Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:12614
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12614 text/xml public 2026-05-20T10:07:35 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-18 NL24.41727 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12614 text/html public 2026-05-19T16:09:43 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12614 Rechtbank Den Haag , 18-05-2026 / NL24.41727 Regulier. Beroep ongegrond. Eritrese nationaliteit. Nareis. Vader en dochter. Hoorplicht. DNA-onderzoek. Toestemmingsverklaring. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.41727 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres (gemachtigde: mr. M.L. van Leer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis. 1. 1.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft de zaak op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Overwegingen Achtergrond en bestreden besluit 2.1. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2010. Zij heeft op 15 november 2021 een vierde opeenvolgende mvv-aanvraag ingediend en wenst verblijf bij referent, [referent], haar gestelde vader. Verweerder heeft aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op 2 september 2014. Referent heeft vervolgens binnen drie maanden na verlening van zijn verblijfsvergunning de eerste mvv-aanvraag voor eiseres ingediend, waardoor de aanvraag van eiseres is getoetst aan de voorwaarden voor nareis. 2.2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 13 juni 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent niet aannemelijk is gemaakt. Daarnaast heeft eiseres geen toestemmingsverklaring van haar moeder ingediend, die achterblijft in Eritrea. Verweerder heeft verder van het horen in bezwaar afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb , omdat er geen twijfel bestond over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. Standpunten en beoordeling door de rechtbank Zaak broer 3.1. Eiseres voert aan dat de aanvraag van [naam], haar broer en zoon van referent, zonder nader onderzoek wel is ingewilligd, terwijl in die zaak evenmin de familierechtelijke relatie met referent was aangetoond. Eiseres begrijpt niet waarom in haar zaak nader onderzoek nodig is, nu verweerder heeft erkend dat zij het voordeel van de twijfel heeft gekregen wat betreft haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent. 3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd waarom de zaak van eiseres verschilt van de zaak van haar broer [naam]. Niet in geschil is dat in de zaak van [naam] een geldige toestemmingsverklaring en een echt bevonden Statement of Affidavit was overgelegd, waarin de moeder heeft verklaard afstand te doen van [naam]. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat iedere zaak, waaronder de zaak van eiseres, op de eigen merites moet worden beoordeeld. 3.3. De beroepsgrond slaagt niet. Motiveringsgebrek en schending hoorplicht 4.1. Eiseres stelt dat er in het bestreden besluit sprake is van een geheel andere motivering en reden tot afwijzing, in vergelijking met het primaire besluit, omdat er pas in het bestreden besluit een integrale beoordeling is gemaakt van alle overgelegde documenten en overgelegde verklaringen. Eiseres had daarom moeten worden gehoord. Eiseres stelt dat zij ook had moeten worden gehoord nu verweerder meer dan twee jaar de tijd nodig heeft gehad om op het bezwaar te beslissen. Dat is namelijk een lange periode en in die tijd kan veel veranderd zijn. 4.2. Wat betreft het gestelde motiveringsgebrek oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat geen geheel andere motivering en reden tot afwijzing ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres in bezwaar op enkele aangevoerde punten is gevolgd en er in het bestreden besluit een zichtbare integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft kunnen vinden dat dit niet betekent dat sprake is van een andere afwijzingsgrond. 4.3. Wat betreft de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres kunnen afdoen als kennelijk ongegrond en mogen afzien van het horen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat in de bezwaarfase geen nieuwe stukken zijn overgelegd wat betreft de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent, en in de gronden van bezwaar geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waarover eiseres gehoord had moeten worden. Verweerder heeft zich zodoende op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander standpunt dan in het primaire besluit. Daarbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat eiseres naar eigen verklaring niet kon uitreizen voor het DNA-onderzoek. 4.5. De beroepsgrond slaagt niet. Nader DNA-onderzoek 5.1. Eiseres stelt verder dat zij andere mogelijkheden heeft voorgesteld voor het nader DNA-onderzoek, zoals het faciliteren van DNA-onderzoek bij de Italiaanse ambassade in Asmara, Eritrea. Eiseres stelt dat zij inmiddels een stukje ouder is en dat de situatie aan de grens met Ethiopië ook is veranderd. Volgens eiseres wil referent dan ook onderzoeken of zij alsnog kan uitreizen, maar meent ook dat ten onrechte niet is gekeken naar de door hem voorgestelde opties. 5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2023 volgt dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat verweerder onder omstandigheden verplicht is aanvullend DNA-onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU -lidstaat of door ten minste een onderzoek te doen naar die mogelijkheid, maar dat verweerder de medewerking van een andere EU-lidstaat alleen kan vragen en niet kan bewerkstelligen. Uit die uitspraak volgt ook dat verweerder niet altijd verplicht is het DNA-onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU-lidstaat of door ten minste een onderzoek te doen naar die mogelijkheid, bijvoorbeeld als niet aannemelijk is gemaakt dat er een schrijnende situatie zal ontstaan indien de vreemdeling in kwestie zal moeten uitreizen voor het DNA-onderzoek. 5.3.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12614 text/xml public 2026-05-20T10:07:35 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-18 NL24.41727 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12614 text/html public 2026-05-19T16:09:43 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12614 Rechtbank Den Haag , 18-05-2026 / NL24.41727 Regulier. Beroep ongegrond. Eritrese nationaliteit. Nareis. Vader en dochter. Hoorplicht. DNA-onderzoek. Toestemmingsverklaring. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.41727 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres (gemachtigde: mr. M.L. van Leer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis. 1. 1.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft de zaak op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Overwegingen Achtergrond en bestreden besluit 2.1. Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2010. Zij heeft op 15 november 2021 een vierde opeenvolgende mvv-aanvraag ingediend en wenst verblijf bij referent, [referent], haar gestelde vader. Verweerder heeft aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op 2 september 2014. Referent heeft vervolgens binnen drie maanden na verlening van zijn verblijfsvergunning de eerste mvv-aanvraag voor eiseres ingediend, waardoor de aanvraag van eiseres is getoetst aan de voorwaarden voor nareis. 2.2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 13 juni 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent niet aannemelijk is gemaakt. Daarnaast heeft eiseres geen toestemmingsverklaring van haar moeder ingediend, die achterblijft in Eritrea. Verweerder heeft verder van het horen in bezwaar afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb , omdat er geen twijfel bestond over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. Standpunten en beoordeling door de rechtbank Zaak broer 3.1. Eiseres voert aan dat de aanvraag van [naam], haar broer en zoon van referent, zonder nader onderzoek wel is ingewilligd, terwijl in die zaak evenmin de familierechtelijke relatie met referent was aangetoond. Eiseres begrijpt niet waarom in haar zaak nader onderzoek nodig is, nu verweerder heeft erkend dat zij het voordeel van de twijfel heeft gekregen wat betreft haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent. 3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd waarom de zaak van eiseres verschilt van de zaak van haar broer [naam]. Niet in geschil is dat in de zaak van [naam] een geldige toestemmingsverklaring en een echt bevonden Statement of Affidavit was overgelegd, waarin de moeder heeft verklaard afstand te doen van [naam]. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat iedere zaak, waaronder de zaak van eiseres, op de eigen merites moet worden beoordeeld. 3.3. De beroepsgrond slaagt niet. Motiveringsgebrek en schending hoorplicht 4.1. Eiseres stelt dat er in het bestreden besluit sprake is van een geheel andere motivering en reden tot afwijzing, in vergelijking met het primaire besluit, omdat er pas in het bestreden besluit een integrale beoordeling is gemaakt van alle overgelegde documenten en overgelegde verklaringen. Eiseres had daarom moeten worden gehoord. Eiseres stelt dat zij ook had moeten worden gehoord nu verweerder meer dan twee jaar de tijd nodig heeft gehad om op het bezwaar te beslissen. Dat is namelijk een lange periode en in die tijd kan veel veranderd zijn. 4.2. Wat betreft het gestelde motiveringsgebrek oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat geen geheel andere motivering en reden tot afwijzing ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres in bezwaar op enkele aangevoerde punten is gevolgd en er in het bestreden besluit een zichtbare integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft kunnen vinden dat dit niet betekent dat sprake is van een andere afwijzingsgrond. 4.3. Wat betreft de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres kunnen afdoen als kennelijk ongegrond en mogen afzien van het horen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat in de bezwaarfase geen nieuwe stukken zijn overgelegd wat betreft de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent, en in de gronden van bezwaar geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waarover eiseres gehoord had moeten worden. Verweerder heeft zich zodoende op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander standpunt dan in het primaire besluit. Daarbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat eiseres naar eigen verklaring niet kon uitreizen voor het DNA-onderzoek. 4.5. De beroepsgrond slaagt niet. Nader DNA-onderzoek 5.1. Eiseres stelt verder dat zij andere mogelijkheden heeft voorgesteld voor het nader DNA-onderzoek, zoals het faciliteren van DNA-onderzoek bij de Italiaanse ambassade in Asmara, Eritrea. Eiseres stelt dat zij inmiddels een stukje ouder is en dat de situatie aan de grens met Ethiopië ook is veranderd. Volgens eiseres wil referent dan ook onderzoeken of zij alsnog kan uitreizen, maar meent ook dat ten onrechte niet is gekeken naar de door hem voorgestelde opties. 5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2023 volgt dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat verweerder onder omstandigheden verplicht is aanvullend DNA-onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU -lidstaat of door ten minste een onderzoek te doen naar die mogelijkheid, maar dat verweerder de medewerking van een andere EU-lidstaat alleen kan vragen en niet kan bewerkstelligen. Uit die uitspraak volgt ook dat verweerder niet altijd verplicht is het DNA-onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU-lidstaat of door ten minste een onderzoek te doen naar die mogelijkheid, bijvoorbeeld als niet aannemelijk is gemaakt dat er een schrijnende situatie zal ontstaan indien de vreemdeling in kwestie zal moeten uitreizen voor het DNA-onderzoek. 5.3.