Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:12177
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,442 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12177 text/xml public 2026-05-18T09:23:54 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 C/09/686389 / FA RK 25-4207 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12177 text/html public 2026-05-18T09:21:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12177 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / C/09/686389 / FA RK 25-4207 Kinderalimentatie. Geen wijziging van omstandigheden. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-4207 Zaaknummer: C/09/686389 Datum beschikking: 3 april 2026 Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie Beschikking op het op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.A. Hoste in ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.M.P.M. Lousberg in Amsterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader; het verweer van de moeder tegen het zelfstandig verzoek van de vader; een F-9 formulier van 3 maart 2026 met bijlagen, van de zijde van de moeder. [minderjarige 1] heeft zich in een gesprek met de kinderrechter uitgelaten over het verzoek. Op 6 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat en mr. YM. van Vliet, advocaat in Haarlem; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] . De vader heeft de kinderen erkend. Volgens een aantekening in het gezagsregister oefenen de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. Bij beschikking van 30 juli 2023 van de rechtbank Limburg is het door de ouders opgestelde en ondertekende ouderschapsplan vastgesteld en aangehecht aan de beschikking. In het ouderschapsplan zijn (onder meer) de afspraken van de ouders over de zorgregeling en de kinderalimentatie vastgelegd. Ten aanzien van de kinderalimentatie is – onder meer en voor zover in deze procedure van belang – het volgende in het ouderschapsplan opgenomen: “Er is een draagkrachtberekening gemaakt conform het rapport Alimentatienormen. De afspraken over de verdeling van de kosten van de kinderen, zijn zoveel mogelijk hierop gebaseerd. Uit de berekening blijkt dat: Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 4.335,- per maand, hebben de kinderen een behoefte aan kinderalimentatie van € 954,- per maand. De ouders zullen de kosten van de kinderen naar rato van inkomen betalen. De maandelijkse bijdrage in de kosten van de kinderen van de vader zal een bedrag van € 788,- zijn, de maandelijkse bijdrage van de moeder zal € 166,- zijn. Onderhoudsbijdrage De kinderen verblijven gemiddeld 1 dag per week bij de vader, om die reden geldt voor hem een zorgkorting van 15 %. De vader stort € 644,- (aandeel minus de zorgkorting) per eerste van de maand op een door de moeder aan te wijzen rekening, te beginnen vanaf het moment dat de huishoudens gesplitst zijn.” Verzoek en verweer De moeder verzoekt: de zorgregeling te wijzigen, op de wijze zoals in haar verzoekschrift nader gespecificeerd; de kinderalimentatie te wijzigen en te bepalen dat de vader met ingang van 4 december 2024 een kinderalimentatie moet voldoen van € 667,- per kind per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan de moeder bij vooruitbetaling te voldoen; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig een wijziging van de verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals nader in zijn verweerschrift gespecificeerd, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Wijziging van de zorgregeling Ter zitting heeft de moeder haar verzoeken tot wijziging van de reguliere zorgregeling ingetrokken en hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties, feestdagen en de vrijdagen waarop de kinderen vrij hebben van school. De rechtbank zal de overeengekomen zorgregeling vastleggen. Kindbrief De kinderrechter heeft tijdens het kindgesprek met [minderjarige 1] afgesproken om haar een brief te sturen om de beslissing van de rechtbank aan haar uit te leggen. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige 1] heeft ontvangen. Beste [minderjarige 1] , Op 27 februari was jij op de rechtbank en hebben we met elkaar gepraat. Je vertelde toen dat je het fijn hebt bij papa en bij mama. Je vertelde me ook dat je het liefst hebt dat er in het weekend en op de woensdagmiddag niets verandert. Tijdens de feestdagen wil je allebei je ouders zien., Je vindt dat je ouders zelf moeten bedenken hoe ze de feestdagen precies verdelen. Ik heb later ook met je ouders gepraat. Zij hebben toen ouders afgesproken om in het weekend en op woensdag niets te veranderen. Je ouders hebben ook afspraken gemaakt over de feestdagen. Ze hebben afgesproken dat je Kerstavond altijd bij je vader bent en Tweede