit detentie komt. Een eerder toezicht kwam niet van de grond doordat de reclassering onvoldoende met de verdachte in contact kon komen vanwege zijn onbereikbaarheid en het niet nakomen van afspraken. De reclassering adviseert gelet op het voorgaande om bij veroordeling van de verdachte aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden als bedoeld artikel 38m Sr voldoet. De bewezenverklaarde diefstal is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het UJD van de verdachte van 21 oktober 2025 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan het huidige feit meer dan drie keer onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. Omdat de verdachte een uitgebreide justitiële documentatie heeft en de reclassering de kans op recidive als hoog inschat, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van goederen in het geding is.