Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:15124
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/4915 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen de besloten vennootschap naar Belgisch recht [eiseres] , te [vestigingsplaats], [land], eiseres (gemachtigde: mr.drs. A.C.M. Brom), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder (gemachtigde: mr. B. de Haan). Inleiding 1.1. Verweerder heeft met het primaire besluit van 31 januari 2025 (het boetebesluit) aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 300,- wegens overtreding van de Meststoffenwet (Msw) , te betalen voor 14 maart 2025. 1.2. Eiseres heeft op 3 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit. Zij heeft in dit bezwaarschrift ook verzocht om uitstel van betaling van de boete tot zes weken na de beslissing op bezwaar. 1.3. Met de e-mail van 3 april 2025 (de bijkomende beschikking) heeft verweerder het verzoek om opschorting van de betalingsverplichting afgewezen. 1.4. Verweerder heeft met het (bestreden) besluit van 17 april 2025 het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. 1.5. Eiseres heeft bij e-mail van 14 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de bijkomende beschikking. 1.6. Verweerder heeft eiseres bij brief van 5 juni 2025 meegedeeld dat het bezwaar tegen de bijkomende beschikking is ontvangen op 3 juni 2025. De mogelijkheid van het indienen van een bezwaar per e-mail is niet opengesteld. In dit geval kan het bezwaar wel als ingediend op 3 juni 2025 worden geregistreerd, indien eiseres op de voorgeschreven wijze bezwaar, voorzien van een motivering en een handtekening, indient. Eiseres heeft op 15 juni 2025 aan dit verzoek voldaan. Zij heeft daarbij verzocht om uitstel van betaling van de boete tot en met zes weken na de beslissing op bezwaar, inmiddels tot en met zes weken nadat op het beroep is beslist. 1.7. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de bijkomende beschikking doorgezonden naar deze rechtbank. Verweerder heeft voorts een verweerschrift ingediend. 1.8. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2. Eiseres, een besloten vennootschap naar Belgisch recht, is een bedrijf dat zich sinds 1 april 2023 onder meer bezig houdt met goederenvervoer over de weg, met uitzondering van verhuisbedrijven. Het fiscaal en juridisch adviesbureau van de gemachtigde van eiseres is in de statuten aangewezen als enige niet-statutair bestuurder van eiseres met de bepaling dat de gemachtigde van eiseres als vaste vertegenwoordiger van dit adviesbureau het mandaat van bestuurder heeft. Waar gaat deze zaak over? 2.1. In het rapport van bevindingen van de NVWA van 6 januari 2025 voor de RVO (het rapport) is vermeld dat toezichthouders (inspecteurs B en S) op 4 december 2024 de inspectie-app hebben geraadpleegd naar geplande transporten van dierlijke mest. In de app was te zien dat een vrachtwagen van eiseres onderweg was om te gaan lossen bij CT Landbouw. Toezichthouder B heeft vaker gezien dat na het lossen weer geladen gaat worden bij een bepaald varkensbedrijf. Besloten is om naar dat varkensbedrijf te rijden. Op een afstand van ongeveer 100 meter hebben de toezichthouders nog een gedeelte van het laadproces kunnen bekijken. Na het laden van de vrachtwagen is de vrachtwagen vertrokken. De toezichthouders hebben de vrachtwagen gevolgd en laten stoppen op de parkeerplaats Roevenpeel aan de A2. De toezichthouders hebben de chauffeur aangesproken, zich gelegitimeerd als toezichthouders van de NVWA en meegedeeld dat zij vervoerscontroles doen in het kader van toezicht op de meststoffen- en dierlijke bijproductenregeling. De chauffeur (H) heeft zich voorgesteld en desgevraagd onder meer een rVDM overgelegd. Toezichthouder B heeft de chauffeur gevraagd naar het bij het rVDM behorende mestmonster. De chauffeur heeft gezegd dat zijn monsterapparaat niet goed functioneerde, dat de sealnaad van de mo Dat in het rapport is opgenomen dat de cautie wel is gegeven, is een standaardopmerking, maar in de praktijk wordt de cautie zelden verleend aan de chauffeur. Volgens eiseres mag de verklaring van de chauffeur daarom niet worden gebruikt. Eiseres stelt dat sprake is van wilsafhankelijke informatie en dat een bevel tot verstrekking daarvan gepaard moet gaan met de mededeling dat de informatie niet zal worden gebruikt voor boeteoplegging of strafvervolging. Deze mededeling is niet gedaan en daarom kan de verklaring van de chauffeur ook om deze reden niet gebruikt worden. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat de toezichthouder zijn vordering om gegevens te verstrekken eerst aan haar had moeten richten. Nu dit niet is gebeurd, is gehandeld in strijd met artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het rapport is bovendien niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. 4.1. Verweerder heeft toegelicht dat de cautie voor het verhoor aan de betrokkene wordt verleend. Deze moet worden verleend vanaf het moment dat er sprake is van een criminal charge. Hiervan is sprake vanaf het moment waarop ten aanzien van de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Daarvan was in dit geval pas sprake toen de chauffeur aangaf dat de monsterafname was mislukt en dat hij daarvan geen melding had gemaakt. Op dat moment heeft de toezichthouder de chauffeur op de hoogte gesteld van de geconstateerde overtreding en heeft de toezichthouder aangegeven dat hij niet verplicht was tot antwoorden. Verweerder verwijst in dit kader naar rechtspraak. 