Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:12908
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,849 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12908 text/xml public 2026-05-21T11:28:57 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-21 NL26.19546 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12908 text/html public 2026-05-21T11:28:39 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12908 Rechtbank Den Haag , 21-05-2026 / NL26.19546 Dublin Spanje. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19546 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Oukil), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Wieman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. F. Verweij als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, een telefonische tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiseres stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Hiertoe voert eiseres aan dat Spanje niet veilig is voor haar. Zij heeft nooit asiel willen aanvragen in Spanje, maar is door mensenhandelaars naar Spanje gebracht. Deze mensenhandelaars hebben eiseres ook onder valse voorwendselen naar Nederland gebracht. Verder verwijst eiseres naar het AIDA-rapport, update 2024, waaruit volgt dat er in Spanje de afgelopen jaren grote tekortkomingen zijn geweest is het opvangsysteem. Hierdoor is de toegang tot opvang erg moeilijk en leidt dit in sommige gevallen zelfs tot dakloosheid. Eisers verwijst ook naar een rapport van Amnesty International uit 2024. Hieruit volgt dat asielzoekers onder verschrikkelijke omstandigheden werden vastgehouden op de luchthaven van [plaats] . Er werden onder andere 100 vrouwen vastgehouden in kamers die niet hiervoor bedoeld waren en waar geen licht was. 6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 3 februari 2025 , 25 november 2025 en 16 maart 2026 nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. 7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van het beroep een herhaling vormen van wat eiseres bij haar zienswijze naar voren heeft gebracht. De minister is op de punten uit de zienswijze in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan. Voor zover eiseres de beroepsgronden nog heeft aangevuld met twee bronnen, leiden deze ook niet tot het oordeel dan ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De Afdeling heeft geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2024, ten aanzien van de opvangvoorzieningen, geen wezenlijk ander beeld schetst dan waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. Het is niet gebleken dat de problemen in Spanje in verband met de opvang van asielzoekers, ondanks dat er moeilijkheden bestaan, dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Ook is niet gebleken dat het vragen van bescherming aan de autoriteiten bij voorbaat zinloos is. Uit het rapport van Amnesty International volgt ook niet dat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening 8. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Eiseres verwijst hierbij naar hetgeen hierboven aangevoerd. 9. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. Voor zover eiseres betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over de internationale verplichtingen ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst de rechtbank op rechtspraak van de Afdeling . Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RVS:2025:381. ECLI:NL:RVS:2025:5661. ECLI:NL:RVS:2026:1431. Zie de uitspraak van 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12908 text/xml public 2026-05-21T11:28:57 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-21 NL26.19546 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12908 text/html public 2026-05-21T11:28:39 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12908 Rechtbank Den Haag , 21-05-2026 / NL26.19546 Dublin Spanje. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19546 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Oukil), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J. Wieman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. F. Verweij als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, een telefonische tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiseres stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Hiertoe voert eiseres aan dat Spanje niet veilig is voor haar. Zij heeft nooit asiel willen aanvragen in Spanje, maar is door mensenhandelaars naar Spanje gebracht. Deze mensenhandelaars hebben eiseres ook onder valse voorwendselen naar Nederland gebracht. Verder verwijst eiseres naar het AIDA-rapport, update 2024, waaruit volgt dat er in Spanje de afgelopen jaren grote tekortkomingen zijn geweest is het opvangsysteem. Hierdoor is de toegang tot opvang erg moeilijk en leidt dit in sommige gevallen zelfs tot dakloosheid. Eisers verwijst ook naar een rapport van Amnesty International uit 2024. Hieruit volgt dat asielzoekers onder verschrikkelijke omstandigheden werden vastgehouden op de luchthaven van [plaats] . Er werden onder andere 100 vrouwen vastgehouden in kamers die niet hiervoor bedoeld waren en waar geen licht was. 6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 3 februari 2025 , 25 november 2025 en 16 maart 2026 nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. 7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van het beroep een herhaling vormen van wat eiseres bij haar zienswijze naar voren heeft gebracht. De minister is op de punten uit de zienswijze in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan. Voor zover eiseres de beroepsgronden nog heeft aangevuld met twee bronnen, leiden deze ook niet tot het oordeel dan ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De Afdeling heeft geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2024, ten aanzien van de opvangvoorzieningen, geen wezenlijk ander beeld schetst dan waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. Het is niet gebleken dat de problemen in Spanje in verband met de opvang van asielzoekers, ondanks dat er moeilijkheden bestaan, dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Ook is niet gebleken dat het vragen van bescherming aan de autoriteiten bij voorbaat zinloos is. Uit het rapport van Amnesty International volgt ook niet dat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening 8. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Eiseres verwijst hierbij naar hetgeen hierboven aangevoerd. 9. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. Voor zover eiseres betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over de internationale verplichtingen ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst de rechtbank op rechtspraak van de Afdeling . Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RVS:2025:381. ECLI:NL:RVS:2025:5661. ECLI:NL:RVS:2026:1431. Zie de uitspraak van 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717).