Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2026:13929
Internationaal bevoegdheidsincident. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer/rolnummer C/09/697952 / HA ZA 26-93 Vonnis in incident van 27 mei 2026 in de zaak van [partij A] B.V. te [plaats] , eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, hierna te noemen: [partij A] , advocaat: mr. B.M. van Werven te Amsterdam, tegen [partij B] te [woonplaats] , [land] , gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, hierna te noemen: [partij B] , advocaat: mr. J.G.J. Elslo te Utrecht. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 september 2025, met zeven producties; - in incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met een productie; - de antwoordconclusie in het incident van [partij A] , met twee producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 Het geschil in het hoofdzaak en in het incident 2.1. [partij A] vordert in de hoofdzaak betaling van een hoofdsom van € 75.000, te vermeerderen met wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 2.2. Hieraan legt [partij A] , samengevat, ten grondslag dat zij aan [partij B] € 75.000 heeft geleend voor de renovatie van een huis en een appartement in [land] en dat [partij B] in gebreke is gebleven met de terugbetaling daarvan. Volgens [partij A] is rechtbank (internationaal) bevoegd om het geschil te beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 onder a van de Brussel I-bis Verordening (hierna: Brussel I bis-Vo) . Op grond van deze bepaling is bevoegd de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd. Naar Nederlands recht geldt als hoofdregel dat een geldschuld moet worden betaald aan de woon- of vestigingsplaats van de schuldeiser. Nu [partij A] in [plaats] is gevestigd, is de plaats van uitvoering van de verbintenis [plaats] . 2.3. [partij B] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en [partij A] veroordeelt in de kosten van de procedure. 2.4. [partij B] voert hiertoe aan dat aangezien zij in [land] woont, op grond van de hoofdregel van artikel 4 Brussel I bis Vo. de Portugese rechter bevoegd is. Volgens [partij B] is de geldleningovereenkomst niet gesloten met [partij A] , maar met haar ex-partner [naam] (hierna: [naam] ) zelf en is daarop Portugees recht van toepassing. Als [partij A] toch als geldlener moet worden aangemerkt, geldt dat [partij B] de overeenkomst heeft gesloten als consument in de zin van de artikelen 17-19 Brussel I bis-Vo, zodat op die grond ook in dat geval de Portugese rechter bevoegd is. Verder is nog van belang dat er in [land] een mediationtraject over de financiële afwikkeling van de affectieve relatie loopt. Op korte termijn zullen [partij B] en [naam] zich tot de Portugese rechter wenden om een en ander te formaliseren. In dat geval dient de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren dan wel de zaak aan te houden vanwege litispendentie (artikel 29 Brussel I bis-Vo). 2.5. [partij A] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering. 2.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3 De beoordeling in het incident Is de rechtbank internationaal bevoegd? 3.1. Zoals partijen ook hebben onderkend, moet internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze zaak worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Vo. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel I bis-Vo is de rechter bevoegd van de lidstaat waar de gedaagde woonplaats heeft, dat is in dit geval [land] . Daarnaast biedt de Brussel I bis-Vo een aantal alternatieve bevoegdheidsgronden. 3.2. De rechtbank stelt voorop dat zij bij beantwoording van de bevoegdheidsvraag op basis van de Brussel I bis-Vo alle haar ter beschikking staande relevante gegevens in ogenschouw dient te nemen, waaronder, in voorkomend geval, de betwistingen van gedaagde. Voor de toetsing in het kader van de bevoegdheid hoeft de rechtbank echter geen uitgebreide bewijsprocedure te voeren met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als in de hoofdzaak relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag kan beperken tot een summierlijk oordeel. 3.3. Partijen zijn het erover eens dat [partij B] € 75.000 (in tranches) heeft geleend voor de verbouwing van haar woning in [land] . Evenmin is in geschil dat de bedragen tussen 8 oktober 2021 en 8 november 2022 door [partij A] zijn overgemaakt op buitenlandse bankrekeningen van [partij B] en dat [partij A] de holdingvennootschap is van [naam] , de ex-partner van [partij B] . De geldleningsovereenkomst is niet op schrift gesteld. Bij deze stand van zaken merkt de rechtbank in dit incident [partij A] , die [partij B] de geleende bedragen verstrekte, aan als de geldlener. Omdat de geleende bedragen aan [partij B] zijn verstrekt door [partij A] merkt de rechtbank haar in dit incident aan als haar wederpartij. 3.4. Vervolgens is aan de orde of [partij B] de overeenkomst is aangegaan als consument als bedoeld in Afdeling 4 van Brussel I Bis-Vo, zodat [partij B] voor de Portugese rechter moet worden opgeroepen. 3.5. Afdeling 4 van Brussel I bis-Vo is van toepassing indien is voldaan aan drie voorwaarden, te weten, in de eerste plaats dat een contractpartij een consument is die handelt in een kader dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd; in de tweede plaats dat de overeenkomst tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar daadwerkelijk is gesloten, en in de derde plaats dat een dergelijke overeenkomst valt onder een van de in lid 1, onder a tot en met c, van artikel 17 Brussel I-bis bedoelde categorieën. Dit zijn cumulatieve voorwaarden, zodat wanneer aan een van de drie voorwaarden niet is voldaan, de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld volgens de regels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten. 3.6. [partij B] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat [partij A] commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in [land] , althans zich richt op de Portugese markt, zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 onder c Brussel I bis-Vo. De enkele door [partij B] gestelde omstandigheid dat [partij A] een geldlening is aangegaan met in [land] wonende consument is daarvoor ontoereikend. Het geschil valt ook niet onder de in artikel 17 lid 1 onder a en b genoemde categorieën zaken. Er is dus geen sprake van een overeenkomst waarop Afdeling 4 van Brussel I Bis-Vo van toepassing is. 3.7. Met [partij A] is de rechtbank van oordeel dat zij aan artikel 7 Brussel I bis-Vo internationale bevoegdheid kan ontlenen, gelet op het volgende. 3.8. Allereerst moet worden bezien of de geldlening een ‘verstrekte dienst’ is in de zin van artikel 7 lid 1 onder b Brussel I bis-Vo. Deze bepaling is bij geldleningen van toepassing voor professionele kredietverstrekking tegen een rentevergoeding, waarvan in dit geen sprake lijkt te zijn. 3.9. De rechtbank kan echter aan artikel 7 lid 1 onder a Brussel I bis-Vo bevoegdheid ontlenen, gelet op het volgende. De vordering van [partij A] is gebaseerd op een verbintenis tot terugbetaling van een geldlening. De plaats waar die verbintenis moet worden uitgevoerd, moet op grond van artikel 7 lid 1 onder a Brussel I bis-Vo worden bepaald aan de hand van het materiële recht dat volgens de regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter op de overeenkomst van toepassing is. 3.10. Het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de verordening Rome I. Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I geldt als uitgangspunt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestatie bij een overeenkomst van geldlening wordt geleverd door degene die het geld uitleent, in dit geval [partij A] Het uitgangspunt is dus dat de overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht, op grond waarvan (terug)betaling moet plaatsvinden aan de vestigingsplaats van [partij A] (artikelen 6:116 lid 1 BW en 6:118 BW).