4.2. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Uit het rapport blijkt niet dat de toezichthouder bij het staande houden van de vrachtauto in het kader van vervoerscontroles en met de vraag naar vervoersdocumenten en het mestmonster al een vermoeden had dat er sprake was van een overtreding van de Msw, in dit geval het niet melden dat het mestmonster was mislukt. Dit is pas gebleken toen de chauffeur op de vraag naar de documenten en het mestmonster zelf aangaf dat het mestmonster was mislukt en dat hij - desgevraagd - daarvan geen melding had gemaakt. De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft onderbouwd wat de chauffeur volgens haar heeft gezegd over de cautie. Dat de vermelding van de cautie in het rapport een standaardopmerking is en dat de cautie in de praktijk zelden wordt verleend, is evenmin onderbouwd. Als in een andere zaak al geen cautie zou zijn verleend, dan betekent dit niet dat daarvan dan in deze zaak evenmin sprake is geweest. Eiseres heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval geen cautie is verleend. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de vermelding in het rapport dat de cautie is verleend en overweegt dat de cautie in dit geval is verleend op het juiste moment, namelijk vanaf het moment waarop duidelijk werd dat sprake was van een beboetbare overtreding. De verklaring van de chauffeur, zoals vermeld in het rapport, is als zodanig niet betwist door eiseres. 4.3. Verweerder heeft zich met betrekking tot het gestelde over wilsafhankelijke informatie op het standpunt gesteld dat een verklaring, zijnde het beantwoorden van vragen, wordt gezien als wilsafhankelijk materiaal. Dergelijk materiaal mag niet onder dwang worden verkregen, omdat de betrokkene dan wordt gedwongen om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. In dit geval heeft de chauffeur vrijwillig, na het verlenen van de cautie, een verklaring afgelegd. Deze wilsafhankelijke informatie is niet onder dwang verkregen. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Niet gebleken is dat sprake was van het afleggen van een verklaring door de chauffeur na een daartoe strekkende vordering respectievelijk onder dwang. De verwijzing van eiseres naar rechtspraak treft daarom geen doel. De rechtbank overweegt dat daarbij niet kan worden voorbijgegaan aan het feit dat een foto van de defecte monsterzak bij het rapport Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder o, van de Msw wordt onder intermediaire onderneming verstaan: onderneming, niet zijnde een bedrijf, in het kader waarvan al dan niet uitsluitend dierlijke meststoffen worden verhandeld of worden gebruikt. Dat de chauffeur niet de intentie had om de mest te lossen bij de afnemer, omdat hij onderweg was naar de monteur wordt eveneens niet gevolgd. De mest is gelost bij de afnemer overeenkomstig de rVDM. Of de chauffeur al dan niet is gestopt bij de monteur, wat niet is onderbouwd, kan hier niet aan afdoen. De rechtbank overweegt dat in artikel 53 van de URM is bepaald dat de apparatuur adequaat moet functioneren. Over oorzaken van het niet adequaat functioneren is niets bepaald. Dit geldt ook voor het begrip storing dat in artikel 53, derde lid, van de URM wordt gehanteerd. In artikel 53, tweede lid, van de URM is, in aanvulling op het eerste lid, bepaald dat de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang met de GR-apparatuur adequaat dienen te functioneren. In de Toelichting bij de Urm , is bovendien vermeld: “Uiteraard is er sprake van adequaat functioneren als de apparatuur conform de ter zake geldende prestatiekenmerken functioneert. Daarnaast geldt bovendien dat de vervoerder, tot wiens verantwoordelijkheid het adequaat functioneren van de apparatuur behoort, ervoor zorg moet dragen dat de bij de satellietvolgapparatuur horende antenne of antennes op geen enkele wijze worden gehinderd en dat de stroomvoorziening van de automatische gegevensregistratie en de satellietvolgapparatuur op geen enkele wijze wordt onderbroken. Uiteraard kan het voorkomen dat er gedurende het vervoer een storing optreedt als gevolg waarvan de apparatuur niet meer naar behoren functioneert. Met het oog hierop voorziet het tweede lid van artikel 54 in de mogelijkheid dat de dierlijke meststoffen alsnog vervoerd mogen worden, indien de storing telefonisch is gerapporteerd aan de meldkamer van de Algemene Inspectie dienst.” Uit het voorgaande volgt dat de vervoerder verantwoordelijk is voor het adequaat functioneren van de apparatuur. De rechtbank overweegt dat de chauffeur heeft verklaard dat het monsterapparaat niet goed functioneerde, dat de sealnaad van de monsterzakken niet goed sloot en dat hij niet wist dat hij een storing moest melden. Ook eiseres heeft benoemd dat de sealer te heet werd. De rechtbank vermag niet in te zien dat verweerder de sealer niet als onderdeel van de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur heeft kunnen zien beschouwen. De chauffeur heeft, gelet op het rapport en anders dan eiseres nu zonder onderbouwing stelt, ten overstaan van de toezichthouders niet aangegeven dat hij reeds onderweg was naar de door eiseres genoemde reparateur. Bij een storing van de bemonsteringsapparatuur moet direct een melding worden gedaan. De chauffeur heeft geen directe melding gedaan, omdat hij niet wist dat dat moest. Eiseres heeft evenmin terstond een melding gedaan. Het standpunt van aiseres dat mogelijk geen sprake was van een storing, is op geen enkele wijze onderbouwd. 