Kerstdag altijd bij je moeder. Eerste Kerstdag ben het ene jaar bij je vader en het andere jaar bij je moeder. Ik hoop dat ik hiermee duidelijk heb uitgelegd wat mijn beslissing is. Je ouders krijgen van mij een officiële brief (dat heet een beschikking), waarin precies staat wat ik heb beslist en wat zij over de feestdagen hebben afgesproken. Daarin staat ook wat ik jou in deze brief heb verteld. Ik vond het fijn om met je te praten en ik vond dat je goed kon uitleggen wat je wilde. Dat vind ik knap! Met vriendelijke groet, De kinderrechter Wijziging van de kinderalimentatie Ontvankelijkheid Een uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud die van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij de uitspraak of bij het aangaan van de overeenkomst van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, kan op grond van artikel 1:401, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken. Als een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, kan die uitspraak of overeenkomst op grond van artikel 1:401 eerste lid BW bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken. Standpunt moeder De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen berekening ten grondslag heeft gelegen aan de kinderalimentatie die is overeengekomen in het ouderschapsplan. Reeds daarom voldoet de overeengekomen kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven. Ook heeft de moeder destijds geen inzage gehad in het inkomen van de vader. In het ouderschapsplan is uitgegaan van een behoefte van € 954,- per maand, wat betekent dat als er destijds berekeningen zijn gemaakt, er daarbij is uitgegaan van een jaarinkomen van de vader van € 60.000,-. De moeder vermoedt dat de vader aanzienlijk meer verdiende. Ook daarom voldoet de overeengekomen kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven. Voorts voert de moeder aan dat zij vermoedt dat het inkomen van de vader in ieder geval op dit moment veel hoger ligt, namelijk tussen de € 150.000,- en € 200.000,-, zodat de overeengekomen bijdrage niet (langer) voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank begrijpt de standpunten van de moeder aldus, dat zij meent dat het gelet op de resultaten van de ondernemingen waarvan de vader bestuurder is, niet anders kan dan dat de vader zichzelf een hoger inkomen toekent of toe kan (laten) kennen, dan € 60.000,- per jaar. Standpunt vader De vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12177 text/xml public 2026-05-18T09:23:54 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-03 C/09/686389 / FA RK 25-4207 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12177 text/html public 2026-05-18T09:21:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:12177 Rechtbank Den Haag , 03-04-2026 / C/09/686389 / FA RK 25-4207 Kinderalimentatie. Geen wijziging van omstandigheden. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-4207 Zaaknummer: C/09/686389 Datum beschikking: 3 april 2026 Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie Beschikking op het op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.A. Hoste in ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.M.P.M. Lousberg in Amsterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vader; het verweer van de moeder tegen het zelfstandig verzoek van de vader; een F-9 formulier van 3 maart 2026 met bijlagen, van de zijde van de moeder. [minderjarige 1] heeft zich in een gesprek met de kinderrechter uitgelaten over het verzoek. Op 6 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat en mr. YM. van Vliet, advocaat in Haarlem; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] . De vader heeft de kinderen erkend. Volgens een aantekening in het gezagsregister oefenen de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. Bij beschikking van 30 juli 2023 van de rechtbank Limburg is het door de ouders opgestelde en ondertekende ouderschapsplan vastgesteld en aangehecht aan de beschikking. In het ouderschapsplan zijn (onder meer) de afspraken van de ouders over de zorgregeling en de kinderalimentatie vastgelegd. Ten aanzien van de kinderalimentatie is – onder meer en voor zover in deze procedure van belang – het volgende in het ouderschapsplan opgenomen: “Er is een draagkrachtberekening gemaakt conform het rapport Alimentatienormen. De afspraken over de verdeling van de kosten van de kinderen, zijn zoveel mogelijk hierop gebaseerd. Uit de berekening blijkt dat: Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 4.335,- per maand, hebben de kinderen een behoefte aan kinderalimentatie van € 954,- per maand. De ouders zullen de kosten van de kinderen naar rato van inkomen betalen. De maandelijkse bijdrage in de kosten van de kinderen van de vader zal een bedrag van € 788,- zijn, de maandelijkse bijdrage van de moeder zal € 166,- zijn. Onderhoudsbijdrage De kinderen verblijven gemiddeld 1 dag per week bij de vader, om die reden geldt voor hem een zorgkorting van 15 %. De vader stort € 644,- (aandeel minus de zorgkorting) per eerste van de maand op een door de moeder aan te wijzen rekening, te beginnen vanaf het moment dat de huishoudens gesplitst zijn.” Verzoek en verweer De moeder verzoekt: de zorgregeling te wijzigen, op de wijze zoals in haar verzoekschrift nader gespecificeerd; de kinderalimentatie te wijzigen en te bepalen dat de vader met ingang van 4 december 2024 een kinderalimentatie moet voldoen van € 667,- per kind per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan de moeder bij vooruitbetaling te voldoen; een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig een wijziging van de verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals nader in zijn verweerschrift gespecificeerd, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Wijziging van de zorgregeling Ter zitting heeft de moeder haar verzoeken tot wijziging van de reguliere zorgregeling ingetrokken en hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties, feestdagen en de vrijdagen waarop de kinderen vrij hebben van school. De rechtbank zal de overeengekomen zorgregeling vastleggen. Kindbrief De kinderrechter heeft tijdens het kindgesprek met [minderjarige 1] afgesproken om haar een brief te sturen om de beslissing van de rechtbank aan haar uit te leggen. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige 1] heeft ontvangen. Beste [minderjarige 1] , Op 27 februari was jij op de rechtbank en hebben we met elkaar gepraat. Je vertelde toen dat je het fijn hebt bij papa en bij mama. Je vertelde me ook dat je het liefst hebt dat er in het weekend en op de woensdagmiddag niets verandert. Tijdens de feestdagen wil je allebei je ouders zien., Je vindt dat je ouders zelf moeten bedenken hoe ze de feestdagen precies verdelen. Ik heb later ook met je ouders gepraat. Zij hebben toen ouders afgesproken om in het weekend en op woensdag niets te veranderen. Je ouders hebben ook afspraken gemaakt over de feestdagen. Ze hebben afgesproken dat je Kerstavond altijd bij je vader bent en Tweede Kerstdag altijd bij je moeder. Eerste Kerstdag ben het ene jaar bij je vader en het andere jaar bij je moeder. Ik hoop dat ik hiermee duidelijk heb uitgelegd wat mijn beslissing is. Je ouders krijgen van mij een officiële brief (dat heet een beschikking), waarin precies staat wat ik heb beslist en wat zij over de feestdagen hebben afgesproken. Daarin staat ook wat ik jou in deze brief heb verteld. Ik vond het fijn om met je te praten en ik vond dat je goed kon uitleggen wat je wilde. Dat vind ik knap! Met vriendelijke groet, De kinderrechter Wijziging van de kinderalimentatie Ontvankelijkheid Een uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud die van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij de uitspraak of bij het aangaan van de overeenkomst van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, kan op grond van artikel 1:401, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken. Als een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, kan die uitspraak of overeenkomst op grond van artikel 1:401 eerste lid BW bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken. Standpunt moeder De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen berekening ten grondslag heeft gelegen aan de kinderalimentatie die is overeengekomen in het ouderschapsplan. Reeds daarom voldoet de overeengekomen kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven. Ook heeft de moeder destijds geen inzage gehad in het inkomen van de vader. In het ouderschapsplan is uitgegaan van een behoefte van € 954,- per maand, wat betekent dat als er destijds berekeningen zijn gemaakt, er daarbij is uitgegaan van een jaarinkomen van de vader van € 60.000,-. De moeder vermoedt dat de vader aanzienlijk meer verdiende. Ook daarom voldoet de overeengekomen kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven. Voorts voert de moeder aan dat zij vermoedt dat het inkomen van de vader in ieder geval op dit moment veel hoger ligt, namelijk tussen de € 150.000,- en € 200.000,-, zodat de overeengekomen bijdrage niet (langer) voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank begrijpt de standpunten van de moeder aldus, dat zij meent dat het gelet op de resultaten van de ondernemingen waarvan de vader bestuurder is, niet anders kan dan dat de vader zichzelf een hoger inkomen toekent of toe kan (laten) kennen, dan € 60.000,- per jaar. Standpunt vader De vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek.
Volledig
Toen partijen uiteengingen heeft de mediator op basis van de door partijen verstrekte inkomensgegevens en aan de hand van de geldende wettelijke maatstaven de verdeling van de kosten van de kinderen berekend. De vader betwist dat hij destijds meer inkomen genereerde dan de € 60.000.- bruto per jaar waarmee de mediator rekening heeft gehouden. De vader betwist dat hij zichzelf een hoger inkomen toekent of toe kan (laten) kennen dan € 60.000,- per jaar. Oordeel van de rechtbank Uit paragraaf 18 van het door beide ouders ondertekende ouderschapsplan blijkt dat de kosten van de kinderen en de verdeling van die kosten tussen beide ouders is vastgesteld op grond van een draagkrachtberekening die is gemaakt conform het rapport Alimentatienormen. De gemaakte berekeningen zijn door de vader als bijlage 1 bij zijn verweerschrift overgelegd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de moeder dat de overeengekomen kinderalimentatie van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven omdat er geen berekening aan ten grondslag heeft gelegen. De moeder heeft ook aangevoerd dat als er al berekeningen ten grondslag zouden liggen aan de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie, daarbij van een te laag inkomen aan de zijde van de vader is uitgegaan. De rechtbank gaat ook aan dit standpunt voorbij. De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het inkomen van partijen in 2023 significant hoger was dan het inkomen dat de mediator in de berekeningen heeft gehanteerd. De moeder heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat het bestedingspatroon van partijen tijdens de relatie niet paste bij het door de mediator berekende netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 4.335,- per maand. De rechtbank heeft de moeder ter zitting gevraagd naar het bestedingspatroon tijdens de relatie. Op grond van haar verklaringen over het bestedingspatroon heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het NBGI van partijen door de mediator onjuist is vastgesteld. De rechtbank neemt tot slot in aanmerking dat het door de mediator becijferde NGBI expliciet in het ouderschapsplan vermeld staat en dat dat destijds klaarblijkelijk voor de moeder geen aanleiding heeft gegeven tot twijfel aan de juistheid van de berekeningen. De rechtbank gaat daarom in deze beschikking uit van de in 2023 vastgestelde behoefte van € 954,-. Daarvan kwam volgens de gemaakte afspraken € 787,- per maand voor rekening van de vader en € 166,- per maand voor rekening van de moeder. Uitgaande van een zorgkorting van 15 % kwam dat neer op een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 644,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.129,- per maand en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie € 762,- per maand. De vraag of de vader onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomen en verdiencapaciteit, zoals de moeder stelt, laat de rechtbank in het midden. Ook als de rechtbank uitgaat van het inkomen waar de moeder mee rekent, is geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die moet leiden tot wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie. De rechtbank legt dat als volgt uit. Op grond van de in 2023 gemaakte afspraken moet de vader nu een kinderalimentatie van € 762,- per maand aan de moeder voldoen. De rechtbank concludeert dat deze bijdrage van € 762,- aan de wettelijke maatstaven voldoet, ook als wordt uitgegaan van een inkomen van tussen de € 150.000,- en € 200.000,- per jaar zoals de moeder doet. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder van € 20.000,- bruto per jaar. De rechtbank stelt voorts vast dat de vader gemiddeld 2 dagen per week voor de kinderen zorgt en daarom aanspraak kan maken op een zorgkorting van 25 %. Uit de aangehechte alimentatieberekeningen blijkt dat als rekening wordt gehouden met een bruto jaarinkomen van € 150.000,- aan de zijde van de vader, een bruto jaarinkomen van € 20.000,- aan de zijde van de moeder, een behoefte van € 1.129,- per maand en een zorgkorting van 25 %, de vader aan de moeder een kinderalimentatie zou moeten voldoen van € 760,- per maand. Rekening houdend met een bruto jaarinkomen van € 200.000,-, zou de vader aan de moeder een kinderalimentatie van € 783,- per maand moeten voldoen. Er is daarom geen sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid, BW. De rechtbank zal de moeder derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om wijziging van de kinderalimentatie. Ter zitting is namens de vader mondeling verzocht om de kinderalimentatie lager vast te stellen dan door partijen in 2023 overeen is gekomen. De vader heeft ter onderbouwing aangevoerd dat hij aanspraak kan maken op een zorgkorting van 25 % en dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van woonlasten die hoger zijn dan 30 % van zijn netto besteedbaar inkomen. De rechtbank zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek. Nog daargelaten dat een zelfstandig verzoek in beginsel schriftelijk dient te worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de vader onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomen en verdiencapaciteit. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vader heeft uitsluitend stukken overgelegd die zien op [bedrijfsnaam 1] B.V., maar niet van de daaronder hangende werkmaatschappij [bedrijfsnaam 2] B.V. Hij heeft enkele belastingaangiftes overgelegd, maar die zijn niet ondertekend en de bijbehorende aanslagen zijn niet in het geding gebracht dus de rechtbank kan niet vaststellen of het de definitieve aangiftes betreft. Ook de stellingen van de vader ten aanzien van de eigendomsverhouding van [stichting] – waaruit volgens de vader zou moeten blijken dat hij niet in staat is om zichzelf inkomen toe te kennen voor zijn werkzaamheden voor deze stichting – zijn niet met stukken onderbouwd. Gebleken is wel dat de vader al jarenlang bestuurder is van ondernemingen die – volgens de vader – eigendom zijn van zijn vader en die een groot eigen vermogen hebben. De vader krijgt al jarenlang dezelfde, relatief beperkte, vergoeding voor die werkzaamheden en heeft niet kunnen uitleggen waarom hij genoegen neemt met deze vergoeding. De rechtbank kan de draagkracht van de vader daarom niet vaststellen en dus ook niet beoordelen of de – gestelde, maar niet onderbouwde – woonlasten van de vader duurzaam aanzienlijk hoger zijn dan het woonbudget en of dat een rechtens relevante wijziging van omstandigheden oplevert.
Volledig
Toen partijen uiteengingen heeft de mediator op basis van de door partijen verstrekte inkomensgegevens en aan de hand van de geldende wettelijke maatstaven de verdeling van de kosten van de kinderen berekend. De vader betwist dat hij destijds meer inkomen genereerde dan de € 60.000.- bruto per jaar waarmee de mediator rekening heeft gehouden. De vader betwist dat hij zichzelf een hoger inkomen toekent of toe kan (laten) kennen dan € 60.000,- per jaar. Oordeel van de rechtbank Uit paragraaf 18 van het door beide ouders ondertekende ouderschapsplan blijkt dat de kosten van de kinderen en de verdeling van die kosten tussen beide ouders is vastgesteld op grond van een draagkrachtberekening die is gemaakt conform het rapport Alimentatienormen. De gemaakte berekeningen zijn door de vader als bijlage 1 bij zijn verweerschrift overgelegd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de moeder dat de overeengekomen kinderalimentatie van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven omdat er geen berekening aan ten grondslag heeft gelegen. De moeder heeft ook aangevoerd dat als er al berekeningen ten grondslag zouden liggen aan de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie, daarbij van een te laag inkomen aan de zijde van de vader is uitgegaan. De rechtbank gaat ook aan dit standpunt voorbij. De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het inkomen van partijen in 2023 significant hoger was dan het inkomen dat de mediator in de berekeningen heeft gehanteerd. De moeder heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat het bestedingspatroon van partijen tijdens de relatie niet paste bij het door de mediator berekende netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 4.335,- per maand. De rechtbank heeft de moeder ter zitting gevraagd naar het bestedingspatroon tijdens de relatie. Op grond van haar verklaringen over het bestedingspatroon heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het NBGI van partijen door de mediator onjuist is vastgesteld. De rechtbank neemt tot slot in aanmerking dat het door de mediator becijferde NGBI expliciet in het ouderschapsplan vermeld staat en dat dat destijds klaarblijkelijk voor de moeder geen aanleiding heeft gegeven tot twijfel aan de juistheid van de berekeningen. De rechtbank gaat daarom in deze beschikking uit van de in 2023 vastgestelde behoefte van € 954,-. Daarvan kwam volgens de gemaakte afspraken € 787,- per maand voor rekening van de vader en € 166,- per maand voor rekening van de moeder. Uitgaande van een zorgkorting van 15 % kwam dat neer op een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 644,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.129,- per maand en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie € 762,- per maand. De vraag of de vader onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomen en verdiencapaciteit, zoals de moeder stelt, laat de rechtbank in het midden. Ook als de rechtbank uitgaat van het inkomen waar de moeder mee rekent, is geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die moet leiden tot wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie. De rechtbank legt dat als volgt uit. Op grond van de in 2023 gemaakte afspraken moet de vader nu een kinderalimentatie van € 762,- per maand aan de moeder voldoen. De rechtbank concludeert dat deze bijdrage van € 762,- aan de wettelijke maatstaven voldoet, ook als wordt uitgegaan van een inkomen van tussen de € 150.000,- en € 200.000,- per jaar zoals de moeder doet. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen uitgegaan moet worden van een verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder van € 20.000,- bruto per jaar. De rechtbank stelt voorts vast dat de vader gemiddeld 2 dagen per week voor de kinderen zorgt en daarom aanspraak kan maken op een zorgkorting van 25 %. Uit de aangehechte alimentatieberekeningen blijkt dat als rekening wordt gehouden met een bruto jaarinkomen van € 150.000,- aan de zijde van de vader, een bruto jaarinkomen van € 20.000,- aan de zijde van de moeder, een behoefte van € 1.129,- per maand en een zorgkorting van 25 %, de vader aan de moeder een kinderalimentatie zou moeten voldoen van € 760,- per maand. Rekening houdend met een bruto jaarinkomen van € 200.000,-, zou de vader aan de moeder een kinderalimentatie van € 783,- per maand moeten voldoen. Er is daarom geen sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid, BW. De rechtbank zal de moeder derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om wijziging van de kinderalimentatie. Ter zitting is namens de vader mondeling verzocht om de kinderalimentatie lager vast te stellen dan door partijen in 2023 overeen is gekomen. De vader heeft ter onderbouwing aangevoerd dat hij aanspraak kan maken op een zorgkorting van 25 % en dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van woonlasten die hoger zijn dan 30 % van zijn netto besteedbaar inkomen. De rechtbank zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek. Nog daargelaten dat een zelfstandig verzoek in beginsel schriftelijk dient te worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de vader onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomen en verdiencapaciteit. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vader heeft uitsluitend stukken overgelegd die zien op [bedrijfsnaam 1] B.V., maar niet van de daaronder hangende werkmaatschappij [bedrijfsnaam 2] B.V. Hij heeft enkele belastingaangiftes overgelegd, maar die zijn niet ondertekend en de bijbehorende aanslagen zijn niet in het geding gebracht dus de rechtbank kan niet vaststellen of het de definitieve aangiftes betreft. Ook de stellingen van de vader ten aanzien van de eigendomsverhouding van [stichting] – waaruit volgens de vader zou moeten blijken dat hij niet in staat is om zichzelf inkomen toe te kennen voor zijn werkzaamheden voor deze stichting – zijn niet met stukken onderbouwd. Gebleken is wel dat de vader al jarenlang bestuurder is van ondernemingen die – volgens de vader – eigendom zijn van zijn vader en die een groot eigen vermogen hebben. De vader krijgt al jarenlang dezelfde, relatief beperkte, vergoeding voor die werkzaamheden en heeft niet kunnen uitleggen waarom hij genoegen neemt met deze vergoeding. De rechtbank kan de draagkracht van de vader daarom niet vaststellen en dus ook niet beoordelen of de – gestelde, maar niet onderbouwde – woonlasten van de vader duurzaam aanzienlijk hoger zijn dan het woonbudget en of dat een rechtens relevante wijziging van omstandigheden oplevert.