Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2026:14526
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/4687 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.I.M. Houniet), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. H. van Soest). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een GPK (bestuurder en passagier). Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 12 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met behulp van een beeldverbinding, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 3. De regelingen die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 4. De te beoordelen periode in geval van een aanvraag als hier aan de orde is de periode vanaf 25 november 2024, de datum van de aanvraag, tot en met 24 juni 2025, de datum van het bestreden besluit. 5. Eiser voert aan dat de GPK ten onrechte is geweigerd. In dat kader stelt hij dat de gemeente Rijswijk reeds een GPK heeft toegekend nadat Salude Medisch Advies B.V. in een rapport van 24 april 2025 heeft geconcludeerd dat eiser voldoet aan de medische criteria met betrekking tot een GPK. De vereisten zijn hetzelfde als in de gemeente Den Haag. Eiser heeft verder gewezen op een medisch advies van Calder Werkt van 5 december 2025 naar aanleiding van zijn nieuwe aanvraag van 23 november 2025 voor een GPK. In het medisch advies staat dat geadviseerd wordt om een GPK voor bestuurders en passagiers toe te kennen. Eiser voert verder aan dat verweerder in strijd met het motiveringsbeginsel onvoldoende heeft onderbouwd waarom het advies van Salude niet gevolgd kan worden. Eiser voert ook aan dat verweerder in bezwaar niet is ingegaan op zijn beroep op de hardheidsclausule. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag voor een GPK terecht heeft afgewezen. Van belang is het volgende. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een afgewezen aanvraag. Dit betekent dat het op de weg van eiser ligt om aan te tonen dat de GPK ten onrechte is geweigerd. 6.2. De rechtbank stelt vast dat er geen medisch advies van een geneeskundig onderzoek door een door het college aangewezen deskundige is gedeeld met verweerder naar aanleiding van eisers aanvraag. Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart moet het college in beginsel een medisch onderzoek laten uitvoeren door een deskundige voordat een GPK afgegeven kan worden. Geen medisch advies naar aanleiding van spreekuur 11 december 2024 6.2.1 Eiser is naar aanleiding van zijn aanvraag op 11 december 2024 op het spreekuur geweest bij een medisch adviseur werkzaam bij Calder Werkt. Dit spreekuurcontact heeft niet geleid tot een medisch advies. Ingetrokken medisch advies 1 6.2.2. Vervolgens is aan eiser aangeboden een nieuw medisch onderzoek te doen. Eiser heeft aangegeven niet in staat te zijn om deel te nemen aan een fysieke keuring omdat hij bedlegerig zou zijn. De medisch adviseur van Calder Werkt heeft eiser toen telefo Vaststaat dat het college niet eerder een gehandicaptenparkeerkaart aan eiser heeft verstrekt. 7.1. Voor zover eiser met het beroep op de hardheidsclausule ook wil betogen dat het college gelet op de dossierstukken voldoende medische informatie heeft om een GPK af te geven, is de rechtbank van oordeel dat er geen medisch inhoudelijke stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat eiser in de te beoordelen periode een loopbeperking heeft en daardoor niet meer dan 100 meter kan lopen. Zonder dergelijke objectieve gegevens ter onderbouwing van zijn verhaal is er geen grondslag om eiser in weerwil van de regelgeving toch een GPK te verstrekken. Misbruik van het procesrecht 8. Verweerder heeft verzocht om eiser te veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet waarom sprake is van misbruik van procesrecht en heeft ter onderbouwing enkele e-mailberichten overgelegd van 19 en 20 januari 2026 die zouden zijn verstuurd door eiser. Verweerder stelt dat de e-mailberichten illustreren hoe eiser te werk gaat om mensen onder druk te zetten om zijn zin te krijgen. 8.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om eiser in deze procedure te veroordelen in de proceskosten. In het dossier ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. In deze procedure heeft eiser zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De werkwijze van de gemachtigde van eiser in deze zaak is overzichtelijk en heeft niet geleid tot vertraging van de behandeling van het beroep. Ter zitting hebben eiser en zijn gemachtigde de beroepsgronden nader toegelicht en desgevraagd door de rechtbank antwoord gegeven op de vragen. De door verweerder ter zitting gegeven toelichting, wat hier ook van zij, ziet niet op het gedrag van eiser en zijn gemachtigde richting de rechtbank in deze procedure. De rechtbank signaleert dat er tussen verweerder en eiser, op zijn zachtst gezegd, geen goede verstandhouding is. Dit is echter onvoldoende om eiser te veroordelen in de proceskosten. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026. - de griffier is verhinderd om te ondertekenen - griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) Op grond van artikel 49, eerste lid, kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt. Regeling gehandicaptenparkeerkaart Artikel 1, eerste lid aanhef onder a en b, luidt: “Voor e