5.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder de verklaring van de chauffeur en ook het rapport mogen betrekken bij het bestreden besluit. Verweerder heeft het niet terstond doen van de betreffende melding mogen beschouwen als een overtreding. 5.3. Ingevolge artikel 48 van het UBM worden dierlijke meststoffen vervoerd door een intermediair wiens onderneming is geregistreerd. Ingevolge artikel 48b van het UBM geschiedt het vervoer van een vracht drijfmest door een intermediair met een transportmiddel dat is uitgerust met de voorgeschreven apparatuur die op naam van de intermediair is geregistreerd. De regels omtrent het vervoer van dierlijke meststoffen in de Msw gelden voor de intermediaire onderneming. Eiseres is als betrokken intermediair terecht als normadressaat voor de toepassing van de URM aangemerkt en ook van de overtreding. Kan de overtreding a Voor zover eiseres heeft gewezen op de eventuele gevolgen bij meerdere boetes (zie bij 3.1.) voor het intermediairschap en bij een vergunningaanvraag, overweegt de rechtbank dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn. Het betreft toekomstige onzekere gebeurtenissen. 7.3. Andere bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding zouden moeten geven, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de boete gezien de aard en ernst van de geconstateerde overtreding evenredig is. Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel? 8. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is niet onderbouwd. Dat verweerder in zijn algemeenheid heeft verklaard soms waarschuwingen op te leggen betekent niet dat verweerder in dit geval geen boete mocht opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres dan ook terecht een boete opgelegd wegens overtreding van de Msw. De bijkomende beschikking 9. Ingevolge artikel 4:94, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de wederpartij uitstel van betaling verlenen. Aan de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen is behoefte in gevallen waarin in redelijkheid niet van de schuldenaar kan worden verwacht dat hij de verschuldigde geldsom binnen de betalingstermijn aan het bestuursorgaan betaalt. Als voorbeeld wordt gegeven het geval waarin uitstel wordt verleend om de belanghebbende de gelegenheid te geven de periode van bezwaar en beroep te kunnen overbruggen. Wie verzoekt om uitstel van betaling zal aannemelijk moeten maken dat hij niet over het geld beschikt of kan beschikken om het verschuldigde bedrag op tijd te betalen. Verlening van uitstel van betaling staat er niet aan in de weg dat de wettelijke rente kan gaan lopen of doorloopt. 10. Eiseres heeft aangevoerd dat het verlenen van betalingsuitstel op verzoek door verweerder in voorgaande jaren wel gebeurde. Zij heeft daartoe, onder vermelding van boetezaaknummers, verwezen naar betalingsuitstel verleend aan derden in mestboetezaken tot en met de procedure bij het College. Volgens eiseres is het in strijd met het evenredigheidsbeginsel om boetes op te leggen en deze te incasseren, omdat verweerder weigert in bezwaar uitstel van betaling te verlenen. Eiseres stelt dat het een vaststaand gegeven is dat de meeste door verweerder opgelegde boetes uiteindelijk geen stand houden. 10.1. De rechtbank overweegt dat met de onderhavige uitspraak de opgelegde boete rechtmatig wordt geacht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de periode van bezwaar en beroep financieel niet kan overbruggen. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat de opgelegde boete een relatief gering bedrag betreft, Eiseres heeft, wat hier ook van zij, niet onderbouwd dat het een vaststaand gegeven is dat de meeste door verweerder opgelegde boetes uiteindelijk geen stand houden. De rechtbank constateert dat eiseres geen feiten en omstandigheden heeft ingebracht die verweerder ertoe hadden moeten nopen haar uitstel van betaling te verlenen. 10.2. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel in dit kader slaagt niet. Eiseres heeft alleen boetezaaknummers van verweerder genoemd, maar deze nummers als zodanig zijn voor de rechtbank niet na te gaan. Voor zover eiseres heeft verwezen naar procedures bij het College, wordt overwogen dat ook deze procedures niet zijn na te gaan nu eiseres hiervan geen ECLI-nummers heeft genoemd. Het had op de weg van eiseres gelegen om dit beter te duiden en het te onderbouwen met stukken. Voor zover eiseres stelt dat de Belastingdienst en andere bestuursorganen betalingsuitstel verlenen over het betwiste bedrag totdat deze onherroepelijk vaststaat, overweegt de rechtbank dat eiseres dit niet heeft onderbouwd en bovendien gaat het om andere bestuursorganen. Conclusie 11. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer,