Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-18
ECLI:NL:RBDHA:2026:12599
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,055 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12599 text/xml public 2026-05-20T10:05:14 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-18 NL25.18960 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12599 text/html public 2026-05-19T14:57:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12599 Rechtbank Den Haag , 18-05-2026 / NL25.18960 Visum kort verblijf, hoorplicht, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.18960 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 2001, van Egyptische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. J. Ruijs), en de minister van Buitenlandse Zaken, de minister, (gemachtigde: mr. S. van der Steen). Inleiding 1. Met het besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf bij [referente] (hierna: referente) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 1.1. Bij besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.3. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd. 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Achtergrond 4. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. Hij wil voor elf dagen op familiebezoek bij zijn tante. Toetsingskader 5. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond of indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit laatste wordt ook wel vestigingsgevaar genoemd. Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. 5.1. Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Op basis daarvan komt de minister tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van de minister slechts terughoudend toetsen. Besluitvorming 6. De minister stelt zich op het standpunt dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. De sociale binding met het land van herkomst is onvoldoende aangetoond dan wel zeer gering gebleken. Hierdoor is de tijdige terugkeer na afloop van het beoogde verblijf niet voldoende gewaarborgd. Ook de economische binding is onvoldoende aangetoond dan wel zeer gering gebleken. Niet is gebleken dan wel aannemelijk gemaakt dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in het eigen onderhoud te kunnen voorzien. Omvang van het geschil 7. De rechtbank overweegt dat de familieband tussen eiser en referente niet ter discussie staat. Eisers beroepsgronden ten aanzien van het voorgenomen doel van verblijf behoeven daarom geen bespreking. 8. De rechtbank overweegt verder dat op de zitting is komen vast te staan dat tussen partijen ook niet in geschil is dat eiser over voldoende bestaansmiddelen beschikt voor de duur van het verblijf en de terugreis naar Egypte. Eisers beroepsgronden ten aanzien van zijn bestaansmiddelen behoeven daarom eveneens geen bespreking. Vestigingsgevaar 9. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van vestigingsgevaar. Vanwege de vaste rechtspraak dat de sociale en economische binding communicerende vaten zijn en beide in redelijke mate aanwezig zijn, hadden zij in onderlinge samenhang bezien voldoende moeten zijn om te vertrouwen op een tijdige terugkeer. 9.1. Ten aanzien van de sociale binding stelt eiser verder dat sprake is van voldoende sociale binding met Egypte. Ten eerste hanteert de minister een te strenge maatstaf door te verlangen dat alleen zeer bijzondere sociale omstandigheden voldoende zouden zijn om terugkeer te garanderen. Het enkele feit dat eiser jong en ongehuwd is, mag niet automatisch leiden tot vermoedens van immigratiegevaar. Eisers ouders en twee zussen zijn in Egypte. Ook heeft hij daar zijn sociale leven. 9.2. Eiser stelt daarnaast dat er wel sprake is van voldoende economische binding met Egypte. Eiser is werkzaam in Egypte en genereert inkomen. Dat dit inkomen relatief bescheiden is, laat onverlet dat hij daarmee in Egypte in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Bovendien toont het banksaldo aan dat hij gedurende zijn werkzaamheden een aanzienlijk vermogen heeft kunnen opbouwen. De minister heeft een te strikte bewijswaardering toegepast door zich op het standpunt te stellen dat geen objectief bewijs is overgelegd dat eiser “daadwerkelijk thans economisch actief is”, wijzend op het ontbreken van loonstroken en het feit dat loonstortingen niet expliciet op de bankafschriften te zien zijn. Eiser heeft een werkgeversverklaring en een bankrekening met een hoog saldo overgelegd. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat hij inkomen en middelen heeft in Egypte. 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen stellen dat er sprake is van vestigingsgevaar omdat eiser zijn sociale en economische binding met Egypte onvoldoende heeft aangetoond. De rechtbank legt dit hierna verder uit. 10.1. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser de sociale binding met Egypte onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is jong, heeft geen familieleden waar hij voor moet zorgen en geen kenbare maatschappelijke verplichtingen die hem noodzaken tijdig terug te keren naar Egypte. Dat er familieleden, ouders en twee zussen in Egypte wonen is onvoldoende. Voorts heeft eiser zijn gestelde sociale leven niet nader onderbouwd met objectief verifieerbare stukken, terwijl hij hiertoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. 10.2. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser de economische binding met Egypte onvoldoende heeft aangetoond. Eiser heeft niet met objectief verifieerbare stukken aangetoond dat hij daadwerkelijk inkomen uit arbeid ontvangt, ook niet nadat hij daartoe extra in de gelegenheid is gesteld via een e-mail van de Immigratie- en Naturalisatiedienst verstuurd op 17 januari 2025. Met de overgelegde werkgeversverklaring is niet aangetoond dat eiser het gestelde salaris ook daadwerkelijk ontvangt. Op het bankafschrift zijn weliswaar stortingen zichtbaar, maar deze zijn niet gespecificeerd en niet herleidbaar tot het salaris. Eiser heeft ook niet toegelicht, indien er sprake is van een contante salarisbetaling en werken zonder arbeidsovereenkomst, waarom er geen andere stukken kunnen worden overgelegd waarmee de economische binding kan worden onderbouwd. 10.3. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over het feit dat de sociale en economische binding communicerende vaten zijn, oordeelt de rechtbank dat zowel de sociale als de economische binding onvoldoende aanwezig is. Er is daarom in het geval van eiser geen sterkere ene binding die kan compenseren voor een geringere andere binding. Hoorplicht 11. Eiser stelt – samengevat – dat de hoorplicht is geschonden. 12. Gelet op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, bezien in het licht van het primaire besluit en artikel 32 van de Visumcode, is de rechtbank van oordeel dat de minister van horen heeft kunnen afzien, omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat eisers bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12599 text/xml public 2026-05-20T10:05:14 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-18 NL25.18960 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12599 text/html public 2026-05-19T14:57:04 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12599 Rechtbank Den Haag , 18-05-2026 / NL25.18960 Visum kort verblijf, hoorplicht, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.18960 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 2001, van Egyptische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. J. Ruijs), en de minister van Buitenlandse Zaken, de minister, (gemachtigde: mr. S. van der Steen). Inleiding 1. Met het besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf bij [referente] (hierna: referente) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. 1.1. Bij besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.3. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd. 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Achtergrond 4. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. Hij wil voor elf dagen op familiebezoek bij zijn tante. Toetsingskader 5. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond of indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit laatste wordt ook wel vestigingsgevaar genoemd. Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. 5.1. Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Op basis daarvan komt de minister tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van de minister slechts terughoudend toetsen. Besluitvorming 6. De minister stelt zich op het standpunt dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. De sociale binding met het land van herkomst is onvoldoende aangetoond dan wel zeer gering gebleken. Hierdoor is de tijdige terugkeer na afloop van het beoogde verblijf niet voldoende gewaarborgd. Ook de economische binding is onvoldoende aangetoond dan wel zeer gering gebleken. Niet is gebleken dan wel aannemelijk gemaakt dat eiser over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in het eigen onderhoud te kunnen voorzien. Omvang van het geschil 7. De rechtbank overweegt dat de familieband tussen eiser en referente niet ter discussie staat. Eisers beroepsgronden ten aanzien van het voorgenomen doel van verblijf behoeven daarom geen bespreking. 8. De rechtbank overweegt verder dat op de zitting is komen vast te staan dat tussen partijen ook niet in geschil is dat eiser over voldoende bestaansmiddelen beschikt voor de duur van het verblijf en de terugreis naar Egypte. Eisers beroepsgronden ten aanzien van zijn bestaansmiddelen behoeven daarom eveneens geen bespreking. Vestigingsgevaar 9. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van vestigingsgevaar. Vanwege de vaste rechtspraak dat de sociale en economische binding communicerende vaten zijn en beide in redelijke mate aanwezig zijn, hadden zij in onderlinge samenhang bezien voldoende moeten zijn om te vertrouwen op een tijdige terugkeer. 9.1. Ten aanzien van de sociale binding stelt eiser verder dat sprake is van voldoende sociale binding met Egypte. Ten eerste hanteert de minister een te strenge maatstaf door te verlangen dat alleen zeer bijzondere sociale omstandigheden voldoende zouden zijn om terugkeer te garanderen. Het enkele feit dat eiser jong en ongehuwd is, mag niet automatisch leiden tot vermoedens van immigratiegevaar. Eisers ouders en twee zussen zijn in Egypte. Ook heeft hij daar zijn sociale leven. 9.2. Eiser stelt daarnaast dat er wel sprake is van voldoende economische binding met Egypte. Eiser is werkzaam in Egypte en genereert inkomen. Dat dit inkomen relatief bescheiden is, laat onverlet dat hij daarmee in Egypte in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Bovendien toont het banksaldo aan dat hij gedurende zijn werkzaamheden een aanzienlijk vermogen heeft kunnen opbouwen. De minister heeft een te strikte bewijswaardering toegepast door zich op het standpunt te stellen dat geen objectief bewijs is overgelegd dat eiser “daadwerkelijk thans economisch actief is”, wijzend op het ontbreken van loonstroken en het feit dat loonstortingen niet expliciet op de bankafschriften te zien zijn. Eiser heeft een werkgeversverklaring en een bankrekening met een hoog saldo overgelegd. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat hij inkomen en middelen heeft in Egypte. 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen stellen dat er sprake is van vestigingsgevaar omdat eiser zijn sociale en economische binding met Egypte onvoldoende heeft aangetoond. De rechtbank legt dit hierna verder uit. 10.1. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser de sociale binding met Egypte onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is jong, heeft geen familieleden waar hij voor moet zorgen en geen kenbare maatschappelijke verplichtingen die hem noodzaken tijdig terug te keren naar Egypte. Dat er familieleden, ouders en twee zussen in Egypte wonen is onvoldoende. Voorts heeft eiser zijn gestelde sociale leven niet nader onderbouwd met objectief verifieerbare stukken, terwijl hij hiertoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. 10.2. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser de economische binding met Egypte onvoldoende heeft aangetoond. Eiser heeft niet met objectief verifieerbare stukken aangetoond dat hij daadwerkelijk inkomen uit arbeid ontvangt, ook niet nadat hij daartoe extra in de gelegenheid is gesteld via een e-mail van de Immigratie- en Naturalisatiedienst verstuurd op 17 januari 2025. Met de overgelegde werkgeversverklaring is niet aangetoond dat eiser het gestelde salaris ook daadwerkelijk ontvangt. Op het bankafschrift zijn weliswaar stortingen zichtbaar, maar deze zijn niet gespecificeerd en niet herleidbaar tot het salaris. Eiser heeft ook niet toegelicht, indien er sprake is van een contante salarisbetaling en werken zonder arbeidsovereenkomst, waarom er geen andere stukken kunnen worden overgelegd waarmee de economische binding kan worden onderbouwd. 10.3. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over het feit dat de sociale en economische binding communicerende vaten zijn, oordeelt de rechtbank dat zowel de sociale als de economische binding onvoldoende aanwezig is. Er is daarom in het geval van eiser geen sterkere ene binding die kan compenseren voor een geringere andere binding. Hoorplicht 11. Eiser stelt – samengevat – dat de hoorplicht is geschonden. 12. Gelet op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, bezien in het licht van het primaire besluit en artikel 32 van de Visumcode, is de rechtbank van oordeel dat de minister van horen heeft kunnen afzien, omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat eisers bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit.